De almacht van Erdogan

‘We zien in Turkije een staatsgreep in slow motion’

29 juni 2016 - Academici, politici, journalisten en vele burgers in Turkije vrezen dat het land afglijdt naar een dictatuur. De Baas duldt geen enkele tegenspraak meer. Maar komt hij niet ook tegemoet aan verlangens die leven in de Turkse samenleving?

Medium istanboel 20 9 20of 2012

Begin vorige maand maakte de Turkse premier Ahmet Davutoglu zijn aftreden bekend. De vrome Davutoglu stond bekend als het redelijk gezicht van de uitvoerende macht. Europese leiders deden graag zaken met hem. Zijn ontslag kwam onverwacht, te meer omdat de tandem met president Recep Tayyip Erdogan juist goed leek te werken. Maar paleiswatchers in Ankara weten beter. Ze wijzen naar een blog dat een paar dagen daarvoor de lucht in was gegaan. Het heet Pelikandosyasi (‘The Pelican Brief’, naar de gelijknamige thriller van John Grisham uit 1993) en bevat slechts één post: een lange tirade tegen Davutoglu. De anonieme auteur noemt zich ‘een van degenen die zijn ziel en zaligheid zou geven voor de REIS’ – DE BAAS, een term die in het hele stuk 73 keer in kapitalen wordt gebruikt.

Er wordt een decor neergezet van binnen- en buitenlandse complotten. Overal houden zich verraders op en de grootste van allemaal is Davutoglu. Twee duidelijke opdrachten had Erdogan hem bij zijn aantreden gegeven: afstand houden ten opzichte van het Westen en zijn ‘Trojaanse paarden’ en de publieke opinie warm maken voor een nog in te voeren presidentieel stelsel. In plaats daarvan heeft Davutoglu een deal met de EU gesloten en die nadrukkelijk gepresenteerd als zijn eigen succes. En voor het presidentiële systeem heeft hij zich in het geheel niet ingezet.

Saillant is dat Pelikandosyasi met informatie strooit die alleen maar uit het presidentieel paleis afkomstig kan zijn. Voor insiders in Ankara is het volkomen helder: deze blog zou nooit zonder expliciete toestemming van Erdogan het daglicht hebben gezien. Wanneer enkele dagen later bekend wordt dat Davutoglu een ontmoeting met de president zal hebben, is duidelijk dat zijn laatste uur geslagen heeft. Er kwam nog net geen zijden wurgkoord aan te pas, merkte iemand op, zoals bij in ongenade geraakte viziers tijdens de Ottomaanse tijd. Na de ontmoeting met Erdogan kondigt Davutoglu een congres aan van zijn partij, de conservatief-islamitische akp. Hij haast zich erbij te zeggen dat hij daar geen kandidaat zal zijn. Hij oogt groggy, en bekent dat zijn terugtreden niet zijn eigen keuze is geweest. Hij spreekt van een ‘noodzaak’.

Al snel treedt een opvolger uit de schaduw: Benali Yildirim, vertrouweling van Erdogan en mede-oprichter van de akp. Als minister van Transport en Communicatie was hij verantwoordelijk voor vrijwel alle grote infrastructurele projecten die het ‘Nieuwe Turkije’ gestalte geven, zoals de hogesnelheidslijn van Istanbul naar Ankara en de derde brug over de Bosporus, die binnenkort wordt opgeleverd. Ook was het Yildirim die tijdens de Gezi-protesten van 2013 Facebook en Twitter blokkeerde. Tijdens zijn eerste toespraak als partijleider zegt hij de invoering van een presidentieel systeem als hoogste prioriteit te zien. Het is niet direct duidelijk of het een verschrijving is, maar Yeni Safak, een pro-Erdogan-krant van het eerste uur, omschrijft Yildirim als ‘de laatste Turkse premier’.

In de week dat Davutoglu’s politieke lot werd bezegeld begaf ik me naar de veerbootterminal van Karaköy, in het Europese deel van Istanbul. Een paar weken eerder waren negen mensen omgekomen bij een zelfmoordaanslag in een drukke winkelstraat even verderop en bij het betreden van de veerboot werd op explosieven gecontroleerd. Het was vroeg in de ochtend. Mistflarden hingen boven de Zee van Marmara en de opeengepakte forenzen staarden zwijgend in het niets. Ik was onderweg naar de rechtbank, ver weg in de wijk Kartal, ter hoogte van de Prinseneilanden. Daar zou om tien uur de academicus en publicist Murat Belge terechtstaan wegens ‘belediging van het Turkse staatshoofd’.

Een paar dagen eerder had Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk op televisie laten weten dat hij de 73-jarige Belge (spreek uit: Bel-gèh) bij zijn proces zou komen steunen. Pamuk noemde hem ‘mijn oudste vriend’ en ‘de man van wie ik alles heb geleerd’. Vanaf de achtersteven van de veerboot sla ik de flatgebouwen gade die de wijk Cihangir omzomen, speurend naar dat ene raam van waaruit Pamuk de stad al vanaf zijn prille jeugd beziet. In Istanbul: Herinneringen en de stad beschrijft de nu 65-jarige Pamuk hoe hij als doodsbang jongetje tijdens de Koude Oorlog eens een gigantisch Russisch fregat door de Bosporus zag stomen. Vorig najaar waren zulke oorlogsbodems er plotseling opnieuw, nu met wapentuig onderweg naar Syrië.

Het gerechtsgebouw blijkt een gigantische rechtsfabriek, waarin in tientallen, zoniet honderden zaaltjes zaken worden afgehamerd. Na een kwartier dwalen stuit ik op Pamuk, die zwijgend op een bankje zit te wachten. Hij draagt een stemmig zwart pak op een wit overhemd. Naast hem zit een ineengedoken man gekleed in een bruin ribfluwelen jasje en met een baard die geel is van de nicotine: Belge. Daarnaast, met een vriendin, zit Belge’s echtgenote, een actrice en voormalig fotomodel. Er hangt een bodyguardachtig type rond, Belge’s uitgever is er en in de gang draalt een handvol Turkse journalisten.

‘Ah, de internationale pers!’ roept Pamuk. ‘Heel goed!’ Hij gebaart me in de richting van Belge alsof hij wil zeggen: het gaat nu niet om mij, hém moet je hebben.

Waar bestaat die belediging eigenlijk precies uit, vraag ik Belge.

‘Ik ben een nieuwkomer in deze club met een groeiend aantal leden’, zegt hij, terwijl hij de vragensteller rustig opneemt. ‘Mijn persoonlijke mening is dat iemand die meer dan tweeduizend zaken begint wegens belediging wellicht tien minuten zou moeten nadenken over de vraag waarom hij steeds beledigd wordt’, zegt Belge. ‘Maar Recep Tayyip Erdogan vraagt zich dergelijke zaken niet af.’

In Nederland kregen de aanklachten tegen Ebru Umar en de Duitse komiek Jan Böhmermann veel publiciteit. Minder bekend is dat in Turkije de afgelopen twee jaar talloze mensen terechtstonden omdat zij Erdogan beledigd zouden hebben. Zo was er de zestienjarige jongen die hem een ‘dief’ noemde en een jaar de gevangenis in moest. Een voormalige Miss Turkije werd tot veertien maanden voorwaardelijk veroordeeld omdat ze op Instagram een gedicht had gedeeld waarin werd verwezen naar een groot corruptieschandaal uit 2013. Daarbij was een aantal ministers en mogelijk ook Erdogan zelf betrokken. Vorige week werd een man uit de ouderlijke macht gezet en tot een jaar cel veroordeeld omdat hij Erdogan op Facebook met Gollum uit Lord of the Rings had vergeleken.

‘Iemand die twee­duizend rechtszaken begint wegens belediging moet bedenken waarom hij beledigd wordt’

‘Ik lees Murat Belge al meer dan veertig jaar’, valt Pamuk in. ‘Veertig jaar, en nog nooit een lelijk woord! Hij is de meest eloquente schrijver van Turkije! Ach, dit is de zoveelste poging om de vrijheid van meningsuiting te beknotten…’

Belge is afkomstig uit de oude kemalistische elite van Turkije. Zijn vader, een politicus en journalist, was de eerste echtgenoot van de Amerikaans-Hongaarse actrice en socialite Zsa Zsa Gabor. Zelf studeerde hij Engels en vertaalde werken van Joyce en D.H. Lawrence. Hij promoveerde, maar werd na de staatsgreep van 1971 van de universiteit verbannen. Nadien stortte hij zich in de uitgeverswereld. Hier leerde hij Pamuk kennen. Later schreef hij voor kranten als het onlangs opgeheven Radikal en voor Taraf, dat de politieke bemoeienissen van het leger aan de kaak stelt.

Belge staat niet terecht vanwege een scheldwoord, maar vanwege een korte tekst die hij vlak na de parlementsverkiezingen van 1 november 2015 publiceerde. Hierin stelde hij Erdogan verantwoordelijk voor het giftige politieke klimaat van polarisatie en verdachtmaking. Een klimaat waarin, in de woorden van Belge, ‘democratische rechten met voeten zijn getreden’.

‘Geen sentimentele situatieschets of zo’, benadrukt Pamuk, ‘maar een o-b-j-e-c-t-i-e-v-e vaststelling van de feiten.’ Verontwaardigd: ‘Het is je reinste intimidatie. Je wordt aangeklaagd, moet voorkomen, je vrienden maken zich zorgen, de mensen hebben het erover, je gaat piekeren en slaapt er slecht van…’

Medium angst 20 1 20of 2012

Pamuk werd in 2005 zelf voor het gerecht gedaagd na opmerkingen over aantallen gedode Koerden en Armenen. Hij werd slachtoffer van een haatcampagne en ontvluchtte voor enige tijd het land. In een verklaring stelde hij dat hij de vrijheid van meningsuiting in Turkije aan de kaak had willen stellen. Volgens artikel 301 van het Wetboek van Strafrecht kan degene die ‘de republiek Turkije’ beledigt tot drie jaar cel tegemoet zien. Uiteindelijk werd Pamuk veroordeeld tot het betalen van zesduizend lira (circa tweeduizend euro) aan smartengeld. De zaak zorgde destijds wereldwijd voor ophef.

Volgens Pamuk is de sfeer in Turkije nu harder. ‘Er hangt een repressieve sfeer en die wordt erger, zaak na zaak na zaak. Het klopt dat er in de grondwet staat dat je de president niet mag beledigen, maar er staat óók in dat de president afstand moet houden van de dagelijkse politiek, dat hij onafhankelijk moet zijn, dat hij zich moet inspannen voor harmonie tussen de verschillende partijen en instituties. En wat zien we sinds Erdogan in 2014 president werd? Dat hij overal zijn neus in steekt en het politieke systeem onder hoogspanning zet.’

Dan zwiept de deur van de rechtszaal open en ontstaat enige deining. Pamuk en Belge staan op, de rest volgt hen de zaal in. Belge neemt voorin plaats in de beklaagdenbank, een vaal houten bankje waar plaats is voor drie. Pamuk, de twee vrouwen en de uitgever nemen daarachter plaats, achter een soort houten schot. Tijdens de zitting zal Belge’s advocaat betogen dat de aanklacht ongrondwettelijk is, omdat zijn cliënt niet voor een tekst mag worden aangeklaagd. Belge heeft zijn handen onder zijn dijen gestoken en wipt ongedurig heen en neer. Zo nu en dan kijkt hij achterom en wisselt een lastig te peilen blik met Pamuk.

Ironisch is dat Belge behoorde tot een kleine groep liberale intellectuelen die Erdogan en zijn akp in de beginjaren juist steunden. ‘Tot, zeg 2007, 2008 was de akp een partij die zich vredelievend opstelde ten opzichte van de Koerdische beweging’, zal Belge daar na afloop over zeggen. ‘Ze ijverde voor inperking van de macht van het leger en leek democratischer dan de gevestigde oppositie, toen én nu. Maar toen moest er een referendum over de grondwet komen, kwamen de Gezi-protesten en veranderde Erdogan totaal van beleid. Nu draait hij zelfs zijn eigen hervormingen terug.’

De rechter verdaagt de zitting tot september, maar Belge noch Pamuk vertrouwt op een gunstige afloop. ‘Ik heb geen enkel vertrouwen meer in het juridische systeem in Turkije’, zegt Belge. Hij wijst op een recente serie wetswijzigingen die het initiatief volgens hem op niet eerder vertoonde wijze bij de politiek leggen en de scheiding der machten op losse schroeven hebben gezet. ‘Ook uit wat Erdogan in toespraken zegt kun je opmaken dat hij aan die scheiding niet langer belang hecht.’

Zo leverde Erdogan commentaar op een uitspraak van het Turkse hooggerechtshof in de zaak tegen Erdem Gül en Can Dündar, respectievelijk de redactiechef in Ankara en de hoofdredacteur van de oppositionele krant Cumhuriyet. Begin dit jaar werd levenslang tegen de twee geëist nadat zij foto’s van geheime wapentransporten naar Syrië hadden afgedrukt. Het hof bepaalde dat ze het vonnis buiten de gevangenis mochten afwachten. Erdogan reageerde getergd en zei dat hij die uitspraak niet accepteerde en ook niet zou respecteren.

Sinds een jaar lijkt de Turkse politiek op een woest gokspel, waarbij om de paar weken de inzet wordt verdubbeld

Hoe deze verwording te verklaren? ‘Zo’n vraag beantwoorden zou drie dagen duren’, zegt Belge, ‘maar het is waar dat we uit een boerensamenleving stammen en een lange autoritaire traditie hebben. We hadden het Ottomaanse Rijk, de Kemalistische Revolutie, allemaal opgelegd van bovenaf, en centralistisch. En ja, het Turkse volk is afgestompt geraakt, eerst door die militaire regimes van de voorbije decennia, en de afgelopen tien jaar door de economische voorspoed die de akp hun bracht. Er werden goede wegen aangelegd, betaalbare woningen gebouwd, mensen kochten een wasmachine, kregen gratis zorg. Geven we in Turkije eigenlijk nog wel genoeg om de vrije meningsuiting? vraag ik me soms af.’ Hij pauzeert en kijkt over de parkeerplaats.

‘Het verleden mag nooit een excuus zijn voor wat hier gebeurt’, breekt Pamuk in. Dan trekt hij Belge mee naar een grijze sedan die verderop staat te wachten. De bodyguard zit achter het stuur, de twee vrouwen zitten op de achterbank. Van Belge’s uitgever is geen spoor meer te bekennen. De twee mannen stappen in en momenten later draait de auto het drukke verkeer van Istanbul in.

Medium istanboel 20 12 20of 2012

Turkije was het afgelopen jaar doorlopend in het nieuws. Eerst met berichten over de opgelaaide strijd tegen de pkk in het zuidoosten, vervolgens dankzij de snel oplopende spanning elders in het land. Sinds een jaar lijkt de Turkse politiek op een woest gokspel, waarbij om de paar weken de inzet wordt verdubbeld. Quitte of dubbel, iedere keer opnieuw. Kritische media werden overgenomen of werd het functioneren onmogelijk gemaakt. De politieke oppositie dreigt door een juridische Blitzkrieg te worden verlamd. Dankzij de opgerekte antiterrorismewetgeving kan vrijwel iedere tegenspraak in de kiem worden gesmoord. Vorige week nog werden drie prominente mensenrechtenactivisten gearresteerd tijdens een solidariteitsactie voor een Turkse krant die onder vuur ligt wegens vermeende banden met de pkk. De sfeer van repressie waaraan Pamuk refereerde is reëel. Bij wijze van experiment voer ik een dag lang op een veerboot de Bosporus heen en weer. Aan zo’n 25 mensen vroeg ik of ze van tevoren nadachten als ze iets op sociale media deelden of becommentarieerden. Iedereen zei dat dit het geval was.

De afgelopen jaren verstevigde Erdogan zijn greep op het leger, de inlichtingendiensten, de juridische macht, de vakbonden en de universiteit. Hij transformeerde de akp tot een politieke machine waar zijn woord wet is. Dat bleek wel bij het partijcongres in mei, waar Yildirim als nieuwe leider op het schild werd gehesen. Uit hoofde van zijn functie mocht Erdogan niet lijfelijk bij het congres aanwezig zijn. Hij sprak de partij daarom via een gigantisch scherm toe. De hele zaal stond op en luisterde vol ontzag. De onderworpenheid was pijnlijk om aan te zien. Nu heeft Erdogan zijn zinnen gezet op een systeem dat hem formeel de macht zal geven die hij zich officieus reeds toe-eigende. Niets lijkt hem daarvan te kunnen weerhouden. Maar wat als de prijs de democratie zelf is?

‘Wat we in Turkije zien is een coup d’état in slow motion’, zegt Yavuz Baydar, een van Turkije’s meest prominente onderzoeksjournalisten. We zitten op de burelen van het Platform voor Onafhankelijke Journalistiek (P24), een website waar hij co-oprichter van is. Net als veel andere mensen die ik het afgelopen jaar sprak, vreest hij dat het land bezig is af te glijden richting een dictatuur. De drijvende kracht: Erdogan. Formeel is de rol van de Turkse president beperkt; de macht ligt bij het parlement. Maar met een ceremoniële rol neemt Erdogan al lang geen genoegen meer. De grondwet werd maximaal opgerekt opdat hij een zo politiek mogelijke rol kan spelen. Hij zit de ministerraad voor, houdt redevoering na redevoering en domineert via nagenoeg gelijkgeschakelde media het publieke debat.

Het lijkt erop dat Erdogan bezig is af te breken wat hij destijds zelf met veel moeite heeft opgebouwd. Weinigen hebben oog voor de ironie van die situatie. Want het is niet zozeer ‘de’ democratie of ‘de’ rechtsstaat’ die in Turkije in het geding is. Als er iets in het geding is, is dat Erdogans democratie en rechtsstaat. Het is waarom hij lange tijd zo populair was bij beleidsmakers in Europa. Erdogan drong de macht van het leger terug en ontmantelde de ‘diepe staat’ (derin devlet), het ondergrondse samenstel van politiek, maffia en veiligheidsdiensten. Ook verbeterde hij de situatie van de mensenrechten en loodste hij honderden wetten door het parlement die ten doel hadden de scheiding der machten te verstevigen.

Waarom dat nu allemaal kapotmaken? Turkije-duiders staan voor een raadsel. Sommigen stellen dat hij het Westen zand in de ogen strooide met al zijn democratische hervormingen. Had hij immers niet ooit zelf gezegd – de Egyptische Moslimbroederschap indachtig – dat je een democratie moest zien als een trein waar je op sprong en weer af stapte zodra het doel bereikt was? Hij zou, als de islamist die hij tenslotte was, uit zijn op niet minder dan het omverwerpen van de seculiere rechtsorde, zoals ooit ingesteld door Mustafa Kemal Atatürk.

Anderen wijzen op het lange autoritaire verleden van Turkije. Ook de modernisering van Atatürk werd immers van bovenaf opgelegd. Later kwam er een meerpartijenstelsel, maar steeds bleef het leger de hoeder van de seculier-nationalistische orde en schroomde het niet zijn tanden te laten zien. De Turkse romanschrijfster Elif Shafak sprak onlangs van een ‘ideologie van eenvormigheid’, vormgegeven door nationalisme, islamisme en autoritarisme, vermengd met machismo en patriarchaat. Beschuldigend wijzen naar de tiran in zijn paleis krijgt daarmee iets gemakzuchtigs. Erdogan is autoritair, daarover bestaat geen twijfel. Maar komt hij niet ook tegemoet aan in de Turkse samenleving levende verlangens? Een confronterende vraag die zijn tegenstanders liever niet stellen.

Terug naar 7 juni 2015. Tijdens de verkiezingen verliest de akp die dag haar meerderheid in het Turkse parlement. Tegelijk slecht de progressieve Democratische Partij van de Volkeren (hdp), voortgekomen uit de Koerdische beweging, voor het eerst de kiesdrempel. Een dubbele nederlaag voor president Erdogan. Plichtmatig wordt er een serie coalitiebesprekingen afgewerkt, maar eigenlijk is vanaf het begin al duidelijk dat die gedoemd zijn te mislukken. Indien er binnen anderhalve maand geen regering is gevormd, zal Erdogan nieuwe verkiezingen uitschrijven.

Twee dagen voor die termijn verstrijkt, vindt in het Turkse grensstadje Suruc een gruwelijke moordpartij plaats. Bij een bomaanslag van Islamitische Staat komen in een Koerdisch cultureel centrum tientallen jongeren om het leven. De dagen erop zijn er schermutselingen op de Turks-Syrische grens tussen het leger en strijders van IS. Ook worden er drie soldaten vermoord door de pkk. Dat is opmerkelijk, want niet eens zo lang geleden leek een vredesakkoord met de Koerdische verzetsbeweging binnen handbereik. Maar de burgeroorlog in Syrië schiep een nieuwe werkelijkheid. Zeker toen een aan de pkk gelieerde beweging pal op de grens met Turkije een autonome zone creëerde. Het was een ontwikkeling die het Koerdische zelfbewustzijn sterkte in dezelfde mate als ze Ankara zorgen baarde. Toen het Syrisch-Koerdische stadje Kobane door Islamitische Staat onder de voet dreigde te worden gelopen, weigerde het Turkse leger de helpende hand te bieden. Binnen de Koerdische beweging voedde dat de verdenking dat Ankara met IS in Syrië onder één hoedje speelde tegen de Koerden. Vanaf dat moment was het wachten op een nieuwe escalatie.

Erdogan mikt erop dat de kiezer in een klimaat van polarisatie, angst en dreiging een sterke man wil: Erdogan

Op 22 juli begint Ankara een luchtoffensief, officieel gericht tegen IS, maar in de praktijk tegen de pkk. Turkse bommenwerpers voeren honderden missies uit in het Qandil-gebergte, op de grens met Irak, waar de pkk-trainingskampen zich bevinden. Gelijktijdig wordt ook een datum voor nieuwe verkiezingen geprikt: 1 november. Een welbewuste keuze, zo stellen analisten, want Erdogan mikt erop dat de zwevende kiezer in een klimaat van polarisatie, angst en dreiging de voorkeur geeft aan een sterke man: hemzelf. Wat volgt is een van de hardste en gewelddadigste campagnes van de afgelopen jaren. Twee oppositionele televisiezenders, Kanaltürk en Bugün TV, gaan midden in een uitzending op zwart. Bij meer dan honderd partijkantoren van de hdp vinden brandstichtingen plaats, soms terwijl de politie toekijkt.

Ondertussen blijft Erdogan olie op het vuur gooien. Overal ontwaart hij duistere krachten die de eenheid en stabiliteit van Turkije ondermijnen. De ‘terroristische’ Gülen-beweging met name. Deze religieuze orde, opgericht door de in de Verenigde Staten woonachtige prediker Fethullah Gülen, trok ooit samen met de akp op tegen de macht van militairen. De twee kregen ruzie en sindsdien beschuldigt Erdogan de beweging ervan een ‘parallelle staat’ te runnen. Zie je wel, zegt Erdogan daags nadat een grote aanslag in Ankara op 10 oktober de levens van meer dan honderd vredesactivisten heeft geëist. Dat kan niet anders dan het werk zijn van gülenisten, die gemene zaak hebben gemaakt met de pkk én Islamitische Staat. Hoe onwaarachtig ook, Erdogan houdt vast aan de hypothese van een groot en sinister complot tegen Turkije.

Een week voor de verkiezingen spreek ik de politicoloog Ahmet Insel, auteur van een boek over de jaren-Erdogan en verbonden aan de Galatasaray Universiteit in Istanbul. We zitten in een koffiehuis nabij het Taksimplein. Het geblèr van de luidspeakers op de campagnebussen die de stad doorkruisen is tot op de binnenplaats te horen. Hij citeert opinieonderzoek van het Pew Research Centre, waaruit blijkt dat het vertrouwen tussen Turken onderling notoir laag is. ‘Soennitische moslims zien de alevieten als een gevaar en andersom. Idem voor Turken en Koerden. In de ogen van de niet-moslims en de seculieren zijn de moslims een gevaar. Maar omgekeerd geldt dat ook en de laatste jaren beschouwen zelfs de militairen zichzelf als slachtoffers van een complot.’

In dat licht moet volgens Insel Erdogans tactiek van polarisatie en angstzaaierij worden gezien: ‘De Turkse Republiek is gebaseerd op een mythe van eenheid en ondeelbaarheid, maar de realiteit is er een van diversiteit en rivaliteit en dus van krachten die de ondeelbaarheid van het sociale lichaam betwisten en bedreigen. Dat vraagt om een leider die de meerderheid beschermt tegen de ondermijnende kracht van de minderheden, een beetje als een patriarch die zijn ruziënde kroost met harde hand corrigeert.’ Autoriteit, met andere woorden, is in Turkije niet zozeer opgelegd, maar komt tegemoet aan de roep erom vanuit de samenleving zelf, omdat daar steeds de vrees voor de ander is.

Ook wijst Insel op de Kulturkampf, de verkapte burgeroorlog die in Turkije gaande is tussen modernisten en traditionalisten. ‘De sympathisanten van de AK-partij beschouwen de partij als vertegenwoordiger van het conservatief-islamitische kamp. Bij hen overheerst de vrees dat zodra men even niet oplet het seculiere kamp zijn kans zal grijpen en de verloren macht zal teruggrijpen. Ze zien geen alternatief voor Erdogan en daarom zijn ze bereid hem veel te vergeven.’

Medium angst 20 8 20of 2012

Op 1 november wint de akp haar absolute meerderheid in het parlement terug. Ze blijkt de ultranationalistische mhp te hebben leeggetrokken. Weer bewijst Erdogan dat hij als geen ander de vinger aan de pols van de samenleving heeft.

Op 11 januari dit jaar zet Esra Mungan haar handtekening onder een petitie tegen het ‘aanhoudend staatsgeweld’ in het zuidoosten. 1128 Turkse academici verspreid over 89 universiteiten doen mee. Ook zijn er honderden ondertekenaars vanuit het buitenland. ‘Wij zullen geen onderdeel zijn van deze misdaad’, kopt de bijgeleverde verklaring. De toon is fel, alhoewel niet feller dan petities die Mungan eerder ondertekende. Ze heeft dan ook geen flauw idee van de vuurstorm die haar en de anderen te wachten staat.

De strijd tussen het Turkse leger en de pkk was in de voorbije maanden geenszins geluwd. Sterker: ze had zich inmiddels naar de steden uitgebreid. In Cizre, Nusaybin en Diyarbakir, plaatsen waar veel Koerden wonen, heeft een aan de pkk gelieerde jongerenbeweging de wapens opgenomen. Maar het leger kent geen genade. Hele wijken worden in puin geschoten. Tekenend is de vernietiging van de wijk Sur, deel van de historische binnenstad van Diyarbakir, de zwarte parel van Zuidoost-Turkije. Honderden onschuldige burgers komen om en inmiddels zijn er ruim driehonderdduizend op de vlucht.

De petitie veroordeelt het geweld van de Turkse staat tegen de Koerdische bevolking en spreekt van een ‘vooropgezette slachtpartij’. Van de pkk wordt geen melding gemaakt, terwijl die toch ook bloed aan zijn handen heeft. In het nationalistische en gepolariseerde Turkije is dat vragen om problemen. ‘Al direct regende het woedende reacties en bedreigingen’, zegt Mungan als ik haar spreek in een koffietentje vlak bij haar huis in Cihangir. Ze vertelt dat op de deuren van werkkamers van ondertekenaars op een universiteit in de provincie rode kruisen werden geschilderd en dat een prominente maffiabaas liet weten dat hij zich verheugde op een douche in het bloed van de academici die het gewaagd hadden de eer van Turkije te besmeuren.

Mungan doceert cognitieve psychologie aan de Bogazici Universiteit in Istanbul, een van de meest prestigieuze universiteiten van Turkije. Ze publiceerde over muziekherkenning en leidt het Erasmus-programma. Ze is in de veertig, heeft kort grijs haar, maar oogt minstens tien jaar jonger dan ze is. Ze gesticuleert driftig, praat snel en lacht veel. Van het veelgehoorde verwijt van ‘eenzijdigheid’ van de petitie wil ze niets horen. ‘Wat heb ik te maken met een illegale organisatie als de pkk?’ zegt ze. ‘Ik ben een Turkse burger. Als de Turkse staat misdaden begaat, doet ze dat ook uit mijn naam. Daarom spreken wij de Turkse staat aan, niet de pkk.’

‘De Turkse Republiek is gebaseerd op een mythe van eenheid, maar de realiteit is er een van diversiteit’

Ook Erdogan laat zich niet onbetuigd. De president spreekt van ‘nep-academici’ en bestempelt de ondertekenaars als ‘verraders’. Dat het menens is, blijkt wanneer de groep academici wordt aangeklaagd wegens ‘propaganda voor een terroristische organisatie’. Veel universiteitsbesturen wachten de processen niet af. Zeker dertig academici worden ontslagen, van een twintigtal anderen wordt het arbeidscontract niet verlengd en ook worden er gevallen gemeld van in het buitenland verblijvende academici van wie de onderzoeksbeurs plotseling wordt ingetrokken. Sommige ondertekenaars trekken geïntimideerd hun handtekening terug. Vanuit de Europese kanselarijen blijft het opvallend stil. Het is de tijd dat de EU en Turkije gezamenlijk werken aan een vluchtelingendeal. Mensenrechten staan even op een tweede plan, zoals diplomaten aanvankelijk besmuikt en later openlijk toegeven.

Het verzet versaagt niet. Op 10 maart beleggen vier academici, onder wie Mungan, namens de overige ondertekenaars een persconferentie. Ze maken de balans van de voorbije twee maanden op, geven cijfers van het aantal mensen wier contract niet is verlengd, en van gevallen van intimidatie en bedreiging. Ook maken ze bekend dat het totaal aantal handtekeningen is gestegen, en niet is gedaald zoals regeringsgezinde media hebben gemeld. De dag erop vliegt Mungan naar Dyarbakir voor een solidariteitsactie voor plaatselijke academici. Wanneer ze terug is in Istanbul krijgt ze van collega’s te horen dat de politie naar haar en de drie overige academici van de persconferentie op zoek is. Ze geeft zich aan en wordt linea recta naar de gevangenis getransporteerd.

Verhoudingsgewijs zijn veel ondertekenaars afkomstig van Bogaziçi. De universiteit beschouwt zichzelf als ‘liberaal’, in Turkije een betrekkelijk marginale positie. Concreet betekent dat dat moslima’s onder het strikt seculiere bewind van de kemalisten op de campus geen hoofddoek mochten dragen (onder Erdogan werd dat legaal). En nu de akp aan de macht is wordt er bij cocktails gewoon een glas wijn geschonken, terwijl Erdogan dat heeft verboden. De zuidelijke campus is opgetrokken uit neoclassicistische gebouwen rondom een strak gemaaid gazon. Het omringende park biedt betoverende doorkijkjes op de Bosporus. Er is veel sympathie voor de Koerdische beweging en de studentencafetaria beschikt over een genderneutraal toilet.

Dat alles maakt Bogaziçi een gemakkelijk doelwit voor Erdogan, die regelmatig tekeergaat tegen de ‘decadente whiskydrinkers in hun huizen langs de Bosporus’. Maar daar blijft het doorgaans bij, want vanwege haar excellentie mag de universiteit zich in een onaantastbare positie wanen. ‘Erdogan weet dat het op Bogaziçi geen zin heeft om zijn wil door te drukken’, zegt sociologe en studentendecaan Biray Kolluoglu in haar in mahoniehout uitgevoerde kantoortje. Ze draagt elegante pumps bij een lichtbeige mantelpakje. Een medewerker brengt jasmijnthee.

Daags na de gevangenneming van Mungan en twee andere academici (de vierde was in Parijs op dat moment, ze meldde zich later alsnog) staat er een docentenvergadering gepland op Bogaziçi. Kolluoglu, die zelf ook de petitie tekende, vertelt dat er normaal gesproken niet meer dan 70 van de 350 zittende docenten bij zo’n vergadering aanwezig zijn. Nu zijn dat er 450, omdat ook alle nog levende rectoren en veel emeriti aanwezig zijn. Ze stellen een gezamenlijke verklaring op en nemen het besluit om vanaf dat moment iedere dag met een proteststand voor het gevangenisgebouw te gaan staan, net zo lang tot de vier zijn vrijgelaten.

Aanvankelijk verblijft Mungan in een cel op een afdeling voor tot levenslang veroordeelden. Na protest van haar advocaat komt ze op een afdeling met een milder regime terecht, waar ze een cel deelt met een eveneens gearresteerde advocate. Weer later gaat ze naar een open afdeling met een eigen cel met douche en toilet.

Uiteindelijk zou Mungan veertig dagen in de gevangenis verblijven. Opmerkelijk genoeg deed het haar goed. ‘Ik werd correct behandeld’, zegt ze. ‘Er was geen telefoon, geen internet, ik kwam helemaal tot rust.’ Ze las twee romans van de Frans-Libanese schrijver Amin Maalouf, een luxe die ze zich lang niet had kunnen permitteren. ‘Dankzij Erdogan kunnen we straks weer fit en uitgerust de strijd aan’, grapt ze. ‘Maar de onzekerheid vrat natuurlijk enorm. We hadden geen flauw idee wat ons te wachten stond, en in feite hebben we dat nog steeds niet.’

In aanloop naar de rechtszaak heeft de rector een ontmoeting met Davutoglu. De premier is een alumnus van Bogaziçi (zijn jongste dochter studeert bij Mungan). Kolluoglu is ervan overtuigd dat dit onderhoud heeft bijgedragen aan de spanning tussen de premier en Erdogan (de Pelikandosyasi schrijft dat Davutoglu zich tegen de gevangenneming van academici en journalisten verzette, al weer een bewijs van diens ‘verraad’). De rechtszaak zelf verloopt chaotisch. De zaal zit bomvol, en rechters, aanklagers en advocaten zijn doorlopend aan de telefoon. De zitting neemt een onverwachte wending wanneer blijkt dat de vier niet worden vervolgd op basis van de antiterrorismewet, maar wegens ‘belediging van de Turkse Republiek’ – hetzelfde artikel waarvoor destijds ook Pamuk was vervolgd.

Mungan en de andere drie mogen hun proces buiten de gevangenis afwachten. Ze is vrijwel direct weer fulltime aan het werk gegaan. En het wachten? De mogelijkheid van een veroordeling? ‘Het hoort erbij’, zegt ze. ‘Wie zich engageert moet ook bereid zijn daar de prijs voor te betalen.’

Kolluoglu heeft geen idee hoe het nu verder gaat met de aanklacht. ‘Je zou denken dat Erdogan de aanklagers aanstuurt’, zegt ze. ‘Maar we weten het niet. Ook in een democratie heb je druk op de buizen waardoor de macht vloeit, maar het stelsel blijft voor het oog steeds zichtbaar. In Turkije zie je alleen waar de macht ontspringt en hoe die zich uit. En daarbij, we kennen het ultieme doel van de macht niet eens. Wat weten wij nu helemaal over wat Erdogan nastreeft? Wil hij een liberaler Turkije, of juist meer islamitisch? Gaat het hem om de macht als zodanig? We weten het eenvoudigweg niet.’

Anitkabir, het mausoleum van Mustafa Kemal Atatürk, ligt op een afgevlakte heuvel in het hart van Ankara. Het is een faraonisch complex met lange zuilengalerijen die leiden naar een kubusachtig gebouw van zandsteen. De bouw begon in 1944 en zou negen jaar in beslag nemen. Uit heel Turkije werden marmersoorten aangevoerd. De toegangsweg wordt geflankeerd door een rij zittende leeuwen, die de oorspronkelijke Turkse stammen van Anatolië voorstellen. De tegels zijn oneven en dusdanig ver uiteen gelegd dat de bezoeker goed moet uitkijken waar hij zijn voeten zet. Dat is bewust gedaan. Op die manier buigt men nederig zijn hoofd voor de stichter van Turkije. Het is een manier van respect afdwingen die in hoge ambtelijke kringen opnieuw gangbaar is. Een westerse diplomaat vertelde dat ambtenaren in Ankara soms documenten schuin voor zich uit houden, zodat je naar voren moet buigen om ze te kunnen inzien.

‘Zo gaat het steeds: Erdogan uit een dreigement en er staan altijd wel bewonderaars klaar om het uit te voeren’

Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog werd duidelijk dat het Ottomaanse Rijk er deze keer niet met een paar schrammen zou afkomen. Grote delen waren veroverd, en in het geheim hadden Frankrijk, Engeland en Rusland plannen gesmeed voor de opdeling van het rijk. Mustafa Kemal wist na de oorlog via behendige diplomatie bij de Europese grootmachten af te dwingen dat het verdrag van Sèvres werd opengebroken. Hierin was Turkije niet meer dan een rompje te midden van Grieken, Koerden en Armenen. Hij sloeg de Armenen terug, verjoeg de Grieken uit Izmir en stelde zo het Anatolische plateau voor de Turken veilig.

Na het uitroepen van de republiek in 1923 startte Kemal een moderniseringsproject dat zijn gelijke slechts kende in de bolsjewistische revolutie van een paar jaar eerder. Het sultanaat had hij al ontbonden, nu volgden het kalifaat en de religieuze ordes. De fez werd ingeruild voor de hoed. Er kwam een Latijns alfabet en een strikte scheiding tussen staat en godsdienst. Het ‘kemalisme’, sterk leunend op het negentiende-eeuwse positivisme, kreeg zijn beslag in zes ‘pijlen’: nationalisme, republicanisme, populisme, étatisme, laïciteit en revolutie.

Het kemalisme mocht dan populistisch zijn, het bleef altijd de ideologie van een elite. Een grote groep Turken herkende zich er niet in. Zij voelden zich, in de woorden van de islamistische dichter Necip Fazil Kisakürek, ‘vreemden in eigen land’. De akp bood uitkomst. Op de lange termijn beloofde de partij een ideologische herfundering, op korte termijn een correctie. Het godsdienstonderwijs op de scholen werd opgeschroefd, er werd een leger van imams met ambtenarenstatus opgeleid. Economische liberalisering ging gepaard met opzichtig hengelen in het Ottomaanse verleden. Er kwam een paleis een sultan waardig, inclusief een wacht die de voormalige Turkse rijken moest verbeelden. Grote infrastructurele werken kregen namen van Ottomaanse heersers en er gaan zelfs stemmen op om het Ottomaans verplicht op school te onderwijzen.

De economische bloei leek grootse regionale en zelfs mondiale ambities te rechtvaardigen. Turkije zou bij de top-twintig gaan behoren en een leidende rol in de regio innemen. Van die droom is nog maar weinig terechtgekomen. De economie hapert en tot Ankara het deze week onverwacht bijgelegde met Israël en Rusland had Turkije met ongeveer alle landen in de regio ruzie. Ten opzichte van Europa gedraagt het zich als een afgewezen minnaar. Een paar weken terug nog kondigde Erdogan met aplomb aan dat hij Europa ‘met al zijn problemen’ met rust zou laten en met Turkije een ‘eigen weg’ zou inslaan. Welke dat zou zijn werd niet duidelijk.

Ondertussen stagneert de transitie naar een volwaardige en verankerde democratie. Want gelijktijdig met de vervolging van academici en intellectuelen wordt ook de druk op journalisten opgevoerd. Veel ophef veroorzaakt de overname van Zaman, met een oplage van 650.000 de grootste krant van Turkije. Op 4 maart valt de politie met veel machtsvertoon de redactie binnen en blokkeert de toegang voor het personeel. Twee dagen later valt het doek voor het nieuwsagentschap Cihan, behorend tot hetzelfde concern als Zaman. Diezelfde week maakt onderzoeksjournalist Yavuz Baydar de balans op van de Turkse journalistiek. Zijn conclusie is somber: ‘Na zwaar mishandeld te zijn door de regerende akp en haar leider ligt de professie op haar doodsbed.’

Persvrijheid is altijd al een probleem geweest in Turkije, maar nu zitten er wel heel veel journalisten in de gevangenis. Vooral Koerdische media lopen risico, evenals publicaties gelieerd aan de Gülen-beweging. Op de World Press Freedom Index van Reporters sans Frontières zakte Turkije dit jaar naar een beschamende 151ste plek, achter landen als Algerije en Rusland.

Medium istanboel 20 6 20of 2012

Baydar schat dat er sinds de Gezi-protesten tussen de twee- à drieduizend journalisten hun baan verloren. Overheidscensuur of gevangenneming is niet langer het primaire probleem van de media, zegt hij. ‘Dat is wie de eigenaar is.’ Voor de Kennedy School of Government van de Harvard Universiteit schreef hij een lange paper over corruptie en zelfcensuur in de Turkse media. Hierin veronderstelt hij dat negentig procent van de media in handen is van ondernemers die dicht bij Erdogan staan. ‘Die geven leiding aan concerns waar het echte geld verdiend wordt in de bouw, de telecommunicatie of het toerisme. Ze zijn als junkies afhankelijk van overheidscontracten. Journalisten die niet de voorgeschreven lijn volgen worden de deur uit gewerkt.’ Baydar zegt dat de rol van kranten sowieso beperkter is geworden. ‘Mensen kijken televisie, en in dat domein is de overheidscontrole vrijwel totaal.’

Dat maakt de campagne die Erdogan voert tegen de oppositionele krant Cumhuriyet, die een oplage heeft van vijftigduizend, ook zo opmerkelijk. Het lijfblad van de seculiere elite kwam begin 2015 met fotomateriaal waaruit bleek dat de Turkse geheime diensten zware wapens over de grens met Syrië transporteerden. De foto’s waren gemaakt bij een grensovergang naar gebied waar jihadistische milities zaten. De regering ontkende: de wapens zouden voor Turkmeense rebellen bedoeld zijn. Erdogan reageerde als door een wesp gestoken. De verantwoordelijke journalisten zouden ‘hun straf niet ontlopen’, zei hij. Verantwoordelijk was bovenal hoofdredacteur Can Dündar. Samen met een collega werd hij aangeklaagd wegens spionage en lekken van staatsgeheimen en hij hoorde levenslang tegen zich eisen.

Op 6 maart dit jaar werd Dündar tot vijf jaar en tien maanden veroordeeld. Hij tekende beroep aan, maar toen hij eenmaal buiten de rechtbank was, drong zich een man met een pistool naar voren. Hij legde aan, riep ‘verrader’ en opende het vuur. Op beelden is te zien hoe Dündars vrouw in een reflex de arm van de schutter wegtrekt. De man werd overmeesterd, iedereen bleef ongedeerd, maar het scheelde een haar.

‘Zo gaat het voortdurend’, zegt Dündar wanneer ik hem opzoek op de zwaar beveiligde redactie in de wijk Sisli in Istanbul. ‘Erdogan uit een dreigement en er staan altijd wel bewonderaars klaar om het uit te voeren.’ Dündar draagt een spijkerbroek en witte tennisschoenen. Hij oogt even ontspannen en goedlachs als altijd. Eerder werkte hij als columnist voor de krant Milliyet, maar daar werd hij in 2013 ontslagen omdat hij ‘te scherp’ schreef over het neerslaan van de Gezi-protesten. Dündars opgewekte humeur staat in schril contrast met de ernst waarmee hij de situatie in Turkije analyseert.

Waarom wordt Erdogan weggezet als een ‘dictator’, terwijl hij het vaak over menselijke waarden heeft?

Eerder op de ochtend heeft het parlement in Ankara ingestemd met de opheffing van de parlementaire immuniteit. Tegen 54 van de 59 afgevaardigden van de hdp lopen strafzaken, de meeste op basis van omstreden terrorismewetgeving. Ook veel afgevaardigden van de sociaal-democratische chp lopen kans te worden vervolgd. De vrees is dat Erdogan de parlementaire oppositie met een spervuur van rechtszaken zal proberen te verlammen. ‘Wat moet de Koerdische beweging zonder vertegenwoordiging in het parlement?’ zegt Dündar. ‘Dat is een recept voor chaos.’ Hij knikt naar het televisiescherm aan de muur van zijn kantoor, waar Erdogan een groep ondernemers toespreekt.

Steeds als de president tijdens het interview ter sprake komt gebaart Dündar naar het scherm, alsof hij met hem in gesprek is. Het symboliseert het duel op afstand dat de twee al jaren voeren. Waar schrijvers en intellectuelen als Orhan Pamuk en Murat Belge de akp aanvankelijk nog het voordeel van de twijfel gaven, was Dündar altijd al wantrouwig. Later maakte hij een documentaire over het beruchte corruptieschandaal dat in 2013 uitbrak. ‘Dat vergaf Erdogan me niet’, zegt hij. ‘Sindsdien aast hij op wraak.’ Anders kan hij niet verklaren waarom Erdogan een naar Turkse begrippen piepkleine krant als Cumhuriyet niet gewoon negeert. Dündar denkt dat de president gewoonweg niet anders kán, dat hij moet reageren. ‘Erdogan is revanchistisch en psychologisch niet toegerust om kritiek te verdragen.’

Iets soortgelijks speelt bij Zaman. De ondercuratelestelling van het mediabedrijf was een aanval op de persvrijheid, maar het is óók een persoonlijke vete. De krant is gelieerd aan de Gülen-beweging. Veel is al gezegd en geschreven over deze religieuze orde, haar schimmige politieke agenda en de corruptieaffaire, die aanhangers ervan aanzwengelden. Erdogans troon wankelde, de dreiging was existentieel en de politieke ondergang kon alleen slechts op het laatste nippertje worden afgewend. Niet ondenkbaar is dat de huidige paranoia zijn oorsprong vindt in deze episode.

De beweging leunt op een netwerk van excellente scholen die voorbereiden op de zware concoursen waarmee universitaire topopleidingen selecteren. De akp had (en heeft) een enorm tekort aan bekwame en loyale ambtenaren en verwelkomde de vrome en ambitieuze gülenisten aanvankelijk warm. Ze kwamen terecht op invloedrijke posities binnen de ambtenarij en het zakenleven, waar zij geleidelijk aan de oude seculiere garde vervingen.

Wat Erdogan en Gülen bond was een gemeenschappelijke vijand: de militairen die de Turkse ‘diepe staat’ bemanden. Maar toen die eenmaal was verslagen ging het mis. Gülen zou weinig moeten hebben van Erdogans verlangen naar een superpresidentschap. De Nederlander Joost Lagendijk, voormalig europarlementariër en tegenwoordig publicist en docent internationale betrekkingen aan de Suleyman Shah Universiteit in Istanbul, situeert het begin van de fall out in 2011. ‘Erdogan behaalde dat jaar de helft van de stemmen en het werd steeds duidelijker dat hij geen behoefte meer had aan de steun van liberalen binnen en buiten de akp.’

De sinds 2009 in Istanbul woonachtige Lagendijk had vanaf 2010 een goed geïnformeerde en veelgelezen column in Today’s Zaman, de Engelse versie van Zaman. Ik spreek hem op de veranda van het fraaie houten huis dat hij samen met zijn Turkse vrouw, een prominente televisiejournaliste, liet renoveren op een van de Prinseneilanden. ‘In Zaman verschenen kritische stukken over Erdogan. Wie goed observeerde kon merken dat de voorkeur van de krant uitging naar toenmalig president en partijgenoot Abdullah Gül. Erdogan voelde dat feilloos aan.’

Erdogan reageerde met de sluiting van de Gülen-scholen, waarop de beweging riposteerde met onthullingen over corruptie. De situatie werd kritiek toen opnamen opdoken waarin Erdogans oudste zoon zijn vader vraagt wat hij aanmoet met de tientallen miljoenen euro’s die hij thuis heeft liggen. De kwaliteit van de opnamen liet veel te wensen over en Erdogan heeft de echtheid altijd betwist. Verder onderzoek – de huiszoekingsbevelen lagen al klaar – kon slechts gestopt worden door onmiddellijke en massale zuiveringen bij de politie en het justitiële apparaat. Inmiddels vaardigde een Turkse rechtbank een internationaal opsporingsbevel uit tegen Fethullah Gülen en sinds begin deze maand kwalificeert Turkije de beweging als een terroristische organisatie. Nog steeds worden dagelijks mensen opgepakt.

Nu Gülen van zijn sokkel is gevallen, is ook Lagendijks bestaan in Turkije onzeker. ‘Het zijn turbulente tijden’, zegt hij laconiek. Zijn column is Lagendijk kwijt en ook zijn baan op de universiteit staat op de tocht. Suleyman Shah werd deels gefinancierd met geld van rijke gülenisten. ‘Misschien wordt de universiteit deze zomer wel opgeheven en sta ik op straat.’

Het heersende beeld van Turkije in het Westen is dat van een autoritair land dat snel afglijdt richting een dictatuur, al dan niet met een islamitisch randje. Toch is er ook een counter narrative. Dat krijgt vorm dankzij een klein leger van journalisten, academici en think tankers. Een aanzienlijk deel van hun productie wordt in het Engels vertaald en verspreid via regeringsgezinde publicaties als Daily Sabah. Een beproefde tactiek is de kritiek op Turkije om te keren (en zo de hypocrisie van het Westen bloot te leggen). Waarom schrijven westerse kranten bijvoorbeeld niet dat Franse vliegtuigen aanvallen op ‘Arabieren’ uitvoeren, maar wel dat de Turken ‘Koerdische’ doelen bombarderen? En waarom wordt Erdogan consequent weggezet als een ‘dictator’, terwijl hij het vaak over menselijke waarden heeft, de armoede in de wereld probeert terug te dringen en Syrische vluchtelingen een veilig heenkomen biedt? Ook verschijnen er dikke rapporten over toenemende islamofobie in Europa. Daar klinkt frustratie in door over het Westen dat de rest van de wereld onophoudelijk de les leest. Maar ook herwonnen zelfvertrouwen en een eigen visie op de moderniteit. Op het hoofdkantoor van de akp in Ankara werd ik getroffen door een oude wereldkaart die Centraal Azië, het Turkse thuisland, in het midden plaatst. Europa liep linksboven af; Noord- en Zuid-Amerika waren in een kader geplaatst.

Een beeldbepalende rol bij de fabricage van dit alternatieve discours speelt de in Ankara gevestigde denktank Seta. In een fonkelnieuw pand in een van de vele residentiële wijken van de hoofdstad spreek ik met directeur Burhanettin Duran, tevens adviseur van president Erdogan. Hij is net terug uit Berlijn, waar Seta bezig is met het openen van een vestiging. Een fors deel van het gesprek zal gaan over de westerse ‘obsessie’ met Erdogans autoritarisme. ‘Ja’, zegt Duran, ‘Turkije hééft problemen om de democratie te consolideren. En ja, Erdogan kán soms heel bot uit de hoek komen.’ En ook kan Duran zich voorstellen dat Erdogans stijl als populistisch of zelfs als fascistisch wordt gezien, omdat hij druk uitoefent op de elites en zich vaak direct tot het volk richt. Maar dat gaat voorbij aan de precaire situatie waarin Turkije zich bevindt en die vanuit het Westen onvoldoende wordt onderkend.

Duran, tussen 2009 en 2015 hoofd van de afdeling politieke wetenschappen van de islamitische Sehir Universiteit in Istanbul, wijst op de Gezi-protesten, de ‘politieke operatie’ van de Gülen-beweging en het opschorten van de vredesonderhandelingen met de pkk, en als externe factor de toestroom van drie miljoen Syrische vluchtelingen. Deze factoren zetten volgens hem een enorme druk op de politiek. Daar komt bij dat er bij de overgang van het kemalistische ‘bevoogdingsregime’ naar een democratie op westerse grondslag een bestuursvacuüm was ontstaan, waarbinnen de Gülen-beweging ‘zijn kans’ heeft proberen te grijpen.

‘Daarom denkt Erdogan dat we die systeemtransitie zo snel mogelijk moeten volbrengen en zonder krachtig leiderschap gaat dat niet. Eerst probeerde hij het via consensus, nu via wedijver en macht.’ Uiteraard moet die transitie plaatsvinden binnen de grenzen van de democratie, haast hij te onderstrepen. ‘Maar de gedachte is steeds: ik doe dit niet voor mezelf, maar voor Turkije, want na mij zal er niet snel nog eens zo’n groot staatsman zijn.’

De zwakke oppositie in het parlement? ‘De mhp en de chp komen nauwelijks met eigen ideeën, dat kun je Erdogan niet kwalijk nemen.’

De eigendomsverhoudingen in de mediawereld? ‘Daar zit een probleem, maar uiteindelijk gaat het om de vraag of er alternatieve kanalen zijn om een geluid te laten horen en politiek te bedrijven. Die zijn er.’

De sluiting van Zaman? ‘Die krant was op zich legaal, maar werd ingezet tegen de staat, je kunt dit niet vaak genoeg uitleggen. Ex-journalisten van Zaman zijn al weer een nieuwe krant begonnen, dat recht hebben ze.’

De bottom line is volgens Duran dat als Erdogan geen democratie gewild had hij haar al wel eerder had afgeschaft. ‘Ik zeg niet dat we met de akp alles goed doen, maar we doen het nog steeds goed genoeg om een meerderheid van de zetels in het parlement te halen bij de verkiezingen. Dát is de realiteit.’

Toch denkt ook hij dat de grenzen van Erdogans macht in zicht gekomen zijn. ‘Als je verder wilt reiken, nóg sneller wilt gaan, zal de auto verongelukken.’ Of Erdogan dat ook weet? ‘Ik hoop het, hij zou dat moeten weten, hij laat doorlopend opiniepeilingen uitvoeren, spreekt met wijkvertegenwoordigers, hij kent als geen ander de temperatuur in dit land.’


Beeld: (1) Het Taksimplein in Istanbul; (2) De veerboot van Kabatas naar Kadikoy; (3) Istanbul – Het lijkt erop dat Erdogan bezig is af te breken wat hij destijds zelf met veel moeite heeft opgebouwd; (4) Taksimplein, Istanbul. Politiehekken staan klaar – ‘Wij weten niet wat Erdogan nastreeft’; (5) Turkse vlag bij een overheidsgebouw, Taksim – ‘Erdogan zet het politieke systeem onder hoogspanning’