Reportage: Ondemocratisch Rusland

We zien wel

In Veliki Novgorod begon duizend jaar geleden het eerste experiment met een democratische republiek in Rusland. Nu voelen de burgers zich de laatsten der Mohikanen. Omdat over de herverkiezing op 14 maart van president Poetin geen greintje twijfel bestaat, resten alleen nog ironie en illusie.

VELIKI NOVGOROD — In de werkkamer van de hoogste baas van het district Novgorod hangt géén portret van Vladimir Poetin. Dat is anno 2004 opmerkelijk, om niet te zeggen, bloedlink. Achter het bureau van gouverneur Michail Proesak staan in een standaard alleen de Russische driekleur en het wapen met de tweekoppige adelaar die naar Oost en West tuurt. Proesak verklaart zich, enigszins geschrokken, nader: «Twee symbolen: meer is onnodig. Ik hou niet van idolenverering.»

Dit is zijn vorm van stil verzet. Proesak (44 jaar en sinds 1992 gouverneur van Novgorod, een provincie vijfhonderd kilometer ten noorden van Moskou en qua oppervlakte groter dan Nederland) is geen «likker», heet het in de hoofdstad Veliki Novgorod. Hij is zelfs geen lid van de presidentiële partij Verenigd Rusland, waaraan elke zichzelf respecterende functionaris intussen wel contributie betaalt. Maar ook Proesak begint meer en meer op zijn tellen te passen. Anders dan vier jaar geleden spreekt hij zich nu niet uit tegen de kandidatuur van Poetin, maar zegt hij de zittende president te steunen. De openhartigheid van 2000 is hem namelijk duur komen te staan. Onmiddellijk na de overwinning van Poetin begon het Kremlin her en der de duim schroeven aan te draaien. Ook in Novgorod. «Je krijgt gewoon geen geld als je niet gehoorzaam bent», aldus de gouverneur. Zelfs voor een «kubieke meter zand» dient Proesak al toestemming te vragen aan het ministerie van Grondstoffen in Moskou. Door dit soort «onzinnige geintjes» zag de gouverneur de dotaties uit de federale kas voor de arme gebieden in Rusland slinken.

Doordat Proesak zich steeds volledig heeft georiënteerd op westerse investeerders die fiscale vrijstelling genieten en hij geen warme banden heeft met de «rauwe oligarchen» uit de energiesector — dat kan ook niet, de provincie heeft «niets, behalve bossen en bessen» — is de schade beperkt gebleven. De afgelopen twaalf jaar is voor één miljard dollar vreemd kapitaal in Novgorod gestoken. Bijna twee derde van de bedrijven is niet meer in Russische handen. In de rest van het land is die verhouding hooguit één op tien. Voor de doorsnee Rus is het onverteerbaar dat in de plaatselijke trots Volna, een fabriek die in 1980 nog de videocamera’s voor de Olympische Spelen maakte, tegenwoordig snoepjes worden geproduceerd en dat een andere industriële macht zich nu onledig houdt met de verpakking van kauwgum. Op de keper beschouwd weten de burgers dat Novgorod het onder Proesak desondanks beter heeft gekregen dan de vergelijkbare buurprovincie Pskov, waar ook geen druppel olie is te vinden.

De middenstander Nikolaj Velitsjanski (gepensioneerd piloot bij de luchtmacht met een rijke Koude-Oorlogservaring in Afghanistan, Angola en Syrië) maakt Proesak eigenlijk maar één verwijt. Proesak is een ex-communist die zijn carrière in de communistische jeugdbeweging Komsomol is begonnen en louter dankzij zijn goede banden met voor malig president Boris Jeltsin in Novgorod is beland. Maar dat is in Rusland geen serieuze aantijging. Iedereen op machtsposities heeft zo’n verleden.

«Proesak is sluw. Hij wil zijn verhouding met Poetin niet op het spel zetten. Als de president hier in de buurt een weekeindje uitrust, gaat hij altijd even langs», erkent Velitsjanski, tevens plaatselijk voorzitter van de sociaal-liberale partij Jabloko, die op nationaal niveau wordt geleid door de nimmer tot de hogere regionen doorgedrongen econoom Grigori Javlinski.

Maar er is meer aan de hand. Novgorod is ruim vijfhonderd kilometer verwijderd van Moskou, waar de klassieke centralisten, die nog steeds abusievelijk denken Rusland vanuit één punt te kunnen leiden, het weer voor het zeggen hebben. De geest staat er desondanks mijlenver af van Moskou. Net als achter de Oeral in Siberië en het Verre Oosten is die geest er een van «we zien wel». Haat is een te groot woord, minachting zeker niet.

Al sinds 1478 staat Moskou symbool voor onaangename machtsuitoefening. Novgorod beschouwt zichzelf als de bakermat van het gemankeerde democratische Rusland. Hier vestigde aartsvader Roerik zich, in 862, een jaar dat in 1862 werd gevierd met een immens monument waarop alle grote Russen prijken. Hier werd in 1136 een republiek gesticht waar aristocratische bojaren, kooplui, ambachtslieden en geestelijkheid ieder een eigen plek hadden in een parlement (de vetsje) dat de keurvorst koos. Hier was zelfs de orthodoxe kerk onderworpen aan een soort verkiezingsritueel. Als er een nieuwe aarts bisschop moest komen, ging het tussen drie kandidaten. Hun namen stonden op drie opgevouwen briefjes die op het altaar van de St. Sofiakathedraal waren neergelegd. Een jongetje moest er twee wegnemen, waarna de man op het achtergebleven papiertje zich aartsbisschop mocht noemen. En hier ging het in de vijftiende eeuw fout, toen Ivan de Verschrikkelijke oprukte om het vrijpostige Novgorod aan het centrale gezag van Moskou te onderwerpen. Vrij naar een kroniek uit die tijd: «Handel drijven konden ze, maar oorlog voeren hadden ze afgeleerd.» De vetsje gokte daarom op het kritieke moment tevergeefs op de rede. Het parlement was bereid tot over gave, mits de bojaren geen haar zou worden gekrenkt en niemand naar Moskou afgevoerd. Ivan zei «ja». Maar toen de vetsje vroeg om een schriftelijke bevestiging van die belofte antwoordde Ivan: «Een heerser legt geen eed af.» In 1478 werden vijftienduizend bojaren en kooplui uit Novgorod gedeporteerd.

De republikeinse erfenis heeft na vijf eeuwen geen reële betekenis meer. Ze manifesteert zich hooguit nog in de keuze voor het plekje dat voor Lenin is gereserveerd. Zijn standbeeld staat niet in het hart van het centrale stadsplein, maar op een hoekje.

«De traditie leeft echter wel», aldus gouverneur Proesak. «Novgorod was de eerste burgerlijke maatschappij in Rusland, dat zo’n samenleving verder nooit heeft gekend en nog steeds niet kent. Je hoort nu weer overal: de staat dit, de staat dat, waarna ambtelijke instructies volgen. Hoeveel wodka we tijdens de Sovjet-Unie niet hebben gedronken op de eenheid en ondeelbaarheid van dit land. Als Nederland zoveel wodka zou hebben getoast op zijn eenheid zou het erin zijn verdronken. Het vergelijkbare hoera-patriottisme van nu verontrust me. Ik ben daar categorisch tegen. Ik wil bureaucraten niet gehoorzamen. Maar dat is op dit moment natuurlijk een droom.»

Proesak laveert daarom voor zijn eigen bestwil tussen twee stemmingen: zorg en hoop. Zijn optimisme verwoordt hij als volgt: «De media bevallen me niet. Die zijn zeer tendentieus. Dat is een tragedie. Alsof er maar één de leider kan zijn in dit land. Kennelijk willen we leven onder een verlichte monarch. Als er geen verlichte elite is, waar kunnen we dan die verlichte monarch vandaan halen? Als er eerlijke en zuivere verkiezingen zouden worden gehouden, zou de meerderheid voor verregaande democratisering stemmen en niet voor Ver enigd Rusland (dat bij de parlementsverkiezingen begin december twee derde van de zetels in de Doema heeft veroverd — hs). Maar ik heb nog hoop. De komende vier jaren wordt het lot van Rusland bepaald. De eerste ambtstermijn van Poetin was virtueel. Hij had kennelijk verplichtingen. In zijn omgeving dacht men: eerst de orde herstellen en dan pas de democratie. Een gevaarlijke redenering. Iets als: wie vrijheid wil kennen, zal eerst zichzelf als slaaf moeten kennen. Ik zou niet willen dat er definitief een einde komt aan de dooi van het afgelopen decennium.»

Na de presidentsverkiezingen gaat Proesak daarom een poging doen de uit elkaar gespatte «liberale democraten» weer onder één dak te krijgen. De politici die de laatste acht jaar namens de oligarchen hebben gesproken — zoals de wanhopige presidentskandidate Irina Chakamada en de intussen van het strijdtoneel verdwenen Ivan Rybkin, die na zijn fantastische maar nooit opgehelderde «ontvoering» in Kiev uitweek naar zijn en Jeltsins peetvader Boris Berezovsky in Londen — horen daar wat hem betreft niet bij. Die hebben met «bolsjewistische methodes de natuurlijke hulpbronnen van Rusland voor zichzelf veiliggesteld». Proesak denkt eerder aan de entou rage van Jeltsin vlak na de mislukte staatsgreep van augustus 1991. En aan Grigori Javlinski, die zich niet door het Kremlin heeft laten verleiden om, voor goede woorden en vooral geld, toch maar kandidaat te zijn in presidentsverkiezingen die er niet toe doen en die door die weigering de fictie van de verkiezingen in een schril daglicht heeft geplaatst.

Garanties voor succes zijn er echter niet. Proesak formuleert zijn zorg derhalve aldus: «De liberale hervormers van toen praten nu alleen nog aan de keukentafel over democratie. Zoals een kameraad in de Komsomol in de jaren tachtig zei: ik ben verraden en bovendien niet één keer. Ik voel nu ook druk van boven en gedraag me dan ook niet altijd even principieel. Iedereen zit momenteel in die situatie. Ik ga nog niet in zaken (dé oplossing voor politici uit het tijdperk-Jeltsin die door Poetin zijn uitgerangeerd — hs). Ik ben vorig najaar met 75 procent van de stemmen herkozen voor een derde termijn. Maar van wat er nu gebeurt, begrijp ik een heleboel niet. Misschien dat ik morgen in zo’n complexe situatie beland dat ik wel in zaken moet.»

Proesak heeft het geluk dat Novgorod er financieel niet toe doet. Complex is zijn situatie desondanks wel. De aanwijzingen daarvoor zijn vooralsnog hilarisch. In Veliki Novgorod is geen sprake van wat voor verkiezings campagne dan ook. Anders dan de nationale televisiejournaals, die dagelijks beginnen met een uitvoerig verslag van de energieke werkdag van president Poetin en doen denken aan het format dat twee decennia geleden werd gebruikt — in het toenmalige jargon: «Alles over hem en een beetje over het weer» — houdt de lokale journalistiek zich afzijdig. Ook de opkomstbevorderende affiches («Stem 14 maart voor Rusland»), waarmee middenstanders en semi-overheidsdiensten in Moskou hun loyaliteit jegens de hoogste institutie van de staat etaleren, zijn in geen velden of wegen te bekennen.

De plaatselijke afdeling van de staatsveiligheidsdienst FSB heeft daarom niets te doen. Waar geen campagne wordt gevoerd, worden immers geen wetten overtreden. Zelfs niet de kieswet, die her en der zo paradoxaal is dat er altijd wel een artikeltje uit kan worden gepikt. Maar op 20 februari was het toch raak. De FSB was iets op het spoor: een 52-jarige man, na enige opnames in een inrichting weliswaar niet helemaal goed bij zijn hoofd, maar niettemin in het bezit van vijf ongesigneerde posters waarin het «antivolkse regime» van Poetin op de korrel werd genomen met een paar sinterklaasgedichtjes en een oproep om de verkiezingen te «boycotten». De dader werd aangehouden en bekende meteen. Hij kwam ervan af met een boete ter hoogte van een half maandsalaris wegens «anonieme agitatie».

«Jarenlang niets van de FSB gehoord, hebben we ze opeens weer», aldus voorzitter Sergej Nikoelitsjev van het hoofdstembureau van Veliki Novgorod. Zijn ironische ogen doen de rest. Hij weet wat hem te doen staat. Net als vier jaar geleden moet de provincie een opkomst van rond de zeventig procent leveren en, als het even kan, ook ongeveer zeventig procent voor Poetin. Nikoelitsjev zegt het niet openlijk maar omfloerst. «Vroeger was de invloed van politieke partijen minder groot. Alleen die mogen nu nog waarnemers naar onze kiescommissie afvaardigen. Chakamada is niet namens een partij kandidaat en heeft dus geen waarnemers. Poetin formeel ook niet, inderdaad. Maar die heeft zo veel autoriteit dat hij wel vertrouwenspersonen kan vinden. Die politieke invloed is lastig voor ons.»

Het werk van Nikoelitsjev verloopt in vier etappes. Eerst wordt geteld in de wijkbureaus. Vervolgens moet Nikoelitsjev die uitslagen verwerken tot een proces-verbaal voor de hele stad. De cijfers moet hij doorsturen naar het provinciale hoofdstembureau dat de gegevens op zijn beurt doorseint naar de federale kiesraad in Moskou. Alleen op de tweede fase heeft Nikoelitsjev enig zicht. Het eerste, derde en laatste stadium onttrekken zich grotendeels aan zijn blikveld en aan dat van de buitenlandse waarnemers die nog steeds in Rusland actief zijn. Dat zijn precies de drie fases waarin de «administratieve hulpbronnen van de verkiezingstechnologie» hun werk doen.

De eerste etappe speelt zich vooral af op het platteland: in de kazernes, gevangenissen, overheidsinstellingen en staatsbedrijven. Daar gaat het om de directeur die zijn personeel dreigt met ontslag als het zijn stemadvies niet opvolgt, om de officier die de soldaten in het gelid naar de stembus laat marcheren, of om de voorzitter van het stembureau die rond het middageten gaat bellen naar kiezers die nog niet zijn komen opdagen. Het kan ook directer. In Rusland mogen de burgers thuis stemmen als ze ziek zijn of anderszins niet in staat tot de fysieke handeling van het stemmen. In het dorp Batjev in de provincie Novgorod bleek die groep bij de laatste Doema-verkiezingen ineens immens groot. Van de driehonderd kiezers hadden er volgens het proces-verbaal 240 thuis hun stem uitgebracht; volgens Nikolaj Velitsjanski, de ex-vliegenier in de politiek, is dat alleen al opzienbarend omdat het stembureau daar maar een paar mensen beschikbaar had om de kiezers te bezoeken, omdat een visite toch tien minuten duurt en één verkiezingsdag dus te weinig uren bevat om alle zieken af te werken. En in Novgorod valt het volgens Velitsjanski nog mee. Hij geeft de provinciale kiesraad een kleine voldoende.

De derde en vierde etappe voltrekt zich via het digitale systeem GAZ Vybori. Het laatste woord staat voor «verkiezingen», het eerste voor de sponsor: het staatsgasbedrijf Gazprom dat tijdens Poetin onder verscherpte controle van de regering is geplaatst. Wat zich in de krochten van dit elektronische netwerk afspeelt, is onbekend. De parlementsverkiezingen van 7 december 2003 zijn niettemin een indicatie voor wat er kan gebeuren. Om twee uur ’s nachts belde Poetin met de oppositionele kandidaat Javlinski om hem te feliciteren: Jabloko had de kiesdrempel van vijf procent gehaald. Het officiële opkomstpercentage was toen ruim 45 procent. Toen Javlinski de volgende morgen wakker werd, lag Jabloko eruit. De opkomst bleek dankzij de grote steden ten westen van de Oeral in de nachtelijke uren te zijn gestegen tot 56 procent. De meest voorzichtige conclusie? Dat er iets unieks was gebeurd. Rusland is kennelijk het enige democratische land ter wereld waar in de steden massaler wordt gestemd dan op het platteland. Zelfs de communistische partij verwonderde zich daarover.

Meer dan bij de parlementsverkiezingen gaat het nu dus om de opkomst. Werkelijk niemand durft de stelling te verdedigen dat de strijd nog ergens anders om gaat. Kandidaat Chakamada laat er zelfs in haar televisiespotje geen misverstand over bestaan dat ze volstrekt onbeduidend is en alleen meedoet om de ingekomen post te behandelen, «zodat de president uw en mijn stem hoort». Die president is zij hoe dan ook niet, weet ze.

Het filmpje heeft iets treurigs. Het klopt bovendien tot achter de komma. De apathie regeert. In tien dagen Rusland ben ik maar één kiesgerechtigde tegengekomen die gaat stemmen. Iedereen onder de vijftig gaat niet, houdt het geheim of lacht je vriendelijk of zelfs flirterig uit. Behalve die ene tachtig jarige vrouw die van oudsher weet dat «je moet doen wat je gezegd wordt». Nooit heeft ze geweten wat de dag van morgen brengt. En juist die onwetendheid stemt optimistisch. Poetin speelt op alles. Maar in Rusland kan niets het resultaat zijn. Al zijn voorgangers sinds Stalin zouden daarover kunnen meepraten.