We zijn allemaal gemiddeld

Rogi Wieg, Souffleurs van de duivel. Verhalen. Uitgeverij Van Oorschot, 248 blz., f35,-
‘De verhalen in “Souffleurs van de duivel” zijn nauwelijks na te vertellen’, meldt de tekst op het achterplat. Dat klopt. De tien verhalen in het nieuwe boek van Rogi Wieg (1962) zetten zich niet meteen vast in het geheugen, wat niet wil zeggen dat ze niet boeiend of meeslepend zijn. De roekeloze uitsmijter ‘Rogi Wieg is een schrijver die met geen enkele andere schrijver te vergelijken is’ zal worden onderschreven door degene die de bundel na lezing dichtdoet, zachtjes en peinzend, nog meeneuriend met Wiegs zingende zinnen.

Rogi Wieg is allang niet meer ‘vooral dichter’. Behalve vijf poeziebundels publiceerde hij inmiddels vier prozatitels, de novelle Beminde onrust, de roman De moederminnaar en de verhalenbundels Sinds gisteren zijn tweedagen verstreken en nu dus Souffleurs van de duivel. Het is niet voor het eerst dat Wiegs verhalen 'niet na te vertellen’ zijn. Net als in zijn poezie zoekt de schrijver het in zijn proza niet in extreme gebeurtenissen of opvallende mensen. Zijn verhalen moeten het niet hebben van een spannende plot of adembenemende verwikkelingen. Wieg concentreert zich liever op het kleine dan op het grote, kiest liever gewone dan extravagante personages en laat zich meevoeren door gebeurtenissen die normaal gesproken aan de aandacht ontsnappen.
Toch kost het opvallend weinig moeite Souffleurs van de duivel helemaal uit te lezen. Dank zij de stilistische kwaliteiten van de schrijver. De dichter, ook. Wiegs poetische talenten verloochenen zich niet, wat nu en dan prachtig proza oplevert, dat op een bijna stiekeme manier in een fijnzinnig ritme lijkt te gaan rondzingen.
Lees dit, misschien hardop: 'Het jongetje van vijf wint door zijn goede geheugen. Hij wint, hij wint door zijn geheugen. En ik, de verliezer, heb alleen twee kaarten die bij elkaar passen: wie ik vroeger was en wie ik nu ben: dezelfde.’
Als het in zulke zinnen is geschreven, hoeft een verhaal zich niet te laten navertellen. Vooral als het zo verder gaat: 'Ik pak Ugur bij zijn hoofd. Hij werkt tegen, hij wil niet worden vastgepakt. Maar zijn hoofd ligt zo lekker in mijn hand; zijn opgeschoren haar, zijn wangen, zijn voorhoofd, een hoofd van een kleine jongen is een ding waar je mee kunt spelen.’
SOUFFLEURS VAN de duivel is echter niet alleen maar rijk aan taal. In die typische stijl van hem vertelt Rogi Wieg die typische verhalen van hem, die meeslepender zijn dan hun setting (voornamelijk binnenskamers) en cast (gemiddelde, zeer gemiddelde personages) doen vermoeden. Hij is een soort meester van de vierkante centimeter, virtuoos in de achterkamer. Het gaat altijd over kleine gebeurtenisjes, ingetogen verhoudingen, nostalgie en melancholie, over oude dingen, versleten tijden en slijtende levens. Wieg noteert ergens: 'Iemand heeft eens gezegd dat je nooit weet hoe oud je bent. Het aantal jaren dat je nog hebt te gaan, is je werkelijke leeftijd. Oude en jonge mensen kunnen dus even oud zijn.’
Tweeendertig jaar oud van lichaam, een stuk ouder wat zijn geest betreft, beschrijft de verteller in het openingsverhaal 'Fragmenten van Sofia Rozenberg’ hoe zijn geliefde hem inwijdde in de joodse rituelen en gebruiken. Voor het eerst maakt zij Sabbat voor hem, een betoverende gebeurtenis die hij ondergaat als een genietend kind. Interessant is dat Wieg hier opeens het meisje ten tonele voert over wie hij jaren geleden het verhaal begon te schrijven. De verteller moet zijn beschrijving van haar bijstellen: zijn geheugen heeft de werkelijk heid vervormd en het meisje een ander uiterlijk gegeven dan ze nu bij terugkomst blijkt te bezitten. De herinnering aan haar is minder flatteus dan haar echte voorkomen.
'Zo begon ik jaren geleden een verhaal over een meisje dat niet Sofia Rozenberg heette. Een paar maanden geleden heeft ze me na vele jaren opgezocht. Er werd gebeld, ik opende het raam en keek naar beneden. Ik zag haar en het was net als vroeger als ze weer eens haar sleutels was vergeten. Ze keek omhoog en lachte naar me. Misschien was ik onmiddellijk verliefd. Nee, dacht ik later, ze heeft helemaal geen terugwijkende kin. Waarom heb ik dat dan opgeschreven?’
Misschien schreef hij het op om het verleden te vervormen. De schrijver is zich bewust van zijn mogelijkheid het verleden te manipuleren door het anders te beschrijven dan het in werkelijkheid was. Het is wellicht zijn herinnering die liegt, niet hijzelf.
De personages in Souffleurs van de duivel leven niet het echte leven, maar bestaan voor een groot deel in het verleden, of in hun gedachten. De tastbare realiteit lijkt nauwelijks indruk op ze te maken, is ook niet de plaats waar ze thuishoren. Hun binnenwereld, hun innerlijk leven is waar de auteur zich op richt, de onderlinge verhoudingen, die zelden worden gekarakteriseerd door heftigheid of extreme voorvallen.
Voor geexalteerdheid en grote gebaren moet je niet bij Wieg zijn. Nieuwsgierig, peinzend, hypochondrisch, subtiel grappig en met een heleboel zelfrelativering wandelt hij met zijn personages mee en toont de lezer een blik in hun geest. En die geest zit vaak vol herinneringen, goede en slechte.
'Wat doet de wind als hij niet waait’ is een mooi verhaal over een man van (opnieuw) tweeendertig die wel kinderen zou willen krijgen met zijn geliefde Jannet, maar zijn wens door haar niet gedeeld ziet. Zijn liefde voor kinderen heeft echter een eigenaardige kant. Op een dag komt een negermeisje dat in de buurt woont de flat van het stel binnen. Ze is zes jaar en heeft een leuk hoofd. Het meisje loopt achter de verteller aan. 'En toen kwam die vreemde woede in me op. Ik voelde mijn dikke buik, ik voelde mijn hartslag en ik wist dat ik plomp en oud was en dat ook zou blijven als ik het meisje zou wurgen. Daarom zei ik nog een keer dat ze niet op het bed moest zitten. Ik liep naar haar toe, gaf haar een kus op haar gladde, donkere voorhoofd en duwde haar de slaapkamer uit.’
Hij is een goedaardige, rustige man, met een warm hart voor kinderen: 'Veel kinderen hebben hoofden die mij uitlokken tot kussen en strelen. Vooral meisjes bij wie het haar naar achteren is gebonden, hebben voorhoofden waar ik altijd even aan wil likken.’
Deze pure goedheid heeft echter ook een schaduwzijde. 'Ik heb last van gedachten. Gedachten waarin kinderen de hoofdrol spelen. Ik houd van hen, maar ik doe hen ook kwaad. Ik sla hen met hun hoofden tegen de grond. Ik zie hun hoofden uit elkaar spatten. Of ik steek hun ogen uit met een pen, of ik zie hen verongelukken op hun fietsjes. Ze rijden onder een vrachtwagen, ze vallen in de ijskoude rivier, ze worden bevroren gevonden door hun wanhopige moeders. Ik vraag me af waarom ik zulke dingen denk. En misschien ben ik het niet eens die deze dingen denkt, misschien is het een ander ik binnen mij, een “ik” waar ik geen controle over heb en die tekeer gaat in mijn hoofd. Zomaar, zonder reden.’
Dit thema keert vaker terug. Goed en kwaad zijn geen gescheiden grootheden, hoe graag de christenen ook willen, maar altijd allebei in iedereen aanwe zig. En daarmee kan Wieg goed uit de voeten, en op die gedachte bouwt hij zijn vertellingen. In 'Wat doet de wind als hij niet waait’ lijkt in veertig pagina’s een grillig verhaal verteld te worden dat nogal warrig heen en weer schiet tussen verschillende tijden en plaatsen, maar tegen het einde komen alle draden samen, in de geest van de hoofdpersoon. Hij, die nog jong is maar ook al oud, houdt van zijn volwassen geliefde als was ze een kind. Hij maakt haar, als het even kan, klein. Hij wil dat ze haar haren naar achteren doet, hij knuffelt haar en zegt dat ze 'een lief kind’ is. 'Ik herinner me mijn jeugd niet’, besluit hij, 'ik denk zelden aan vroeger. Ik ben mijn jeugd, elke dag, vader van niemand, minnaar van Jannet.’
IN EEN LICHTE toon, stilistisch op sommige momenten zeer, zeer fraai, vertelt Rogi Wieg tien verhalen die zich in een tijd tussen vroeger en nu lijken af te spelen, een onbestemd gebied waar geen tijd lijkt te bestaan, alleen herinneringen. Verhalen over mensen die leven tussen goed en slecht in. Vaders van niemand, minnaars van iemand.
'Het was onmogelijk dat alles goed zou komen, maar het was ook onmogelijk, dat alles altijd slecht zou gaan. De dingen wisselen elkaar af in en om ons heen en dat maakt ons allemaal gemiddeld.’
En als je Souffleurs van de duivel leest, is het best tof om gemiddeld te zijn.