Opheffer

We zijn decadent geworden

Ik heb mijn ouders vaak gevraagd of ze voor de oorlog, als student, veel over de oorlog spraken met hun vrienden.

«Eigenlijk nooit», zei mijn vader. «Nooit echt. Niet zoals we erover hadden moeten spreken. Het kwam wel eens even ter sprake, maar het ging toch vaker over literatuur of knokfilms.»

«Zag je dan niet wat er in Duitsland gebeurde?» vroeg ik vaak. Jawel, dat zag vader wel, maar dat Hitler zo’n macht zou krijgen wist hij niet. Duitsland vond hij ver weg.

Een andere uitspraak van hem was: «Een oorlog kan binnen een week ontstaan.»

Gingen na de oorlog de gesprekken nergens anders meer over dan over die oorlog, voor de oorlog was het geen onderwerp voor diepe bespiegelingen.

Ik denk niet dat er binnenkort oorlog komt («kan binnen een week ontstaan») maar toch heb ik het gevoel dat we, om een cliché te gebruiken, in een turbulente tijd leven. Turbulent omdat ik alles om me heen zie veranderen. De man-vrouwverhouding, de links-rechtsverhouding, de verhouding Amerika-Europa. De verhouding tussen Nederlanders en joden. De verhouding tussen Nederlanders en allochtonen. Wat je vroeger roem en aanzien gaf — bijvoorbeeld het beroep van dokter — is thans iets wat slecht betaalt en gevaarlijk is.

Alom bewijzen alle onderzoeken dat je vooral niet gestudeerd moet zijn en laag bij de grond moet zitten (met vastgoed dus) om geld te verdienen.

Turbulent.

En waar praat ik over? Vandaag werd ik gebeld door een radioprogramma met de vraag wat ik vond van de uitspraak van Balkenende en Donner dat we met «satire» moeten uitkijken.

Tja, wat vind ik daarvan… Ach… Natuurlijk vind ik… et cetera, et cetera.

Des middags sla ik de voorpagina op en zie dat zelfs de openingen van de kwaliteitskranten zich druk maken om deze uitspraak van Balkenende en Donner. Terwijl deze week ook het VN-rapport is verschenen over kindsoldaten. Terwijl deze week meer VS-soldaten in Irak zijn overleden dan ooit. Terwijl de muur in Israël steeds afschrikwekkender wordt.

En zo kan ik wel doorgaan.

Ik hou niet van deze manier van redeneren, en ik weet dat ik de krant ook zou hebben geopend met «Satire verdeelt kabinet», maar toch heeft dat bericht niets meer te maken met de tijd waarin we leven.

Ik weet dat het filosofisch niet meer juist is om te spreken over «de werkelijkheid», omdat een slimmerik dan meteen kan vragen: «Welke werkelijkheid?», maar ik heb het gevoel dat we voor «de werkelijkheid» te decadent zijn geworden.

Oeganda heeft een leger met achtduizend kindsoldaten. Daar hoor ik nou nooit eens goede satire over. Moeten we Oeganda binnenvallen als die kinderen straks dezelfde chemische wapens hebben als Saddam Hoessein? Moeten we dan tegen die kinderen vechten? Is het minder belangrijk in Oeganda in te grijpen dan in Liberia? En gaan we, als we in Oeganda ingrijpen, dan onze jongens inzetten tegen een kinderleger?

Ik vraag het maar, ik weet het niet. Ik lees die stukken trouwens niet die daarover gaan. Ik lees alles over Bea en Bernhard. Over Mabel, brieven aan Hitler, de Quote 500 van Jort Kelder, die het met Georgina Verbaan doet, en ik kijk naar kleipoppetjes.

«Welke werkelijkheid bedoelt u?»

Ja, welke werkelijkheid bedoel ik? De surrealistische. Maar wat is surrealistisch? Een kindleger van achtduizend man dat moordt en rooft, of een poppetje van klei dat onze monarchie dusdanig schijnt te bedreigen dat we daarvoor de vrijheid van meningsuiting ter discussie willen stellen?