De twee Ruslands van Sana Valiulina

‘We zijn een bestolen generatie’

Onder president Brezjnev was in de Sovjet-Unie het grote moorden voorbij, maar de mentale terreur bleef. Wat een dictatuur met mensen doet, laat Sana Valiulina zien in haar huiveringwekkende roman Kinderen van Brezjnev.

Medium sana2

Als je op een gure schemerige dag uitstapt bij metrohalte Gaasperplas in Amsterdam-Zuidoost ben je met een beetje voorstellingsvermogen beland in een woonwijk van Moskou. De flatgebouwen staan op ruime afstand van elkaar tussen struikgewas en lage bomen. Er rijden geen auto’s. Over de paden fietsen en lopen mensen met boodschappenkarretjes achter zich aan. Op de achtergrond dreunt de A9. In deze buurt van de Bijlmermeer woont Sana Valiulina. Ze is geboren in Estland en van Russisch-Tataarse afkomst, belandde in 1989 na haar studie Noorse taal- en letterkunde in Nederland, trouwde, kreeg een dochter en werd schrijfster – in het Nederlands – van vijf romans, waaronder het vorige maand verschenen Kinderen van Brezjnev. Het is een epos over haar generatie die opgroeit in de Sovjet-Unie onder Leonid Brezjnev terwijl het land gestaag criminaliseert, het communistische systeem langzaam maar zeker implodeert en in een denderende klap overgaat in de markteconomie, uitmondend in het nieuwe Rusland onder Poetin.

Vier jaar geleden begon ze aan het onderwerp waar ze jarenlang tegenop zag. Ze besefte donders goed hoe belastend het zou zijn om in haar eigen verleden te duiken. ‘Het schrijven heb ik ervaren als een zwaar proces’, geeft ze toe aan de keukentafel. Bij de voordeur zijn de schoenen verwisseld voor slofjes. In haar appartement zou je eveneens in Moskou kunnen zijn, en dat komt niet alleen door de boekenkast vol Russische literatuur. Eerder is het de tijdloze sfeer en de gezelligheid, al is dit een uniek Nederlands woord. Haar huis voelt als een veilig hol dat bestand is tegen de buitenwereld. Valiulina presenteert linzensoep met zuur brood en sterke thee. Ze spreekt zoals ze schrijft: intens, kleurrijk en analytisch. In haar boek ontrafelt ze de psyche van de sovjetmens als spiegel van de sovjetsamenleving als geheel. Het gaat niet over politiek, maar over wat een dictatuur psychologisch aanricht.

‘Ik schrijf over grote begrippen: over vrijheid, angst en verraad’, zegt ze. ‘Ik wilde laten zien wat gewone mensen elkaar allemaal aandoen onder de permanente druk van mentale terreur. Beroofd van hun identiteit gaan mensen elkaar verraden, maar ze weten niet dat ze dat doen. Mensen zijn op drift, omdat ze zichzelf nergens moreel aan kunnen ijken. Gevoelige mensen gaan kapot. In de nieuwe tijd, als het marktdenken met veel kracht en geweld zijn intrede doet, raakt iedereen in de greep van geld verdienen en consumeren. Ze hebben zo lang gedroomd van vrijheid en als die er eenmaal is verliezen ze zichzelf in begeerte. Niet alleen angst eet je ziel op, maar ook opportunisme en materialisme doen dat. Dat is de tragiek. Het doet mij pijn.’

Het boek heeft niet slechts één narratieve lijn met een aantal hoofdfiguren. Valiulina heeft gekozen voor wisselende invalshoeken die samensmelten tot een collectief perspectief: de kinderen van Brezjnev. Vanuit hun leefwereld ontstaat de maatschappelijke ontwikkeling van Rusland in de afgelopen decennia. Het is ingenieus opgebouwd uit vier losse delen die corresponderen met een tijdslijn van de kindertijd in de jaren zestig via de puberteit tot aan de volwassenheid in de jaren negentig.

Het eerste deel speelt zich af op het platteland in het Estse kuuroord Ruha, dat aan de rand van Het Imperium ligt. De zee klotst tegen de oevers van de baai terwijl aan de overkant van de Oostzee Finland lonkt. De Esten en de Moskovieten genieten van hun lange warme zomervakantie, de kinderen struinen door het dorpje en de bossen. De natuur is getuige van de mens. Maar onder de sprookjesachtige sfeer schuilt een macabere laag, een onderwereld. Letterlijk verdwijnen meisjes in de kelders van huizen. De mooie jongen in het dorp blijkt een lustmoordenaar.

In het tweede deel wordt het spel geraffineerder en grimmiger. Nu zijn we in de stad waar het leven harder is en de mensen naakter zijn in hun opportunisme. Ook hier zijn mannen die zich kapot zuipen, verlepte vrouwen, jonge meisjes die snakken naar westerse spulletjes. Slechts één procent uitverkorenen kan via de partij hoger opklimmen om ‘het goede leven’ te leiden. Ook doemt de kelder op als metafoor van de onderwereld: de ‘golden boy’ – het stuk van de school, leider van de communistische jongerenorganisatie Komsomol – is lid van een bende die zich terugtrekt in het souterrain van een flat. Het is een vrijplaats met eigen regels en een hiërarchie van de leider, handlangers, meelopers en degenen die er niet bij horen. Weer blijkt de knapste jongen een ander dan hij lijkt. Hij leidt zijn grote liefde naar de kelder waar zij door de groep wordt verkracht. De onderwereld raakt aan de bovenwereld. Iedereen weet dat vrouwen verdwijnen in de keldermuilen, maar niemand die onderzoek doet, want criminaliteit bestaat niet in het enige land op aarde waar burgers in vriendschap, gelijkheid en vrijheid leven.

In het derde deel komt de onderwereld naar de bovenwereld. Met de komst van het vrijemarktdenken raken jongvolwassenen in de ban van de business. Waren vroeger de grote dichters en schrijvers uit de Russische literatuur nog bakens van geestelijke vrijheid, nu is die verlossing er niet meer. Literatuur is passé, intellect zit eerder in de weg, van de boeken die ze vroeger verslonden zijn ze in enkele jaren vervreemd. De metamorfose gaat gepaard met nieuwe normen. Een begaafde pianiste wordt zakenvrouw, een literatuurstudent gaat werken op de beurs, ze storten zich verblind op het maken van geld. Er verschijnen bars, banken en seksboerderijen waar een hele jaargang van de balletschool de kost verdient. Er worden deals gesloten. Mensen lichten elkaar op. Zakenmannen worden omringd door zware jongens met blaffers in hun binnenzak, Audi’s en Mercedessen zijn hun beste vriend. Lijken verdwijnen niet langer in donkere kelders maar liggen openlijk met kogelgaten in het hoofd in steengroeven of drijven in rivieren.

‘Ik wilde laten zien wat gewone mensen elkaar allemaal aandoen onder de permanente druk van mentale terreur’

Het karikaturale beeld van het verderfelijke Westen waar de Russen mee zijn opgegroeid is werkelijkheid geworden. De vrijheid leidt tot krankzinnigheid en de drang tot almaar méér – gouden wc-potten, luxere auto’s, kastelen, privé-eilanden. De klassenstrijd gaat nu volgens de darwinistische junglewet, alsof de roofdieren na jarenlang gekooid te zijn geweest losgelaten worden. Een bovenlaag wordt steenrijk door handel in grondstoffen en goederen, de massa is verarmd en ontheemd. Valiulina laat zien wat een grote geldinjectie doet met een maatschappij zonder moraal.

Het laatste deel schetst een gitzwarte maatschappij, geabstraheerd tot Gazolia, dat zucht onder de ‘Overste’: een man met een gepolijst gezicht die als een despoot heerst over het nieuwe rijk dat draait op ‘oils’. Hij verenigt in zich het allerslechtste uit het verleden: de schurken in de kelders en de nieuwe zakenlieden. De Overste staat ver af van het gewone volk en is bang om het te ontmoeten. De onderwereld en de bovenwereld komen samen. Valiulina heeft gekozen voor een parabel om het huidige Rusland van Poetin met distantie te duiden. ‘Ja’, zegt ze, ‘het is geen vrolijk boek. Ik ben opgelucht dat het af is. Ik voel me weer vrij om over andere dingen te schrijven en de buitenwereld toe te laten.’

Medium sana1

Het is niet overdreven te stellen dat Sana Valiulina na vier jaar zwoegen een meesterstuk van internationale allure heeft afgeleverd. Groots in de thematiek, spannend en van een literaire rijkdom in de traditie van de grote Russische schrijvers. Je wordt in de benauwde wereld van de sovjetdictatuur gezogen en raakt ontgoocheld als in de snel opgekomen meritocratie opnieuw mensen sneuvelen. Zij beschrijft een wreedheid zoals je die nooit over de Nederlandse samenleving zou kunnen optekenen. Net als haar grote voorbeeld Dostojevski is Valiulina een stuwende verteller en een scherpe psycholoog die de menselijke drijfveren fijntjes blootlegt. Ze oordeelt niet en benadert haar figuren met mededogen. De lezer mag zelf beslissen wie slecht of goed is.

Ze weet zelf dat het een goed boek is geworden. ‘Literair, althans, vind ik het geslaagd. Ik heb grip gekregen op wat ik wilde vertellen. En ik maak niet expliciet hoe de verhoudingen tussen mensen precies liggen of waarom bepaalde gebeurtenissen zo gaan. Je moet de verbeeldingskracht gelaagd aanspreken, ik ben dol op een creatieve lezer. Mijn literaire vorm heb ik gevonden via de inhoud.’

Een Nederlandse schrijver – zo voelt ze zich na 25 jaar, ook al keert ze voor de thematiek meestal terug naar haar wortels. In haar roman Didar Faroek (2006) vertelt ze het relaas van een Russisch-Tataars echtpaar tegen de achtergrond van de meest dramatische periode uit de Russische geschiedenis, de terreur onder Stalin en de Tweede Wereldoorlog. Het boek werd genomineerd voor prijzen, met de vermelding dat ze een unieke plaats inneemt binnen de Nederlandse literatuur.

Met Honderd jaar gezelligheid (2010) maakte ze een uitstapje naar Nederland, maar daarna trok het vaderland weer aan haar. Gelukkig maar, want zoveel verschijnt er op literair gebied niet uit het land van Poetin. De Sovjet-Unie onder Brezjnev is bovendien in publicaties onderbelicht. Misschien omdat de ideologie niet meer haar moordzuchtige gezicht laat zien en die periode in de schaduw van de Stalin-tijd dodelijk saai lijkt.

‘Een moeder van een klasgenoot had een keer geklaagd toen ik iets positiefs had beweerd over het bestaan van Disneyland’

‘Door de vondst van olie hadden we het economisch relatief goed’, vertelt ze. ‘Onze ouders vonden het ten opzichte van hun tijd zelfs een paradijs. Een tijd waarin we arm maar beschaafd waren. Het was redelijk veilig. De angst voor auto’s die ’s nachts door de straten rijden of een klop op de voordeur was op een gegeven moment voorbij. Wel bleef de mentale terreur. Je moest uitkijken tegen wie je wat je zei. Ik voerde discussies met mijn klasgenoten, maar er waren wel grenzen. Een moeder van een klasgenoot had een keer geklaagd toen ik iets positiefs had beweerd over het bestaan van Disneyland. Dat leek mij een voorbeeld van dat het Westen zo slecht niet kon zijn als het werd voorgesteld.

Er kwam bij ons meer binnensijpelen door de Finse tv-zenders en de veerboot tussen Finland en de Baltische staten. De mensen die ons land bezochten zagen er niet ongelukkig uit, ze waren mooi gekleed en hadden plezier. Maar we waren verder niet politiek bezig, we zagen het eerder zo: in het Kremlin zaten bejaarde idioten en daar maakten we grappen over. Bovendien: nette mensen doen niet aan politiek. Dat had ook een nadeel, je ontwikkelde totaal geen politiek vocabulaire. Wij hielden ons bezig met literatuur, daarin voelden wij ons superieur. Tegelijk hadden wij geen illusies. We waren cynisch en wisten niks van onze geschiedenis. We zijn een bestolen generatie.’

Haar generatie was vooral heel goed opgeleid, zegt ze met enige trots. Iedereen was geobsedeerd door het hoger onderwijs, van haar klas zijn er 22 naar de universiteit gegaan. ‘Maar als je carrière wilde maken ging dat via de Komsomol en de partij, en dat gold ook voor een academische loopbaan. In verlichte kringen werd dat gezien als een noodzakelijk kwaad. Mijn oom en tante waren bijvoorbeeld lid van de partij. Mijn tante was hoogleraar in de Russische literatuur, maar ze was ook een intellectuele en liberale vrouw. Dat was realpolitik, puur pragmatisme. Iets regelen via het partijlidmaatschap was net zoiets als hier zorgen dat je verzekeringspapieren goed op orde zijn.’

Sana Valiulina groeide op in Estland, een buitengewest van de Sovjet-Unie, met de resten van de Europese beschaving en levendige herinneringen aan de Europese wortels. Hoe verder weg van het Kremlin, hoe meer lucht mensen hadden. ‘We hadden een eigen microcultuur. Toen ik in Moskou ging studeren werden wij, meisjes uit Tallinn, gezien als westers. Bij ons was het anders, vrijer. Wij hadden een uitgaansleven met bars en onze eigen zangfeesten. Met het zingen van onze eigen liederen pleegden wij verzet tegen de russificatie en de sovjetificatie. Iedere zomer trokken er kolonies mensen uit Moskou naar onze mooie kust. We kenden elkaar goed, in Moskou kwam ik hen weer tegen toen ik ging studeren.’

Studeren in de hoofdstad, daarmee maakte zij de droom van haar vader waar. Hij kwam uit Moskou en had altijd heimwee. Haar vader ondervond de Stalin-terreur aan den lijve. Als soldaat van het Rode Leger werd hij krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers, en toen hij na de oorlog terugkeerde naar Rusland was hij verdacht omdat hij te veel had gezien van het Westen. Hij kreeg als ‘verrader’ tien jaar strafkamp – en dat was bepaald geen uitzondering. Haar moeder leed meer onder de Tweede Wereldoorlog. De Baltische staten werden in 1944 door de sovjets ingelijfd – een gruwelijke passage die is ondergesneeuwd in het grote oorlogstumult. ‘Ik had aparte ouders, ze kregen laat kinderen, ruim tien jaar later dan normaal. Ze hebben bewust de jaren dertig meegemaakt, en daardoor had ik een directe link met de tijd van de grote terreur. Mijn vader heeft enorm geleden in het strafkamp. Hij heeft er nooit over verteld. Dat kon hij niet.’

Antisovjet is een gegeven in haar familie, zegt ze. Ook zij was anti het systeem, en ze heeft nooit in de mooie praatjes over de stralende toekomst geloofd. ‘Ook al geloofde je er niets van, je deed wel actief mee. Aan de universiteit kregen we acht uur per week ideologielessen. Ik was een braaf meisje, ik kon het allemaal reproduceren. Maar een vak als politieke economie, laat staan wetenschappelijk communisme, kon ik vanwege de absurditeit en het totale gebrek aan logica niet onthouden. Alle conclusies waren omgekeerd. Een vriend raadde me aan er vooral niet meer bij na te denken, dan lukte het. Dat heb ik altijd symbolisch gevonden: niet nadenken. Je leerde een tweede bewustzijn ontwikkelen. Je wist hoe je op de juiste knopjes moest drukken. Sommigen wisten heel goed hoe ze hun eigen voordeel konden behalen. De propaganda was non-stop. Op school, toen we nog pionnetjes waren, werden we opgevoed met helden als Pavlik Morozov, die op twaalfjarige leeftijd zijn vader aangeeft omdat die het graan niet wil afgeven en daarvoor wordt vermoord door zijn oom en grootvader. Dat was ons rolmodel, vind je het dan gek dat een land niet weet wat goed en kwaad is?

Verraad loonde. Mocht je je buurman niet, dan gaf je hem aan en dan kon je in zijn huis wonen. In de Stalin-tijd waren zulke praktijken aan de orde van de dag. Om te overleven werd liegen je tweede natuur. De sovjetburger bestond uit twee personen, een voor de buitenwereld en een voor het privé-leven. Het is een vorm van schizofrenie waarmee je opgroeide. In feite waren er twee Ruslands: het ene bestond uit criminelen die in 1917 een coup pleegden, de ethiek en de moraal afschaften en het land decennialang gijzelden. In de praktijk heerste de schuldpresumptie, iedereen is schuldig tot het tegendeel bewezen is. De staat kon alles met je doen, het individu betekende niks. Tegelijk was alles perfect. Er was geen prostitutie, er waren geen criminelen, geen ongelukken of vliegrampen. Het andere Rusland was het land van de grote schrijvers, Poesjkin, Tolstoj, Dostojevski, Toergenjev, Platonov en Boelgakov. Dat is het Rusland waar ik van houd.’

‘Poetin is doortrapt, ijdel, destructief, corrupt en onbegrensd in zijn macht en drang naar gebiedsuitbreiding’

En toch is er altijd hoop – want die sneuvelt in een dictatuur als allerlaatste – en schoonheid. Los van de literatuur was de natuur een vrijplaats waar mensen zich in terugtrokken. Dat heeft Valiulina prachtig beschreven in het eerste deel, dat aan de kust en in de bossen speelt. De grote sterrenhemel boven de ruisende bomen wekt een diep existentieel gevoel op. Overdag zoeken mensen tussen het smaragdgroene gras frambozen en paddenstoelen.

Er zijn in de roman ook figuren die het goede vertegenwoordigen. De frêle slimme Vera met haar kleine verzet als ze op school een strakke spijkerbroek draagt en eruit wordt geschopt. Meisjes met amberkleurige ogen die dromen van bananen, vanille-ijs en vrijheid. Een stokoude oma ligt de hele dag in bed in haar kamertje, kan niet meer praten, maar fungeert met haar ogen als het geweten van haar worstelende kleinzoon. Michail kent de echte geschiedenis van zijn land uit zijn hoofd en doet er alles aan om dat aan de gewone man uit te leggen. De boekhouder die zijn werk goed en eerlijk wil doen, maar uiteraard botst met het gezag. Ook plegen mensen zelfmoord uit wanhoop over zichzelf en het systeem.

Ze citeert in dit verband Nietzsche: als je te lang in de afgrond kijkt, dan kijkt de afgrond naar jou terug. ‘Daarom wilde ik graag het goede in het boek stoppen’, zegt ze. ‘Anders werd het te ondraaglijk. Ik weet dat het bestaat, dat de mens toch een vrij wezen is met een eigen wil. Het is niet altijd zichtbaar en er is moed voor nodig, en die hebben de meesten niet. De terreur was een intoxicatie op zo’n enorme schaal dat er slechts een kleine tegencultuur ontstond van mensen die enorm ethisch waren en een zuiver geweten hadden. Het is de denkende minderheid.’

Natuurlijk gaat het boek over haarzelf, zegt ze. Zeker, zeker. ‘Alleen, zelfs als ik nu over mijn generatie praat, vind ik het moeilijk om concreet te zeggen hoe ik me voel en hoe ik erin zit. Dat kan ik niet goed. Dat heb ik in mijn jeugd nooit geleerd.’

Het schrijven van dit boek is een proces van zelfkennis geweest, en dat vond ze niet gemakkelijk: ‘Ik heb nooit nagedacht over mezelf, zoals dat in Nederland gebeurt: jezelf duiden vanuit het verleden. Het was nooit aan mij besteed, dat gepsychologiseer van je identiteit, ik vond dat zo westers. Toch haalt het verleden je in. Ik moest het gewoon doen: mezelf de vraag stellen uit welke maatschappij ik eigenlijk kom.’

En ja, ze ontdekte dat ze die sovjeterfenis in zich had: cynisch en nogal wantrouwend. ‘Ik heb in de loop van de jaren veel moeten afleren. Misschien was die apolitieke houding ook juist politiek: een enorme haat tegen politieke systemen. Maar die praatcultuur vind ik hier echt afschuwelijk. Net als de neiging om jezelf neer te zetten in een slachtofferrol. Ik ben wel opener geworden, hoewel ik nooit graag praat over privé-zaken. Dat is meer een kwestie van karakter.’

Met de denkende minderheid gaat het ondertussen weer niet goed in haar vaderland, waar ze graag komt om haar zus in Moskou te bezoeken. Poetin! Het kwaad is Poetin. Ze wordt er woedend en wanhopig van als mensen niet zien hoe gevaarlijk hij is. ‘Ik zeg steeds dat Europa moet uitkijken voor hem, veel meer dan voor Islamitische Staat waar internationaal alle ogen op gericht zijn, want dat is een duidelijke vijand. Poetin is doortrapt, ijdel, destructief, corrupt en onbegrensd in zijn macht en drang naar gebiedsuitbreiding. Hij is de vleesgeworden onbegrensdheid. Hij is zichzelf als de uitverkorene van God gaan zien, en de kerk doet enthousiast mee. De patriarch heeft twee maanden geleden gezegd dat Poetin na zijn dood heilig verklaard zal worden.’

Valiulina haalt fel uit. ‘Wéér zien we het ophemelen van het Russische imperium met een historische promiscuïteit: alles wat je kunt gebruiken voor jouw waarheid wordt ingezet. Wéér vindt een braindrain plaats van de intelligentsia, want hoe houd je het uit in het hysterische patriottistische klimaat.’

Moedeloos zegt ze: ‘Rusland kijkt niet om naar haar verleden, zoals dat in Duitsland wel is gebeurd. Russen denken dat ze van een sterke arm houden, ze voelen zich er veilig bij. Ze leggen hun wil in zijn handen. Vroeger moesten wij de tsjekisten bewonderen, nu moeten de Russen Poetin en zijn hofhouding aanbidden. Bij de elite van de nieuwe rijken is alles geoorloofd. Gewone mensen worden op een ongekende schaal geïndoctrineerd. De propaganda is veel geraffineerder dan in mijn tijd. Het merendeel van de Russen laat zich via tv informeren, de propagandaorkaan komt dagelijks binnen.’

En daar is Dostojevski weer. ‘Hij heeft gewaarschuwd voor het verschil tussen echte vrijheid en slechte vrijheid, waarin mensen in hun eigen staatje hun eigen regels maken. Wat hij ook scherp zag: mensen zijn net kinderen, geef ze dansjes en speeltjes, brood, autoriteit en mysterie. Creëer rondom een leider mystiek, consolideer zijn goddelijke status en voeg er later, af en toe en onverhoeds, menselijke trekken aan toe. Dit zie je bij Poetin, hij heeft bij zijn derde herverkiezing een heel decor opgebouwd: het imago van de kleine man die leeft in een eenvoudig appartement terwijl hij steenrijk is en een ex-kgb’er. Bij de grote demonstraties tegen zijn bewind zag ik op spandoeken staan: “Wij zijn gegijzeld door criminelen.” Het is een echo van de coup uit 1917. De geschiedenis herhaalt zich al weer. Alleen met iets minder angst.’


Sana Valiulina, Kinderen van Brezjnev, Prometheus, 512 blz., € 19,95