De prijs van oud worden

We worden honderd

Het groeiende aandeel ouderen in de samenleving heeft een prijs. Een steeds kleiner deel van de bevolking brengt geld binnen. En wie zal straks die ouderen verzorgen?

In de trein naar Amsterdam zaten onlangs vier jonge vrouwen op luide toon een gesprek te voeren. Een van hen opperde dat de ouders van het verdwenen Engelse meisje Madeleine het kind waarschijnlijk in de achterbak van de auto hadden gelegd, omdat het vierjarige meisje lastig was toen ze een avondje gezellig wilden gaan eten met alleen volwassenen. Het was een opmerkelijke hypothese die des te meer verbaasde omdat er begrip voor de ouders in doorklonk.

Wie nog twijfelde of hij dat goed had gehoord, stopte daar waarschijnlijk mee toen de vier het kregen over oude mensen. Ook die waren in hun ogen lastig. Daarom moesten mensen van 68 jaar verplicht worden hun rijbewijs in te leveren. Dat trage rijden van die oudjes ergerde hun mateloos. De oudjes moesten trouwens ook eens wat meer respect voor hen tonen. Want wie betaalde het verzorgingshuis waar ze de hele dag maar niks zaten te doen? De oude vrouw naast een van hen vertrok geen spier.

Boeiend, zo’n gesprek. Maar was het nu om te lachen of om te huilen? Was hier de overmoed van de jeugd aan het woord? Of is dit hoe jongeren denken over de heel jonge en de oudere medemens?

Het zou interessant zijn geweest om deze vrouwen te confronteren met cijfers van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (Nidi). Wisten zij dat een man die 65 wordt mag verwachten nog bijna tien gezonde levensjaren te hebben en zelfs nog veertien jaar ook een goede geestelijke gezondheid? Een vrouw die 65 wordt, mag zelfs verwachten dat haar geestelijke gezondheid nog ruim zestien jaar goed blijft, terwijl ook zij gemiddeld nog ruim tien jaar zonder lichamelijke gebreken blijft.

In 2025 zal 21 procent van de Nederlandse bevolking bestaan uit 65-plussers. In 1975 was hun aandeel nog slechts zeven procent. Deze groei van het aandeel 65-plussers is niet zozeer het gevolg van het steeds maar ouder worden van de Nederlander, maar van het geringere aantal geboortes. De bevolking in zijn geheel wordt ouder.

Dat grotere aandeel ouderen in de samenleving heeft een prijs. Niet alleen in euro’s, omdat een steeds kleiner deel van de bevolking werkt en geld binnenbrengt. Maar ook op een ander terrein: zijn er straks wel genoeg mensen om die ouderen te verzorgen; zal de prijs zijn dat niet iedereen dezelfde zorg krijgt?

De politiek worstelt al jaren met de vraag hoe de letterlijke prijs te verdelen over de generaties. De opmerkingen van de jonge treinreizigsters stemt niet hoopvol als het gaat om solidariteit tussen de generaties. De jonge vrouwen zullen overigens vinden dat ouderen niet solidair zijn met hen. Maar juist dit, iedere generatie voor zich, is de prijs die we dreigen te gaan betalen voor het ouder worden van Nederland. Wij hebben hard gewerkt, zegt de ene generatie, waarop de andere roept: maar jullie konden op je 57ste met de vut. Ja, maar jullie konden makkelijker gaan studeren. Kan wel zijn, maar jullie houden de huizenmarkt op slot.

Voor het financiële probleem zijn allerlei oplossingen bedacht. Het idee om belasting te gaan heffen over het pensioen valt bij menigeen slecht, zoals anderen niet geporteerd zijn voor het voorstel om langzaam maar zeker de pensioengerechtigde leeftijd op te rekken naar 67 jaar. De vier treinreizigsters waren nog jong genoeg om beide maatregelen goed te vinden. Maar zouden ze zich realiseren dat zij de oudere dan al een jaar na zijn pensionering zijn autosleutels willen afnemen?

Iemand van 68 jaar is niet oud. Althans niet in de ogen van tachtig- of negentigjarigen. Die vinden iemand van achter in de zestig nog een jonkie. Dat mensen van boven de vijftig al bij de ouderen gerekend worden, vinden de alleroudsten ronduit belachelijk.

Er zit ook iets paradoxaals in. Nog nooit is de levensverwachting van de Nederlander zo hoog geweest. Het Nidi verwacht dat die bij mannen nog zelfs met twee jaar zal toenemen zodat in 2025 de mannen gemiddeld 79 jaar oud worden en de vrouwen net als nu 82 jaar. Begin vorige eeuw was dat nog 47 en 50 jaar. Ondanks deze verlengde levensverwachting word je toch al jong oud genoemd. Ook doen we er alles aan zo oud mogelijk te worden, maar werken we er nog harder aan om jong te blijven. Een mooie bevestiging daarvan is het zoeksysteem van de openbare bibliotheek. Toets ‘ouderdom’ in en er verschijnen de zoekspecificaties levensverlenging en verjongingskuren.

Waarom wil de mens toch steeds maar langer leven? Omdat hij niet dood wil. Dat is de prijs die we winnen met oud worden.

Dat de Nederlander ouder wordt dan een eeuw geleden had overigens aanvankelijk vooral te maken met het terugdringen van de kindersterfte. Pas daarna steeg de levensverwachting van niet alleen de baby maar ook die van de oudere mens.

Velen zullen geneigd zijn te denken dat de hogere levensverwachting te danken is aan een medische uitvinding. Toen het British Medical Journal begin dit jaar echter een prijsvraag uitschreef voor de belangrijkste medische uitvinding kwam de waterleiding als winnaar uit de bus. Die was voorgedragen door Johan Mackenbach, hoogleraar maatschappelijke gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Als reactie zei Mackenbach toen: passieve bescherming tegen gezondheidsrisico’s is vaak de beste manier om gezondheid te bevorderen.

Het is een les die weer opgeld doet nu we door te vet en te veel eten en te weinig bewegen onze huidige lange levensverwachting als het ware al zittend aan het opeten zijn. Dik zijn en zeker obesitas, veel te dik zijn, verkort het leven. Maar dat niet alleen: het verziekt ook het leven, want de te dikke mens krijgt suikerziekte, hartkwalen en last van knieën en heupen. Om dat met een getal uit te drukken: had in 2005 één op de zeven 65-plussers diabetes, in 2025 zal dat één op de vijf zijn. Oud worden mag dan het doel zijn, dan wel graag in goede gezondheid.

Medisch sleutelen aan de eenmaal te dikke mens heeft volgens de filosofie van Mackenbach dus veel minder zin dan zorgen dat het niet zo ver komt. De prijs die we voor deze gedachtegang gaan betalen – in combinatie met onze levensstijl en de ouder wordende bevolking – zijn vragen als: mag de levensstijl van invloed zijn op de ziektekostenpremie en is preventie een taak van de ziektekostenverzekeraar? Directer gezegd: willen dunne mensen solidair blijven met de dikke, veel meer ziektekosten makende medemens? En mag de dikkerd op sport op kosten van zijn verzekeraar, terwijl de dunne de sportclub zelf moet betalen?

Vooral rekenmeesters zijn hierin geïnteresseerd, want jaren die in goede gezondheid worden doorgebracht zijn goedkoper dan jaren met ziekte en gebreken. Zeker in een ouder wordend Nederland is dat belangrijk. Wie moeten de zieke jaren van die oudjes immers betalen? zouden de vier treinreizigsters zich retorisch kunnen afvragen.

Hoewel de westerse mens zijn langere leven mogelijk aan het opeten is en er daarnaast ook steeds meer wetenschappelijk onderzoek is waaruit blijkt dat het leven van de mens niet eindeloos kan worden opgerekt omdat onze cellen dat niet aankunnen, zijn er toch wetenschappers die menen dat de mens door medisch-technisch sleutelen nog in de eerste helft van deze eeuw gemiddeld honderd jaar kan worden. De bioloog Shripad Tuljapurkar van Stanford University denkt dat het die kant op gaat.

Voor wie denkt dat dit leuk is, hier een paar waarschuwingen van Tuljapurkar zelf. Om zo’n lang leven te kunnen bekostigen zouden we tot minstens ons 85ste levensjaar moeten blijven werken. Als jong en oud niet solidair met elkaar zijn, zou het tevens betekenen dat sommige mensen zich dat lange leven financieel niet kunnen veroorloven. Daarnaast zou de totale wereldbevolking gigantisch groeien. De vraag is of de aarde dat aankan. Bovendien zou de bevolking vooral in die landen groeien die zich de nieuwste technologieën kunnen veroorloven. Dit alles overziend vroeg Tuljapurkar zich af of de gezondheidszorg wel alles moet implementeren wat medisch-technisch mogelijk is. Dat laatste is volgens hem in de medische wereld tot nu gebruikelijk. Nadenken over de gevolgen en de vragen die ze oproepen is ook een prijs die we moeten betalen als we steeds maar ouder willen worden.

Vooralsnog leven we in Nederland langer dan een eeuw geleden, maar is de sterke groei eruit. Het blijven daarnaast de vrouwen die de hoogste levensverwachting hebben en het blijft ook nog zo dat zij die allerlaatste, extra levensjaren met hun gezondheid tobben. Bladen, gericht op ouderen, waarin vooral blakende zestigers of vitale zeventigers figureren die de wereld afreizen om ergens mooi te kunnen golfen of een interessant museum te bezoeken, gaan volgens de echt ouden dan ook niet over hen.

Hun leven gaat eerder over knieoperaties, slecht functionerende nieren, pijn, een dag onverzorgd op bed liggen, de ingrijpende beslissing of het zelfstandig wonen nog is vol te houden en al weer iemand die is overleden. Dat is de prijs die zij betalen voor écht oud worden.

Natuurlijk komt op hoge leeftijd ook de vraag aan de orde: hoe lang mag en kan ik nog autorijden? Dat laatste betekent mobiel zijn, onafhankelijkheid, het huis uit komen. En, jonge dames in de trein, dat zorgt voor minder taxikosten voor de gemeenschap en daardoor hoeven jullie ook minder te rijden voor jullie opa’s of oma’s en straks eigen ouders.

Maar de echte prijs die de mens betaalt voor ouder worden, is wat de Duitse dichter Jean Paul al zo’n twee eeuw geleden schreef: ‘Ouderdom is niet triest omdat onze pleziertjes dan ophouden maar onze verwachtingen van het leven.’

Toen de conducteur de coupé binnenkwam, viel het gesprek tussen de vier treinreizigsters stil. Alle vier toonden ze hem hun OV-studentenkaart. Toch solidair van de ouderen om daaraan mee te betalen.