Reportage: Paul van Nispen tot Sevenaer

«We zijn de kraamkamer van nieuwe, Europese waarden»

Speelt de adel nog een rol in de samenleving bij het geven van «het goede voorbeeld»? Volgens Paul van Nispen tot Sevenaer is dit een actuele vraag. Onder de aloude zinspreuk noblesse oblige wordt daar binnen Europees verband volgend jaar over vergaderd.

«Misschien ben ik te gematigd», zegt jonkheer mr. Paul van Nispen tot Sevenaer, voorzitter van de Nederlandse Adelsvereniging, verontschuldigend: «Ik heb geen pasklare antwoorden op de grote vragen over welke richting onze samenleving moet opgaan. Maar is niet juist de essentie dat er zo snel, hard en hermetisch wordt geoordeeld? Ik zeg het nog maar eens: het gaat om respect, voor elkaars opvattingen en levensovertuiging. Dat mis ik totaal in het debat over onze grondwaarden.»

Paul van Nispen staat voor twee schilderijen van zijn betovergrootouders. Hij zegt, wijzend op de priemende blik van zijn voorvader: «Hij was een rechtvaardige man. In de negentiende eeuw heeft hij veertig jaar lang in de Kamer gewerkt voor de publieke zaak en aan de emancipatie van de katholieken. Uit de verzuiling en later de ontzuiling komt onze samen leving voort. De adel heeft altijd een belangrijke rol gespeeld binnen deze verticaal georganiseerde verbanden. Toen Thorbecke de adel officieel als stand afschafte, is dat gebleven: een sterke betrokkenheid bij de publieke zaak.»

De vraag waarvoor de Nederlandse Adel vereniging, opgericht in 1899, zich nu gesteld ziet, is of de adel in het huidige tijdsgewricht nog een verantwoordelijke positie moet willen innemen. Paul van Nispen tot Sevenaer: «Wij zien, net als iedereen, dat onze samenleving lijkt te desintegreren. Ik zeg ‹lijkt›, want we weten niet of dat werkelijk het geval is, maar dat wordt kennelijk wel zo ervaren. Binnen ons bestuur hebben we daarover gesproken: moet je als groep met een titel bewust maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen, en hoe?»

Deze uitdaging reikt volgens Van Nispen verder dan het Nederlands grondgebied. Begin volgend jaar staat deze kwestie op de agenda tijdens het congres van de overkoepelende Europese organisatie van adel Cilane (Commission d’Information et de Liaison des Asso ciations Nobles d’Europe). Deze commissie werd in 1959 op initiatief van Belgische, Franse, Italiaanse en Duitse adelsverenigingen opgericht «ter behoud van traditionele waarden van adel in de moderne samenleving». Op haar website staat «dat na eeuwen van onderlinge strijd en oorlog voeren binnen Europa de tijd is aangebroken voor samenwerking». Dertien landen (inclusief Rusland) hebben zich aan gesloten, Nederland pas in 1996.

Van Nispen: «Het benoemen van fundamentele waarden blijkt in heel Europa te spelen. Ben je als adel verplicht om het voorbeeld te geven van wat goed burgerschap is? Volgens mij wel: je kunt niet zomaar nee zeggen. Het hoeft niet heel groot en gewichtig te zijn. Het gaat er ook niet om dat je terug wilt naar oude tijden. We gaan discussiëren over onze betekenis in dit zoekende proces.»

Nederland heeft binnen Europa altijd een eigen plaats ingenomen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Duitse, Belgische en Engelse aristocratie kent Nederland weinig landadel die in het bezit was – en is – van landgoederen. De hoogste stand heeft hier altijd een sterk gedemocratiseerd, republikeins karakter gehad. Vergeleken met de praalhoven in andere landen waren onze edelen in hun levens wijze tamelijk sober. Ze woonden traditie getrouw veelal in de grote steden. Door de eeuwen heen bekleedden zij sleutelposities in het publieke domein (burgemeesters, rechters, advocaten, hoge ambtenaren of politici) maar dat had meer te maken met professionele kunde en informele netwerken dan met formele overerving. Vóór de grondwetswijziging in 1848 door Thorbecke had de adel nog staatsrechtelijke privileges door middel van het recht om de Provinciale Staten te kiezen als vertegenwoordigers van de ridderschappen, waaruit dan weer de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal werden gekozen. In Nederland onderscheidt de adel (waarvan de familiestambomen tot op heden worden vastgelegd in het «rode boekje») zich nauwelijks van het patriciaat (waarvan de familielijnen te vinden zijn in het «blauwe boekje»). Volgens Van Nispen wordt relatief weinig (rond de twintig procent) binnen eigen kring getrouwd, zoals bijvoorbeeld in België (tachtig procent). Het vinden van een «burgerpartner» stuit niet op enige afkeuring, noch worden er huwelijken gearrangeerd.

De zogenaamde macht van de adel is volgens Van Nispen moeilijk aantoonbaar: «Professor Donkers heeft in een recente studie geconcludeerd dat de rol van de adel in ons land niet is uitgespeeld. Het gaat daarbij om ervaring en niet zozeer om afkomst. Die rol manifesteert zich concreet in het maatschappelijk middenveld: lidmaatschap van besturen of betrokkenheid bij charitasverenigingen.» Hij noemt de Maltezer Orde (de rooms-katholieke Nederlandse tak van de Ridderlijke Orde van het Hospitaal van Sint Jan te Jeruzalem), de Johanniter Orde (de protestantse tak) en de Duitsche orde. Het zijn eeuwenoude organisaties, de feitelijke voorlopers van professionele hulpinstellingen, die zich nog steeds inzetten voor diverse vrijwilligersactiviteiten, zoals verzorgen van gehandicapten en zieken of hulp bieden aan drugsverslaafden op de Amsterdamse Walletjes. Van Nispen mompelt: «Maar dat is natuurlijk niet uniek voor de adel.»

Paul van Nispen tot Sevenaer stamt uit een grote katholieke familie, groeide samen met zijn broer op in een plattelandsgemeenschap in Brabant waar hun vader burgemeester was: «Twee generaties terug was onze plaats vanzelfsprekend. We waren zichtbaar in de samen leving. Op driejarige leeftijd opende ik de varkensfokdag en plantte ik een boom voor de geboorte van Beatrix. Dat was allemaal zo normaal en logisch. Door de democratisering van de jaren zeventig is die natuurlijke positie snel verwaterd. In ons land is dit proces sneller en sterker geweest dan waar ook in Europa. Alles werd gedemocratiseerd: geld, goederen, macht en kennis. Dat heeft, uiteraard, vooral positieve kanten gehad. Maar door de ontkerkelijking en individualisering, en de daaruit voortvloeiende toegenomen mondigheid, staan we nu op het punt dat we collectief last hebben van het gebrek aan leidende structuren.»

Van Nispen wordt in zijn appartement omringd door schilderijen met portretten van voorouders. Om twaalf uur slaan exact gelijk aan alle kanten klokken. Hij zegt zo nu en dan liefdevol tegen zijn hond Doenja dat ze «heel braaf» is. Taart en koffie worden geserveerd door zijn echtgenote, maar hij zegt er nadrukkelijk bij dat het net zo goed omgekeerd had kunnen zijn: dat híj de gastheer is die de koffie schenkt.

Hij pakt de in het Frans (traditioneel de taal van de adel) geformuleerde Code d’etiquette van de Europese adelsverenigingen erbij. De regels hebben geen formele status, maar zijn meer een soort richtsnoer voor goed burgerschap. Ze werden opgesteld in het najaar van 1989, enkele weken voor de val van de Berlijnse Muur. Dat was volgens Van Nispen toeval, maar het document kreeg al snel extra betekenis toen in de voormalige Oostbloklanden adellijke families hun voormalige landgoederen, ooit geconfisqueerd, weer terug konden krijgen. De verdwenen hoogste stand herrees uit de ingestorte «klassenloze maatschappijen» en voegde zich weer bij de Europese vereniging.

Van Nispen leest hardop enkele citaten voor en zegt tevreden: «Ja, dat is de kern: de waardigheid van ieder persoon staat voorop, ongeacht vanuit welke religieuze, levensbeschouwelijke achtergrond. Daarom is de reactie van minister Verdonk op de weigering van de imam haar hand te schudden niet juist. Zij houdt zich niet aan de normen, aan de spelregels van de omgang waarin je respect toont voor iemands overtuiging, ook al dien je tegelijk wel iedere vorm van vrouwenonderdrukking te bestrijden. Ik zie dat normen en waarden continu door elkaar worden gehaald. Een minister moet daar zelf glas helder in zijn. Algemener gesteld: het gaat primair om voorzichtig met elkaar omgaan, niet brutaliseren, niet schof feren. Als je het niet weet, dan moet je het van anderen leren.»

Wie die «anderen» zijn, is momenteel de crux. De adel misschien? Van Nispen wil dat begin volgend jaar tijdens het driejaarlijkse congres van Cilane met ongeveer tweehonderd afgevaardigden van adellijke families gaan bespreken. Hijzelf kreeg van huis uit een hele trits deugden mee die verdraagzaamheid bevorderen. Hij noemt ze op, maar – hij geeft het meteen toe – met het gevaar dat het verkeerd uitgelegd wordt: «Het gaat juist om onbenoembare, vanzelfsprekende omgangs vormen.» Hij heeft van zijn ouders, «heel sociale en dienstbare mensen», altijd geleerd: «Niet met je eigen verhaal op de voorgrond staan, maar goed naar een ander luisteren. Bescheidenheid, eenvoud, geloof boven materie, verantwoordelijkheid nemen en dienstbaar zijn voor je omgeving. Mijn opvoeding bestond uit ‹voorleven›: het goede voorbeeld geven door het gewoon zélf te doen. Je werd getraind in beleefdheid: hoe maak je het de ander prettig, hoe laat je iemand zich op zijn gemak voelen. En je leerde ook dat je je daar nooit en te nimmer op mocht laten voorstaan.»

Hij geeft het grif toe: dit «lesje» opvoeding klinkt logisch: «Maar we zijn een heleboel regels kwijtgeraakt. Ze zijn er niet voor niks: ze werken sociaalbindend. De ontzuiling en democratisering hebben altijd twee kanten gehad. De kerk had enerzijds iets vrijheids belemmerends, zoals het afkeuren van echtscheiding. Maar aan de andere kant», zegt Van Nispen, die zelf gescheiden en hertrouwd is, «aan de andere kant bood het een grote mate van zekerheid. We moeten met z’n allen af van de ik-cultuur. Alle oude deugden zijn de laatste jaren taboe verklaard. Het omgekeerde wordt juist verheerlijkt: materiële poenerigheid, kwaadspreken over elkaar, grof schelden, iemand genadeloos veroordelen en afschieten. Ik wil echt niet beweren dat alleen een kleine elite weet hoe het hoort, de grote meerderheid van de bevolking weet het namelijk precies. Alleen, het verkeerde wordt als positief voorgeschoteld – in de reclame, tijdens praatprogramma’s – en dat schept continu verwarring. We zijn op het punt aangekomen dat deze tendens gekeerd moet worden. Ik kijk trouwens al jaren nauwelijks televisie. Ik lees de krant of een boek. Dat biedt veel ruimte en rust in het hoofd.»

Een slechte zaak is volgens Van Nispen, oud-firmant van een juridisch adviesbureau voor het bedrijfsleven, ook de manier waarop sommige media de top van de maatschappij als graaiend en onbetrouwbaar neerzetten: «Schandalen en te hoge beloningen in het bedrijfsleven zijn veeleer incidenten. Als wordt gedaan alsof dit algemene praktijken zijn, holt dat de samenleving uit. Het breekt het solidariteitsgevoel; het creëert een ikgerichte burger. Het beeld dat overal corruptie voorkomt, stimuleert corruptie.

Maar waar uitwassen wél voorkomen, beginnen we dikwijls aan de verkeerde kant: repressie vanuit de overheid, meer regel geving. En ook ben ik bang dat de economische verschillen in de wereld te groot worden. Een code als Tabaksblatt leidt af van de noodzaak om een natuurlijk gevoel te ontwikkelen voor ‹wat wel en niet kan›: dat is niet in regels te vatten. De roep om steeds meer controle en heil te verwachten van zogenaamde objectieve spel regels heeft verlies aan initiatief tot gevolg om vooral ieder risico te mijden. Het vrijwaart mensen van persoonlijke verantwoordelijkheid en het aangaan van commitment met het algemeen belang. Voor de publieke zaak is íedereen verantwoordelijk. Voorop de overheid, door goed leiderschap te tonen. Zonder het goede voorbeeld valt de maatschappij uit elkaar.»

Van Nispen is helemaal niet somber over de toekomst. Eerder het tegenovergestelde: «Het is een golfbeweging en we klimmen uit het dal. Het is toch geweldig dat er een uitwisseling van denken op gang is gekomen. We constateren met z’n allen dat het belangrijk is om aloude begrippen serieus te nemen. Trouw en vertrouwen waren een jaar of tien geleden bevroren deugden, maar smeken nu weer om een dynamische invulling. We moeten streven naar een vertrouwensmaatschappij. Ik merk dat er in bredere kring zo over wordt gepraat. En wat ik ook vaak heb kunnen constateren: in volkswijken heerst vaak meer gemeenschapszin dan in de villabuurten. Een vriendin van ons, die werkt bij een felicitatieservice, zei onlangs nog dat ze beter wordt ontvangen in de Schilderswijk dan in Wassenaar. Ik wil maar zeggen: er wordt zo makkelijk neergekeken op allochtonen, dat ze niet weten hoe het hoort en dat ze moeten leren hoe ze zich in onze maatschappij moeten gedragen. Wat een onzin.»

Wat gaat hij straks zeggen tijdens de vergadering over de rol van de adel bij het zoeken naar gemeenschappelijke (Europese) waar den? Van Nispen: «Ik wil heus niet terugkijken naar vroeger, maar me wel bezighouden met de vraag hoe hartelijkheid en verdraagzaamheid weer als smeerolie van menselijke omgang terug kunnen keren in het publieke domein. Ik zeg niet dat je als groep met een titel direct op de mensen af kunt stappen, maar we moeten hardop durven te stellen dat het not done is om je hufterig te gedragen.»

En over Nederland? «Ik ga niet verdoezelen wat er speelt. Ik zal zeggen: u heeft vast vreemde berichten gehoord over ons land, maar we zijn op zoek naar gemeenschappelijkheid. We zijn de kraamkamer van nieuwe, Europese waarden.»