Eilandenrijk: Het Citycollege biedt kansen

We zijn er nog nooit uitgestuurd

Op het Citycollege in Rotterdam praat iedereen Nederlands, en religieuze of nationalistische kleding komt er niet in. De school loopt voorop met integratie en burgerschap, toch is de onderwijsinspectie niet tevreden.

EDDIE HEEFT swagger, hij heeft stijl. De jongen is Angolees-Portugees en zit in havo 4. Hij weet wel hoe het Citycollege in elkaar zit: ‘Kijk, hier zitten de slimme mensen uit de hood, maar niet de slimme Nederlanders.’ Het katholieke Citycollege Sint Franciscus in Rotterdam-West biedt havo en vwo. Eddie kan zich niet voorstellen dat hij op een andere school zou zitten. 'Het Citycollege is als meneer Elshout, de leraar Nederlands: streng, maar je kan met hem lachen.’
Dertig jaar geleden was het Sint Franciscus een school voor de elite. De leerlingen kwamen toen uit de buitengewesten van Rotterdam, Overschie, Blijdorp, Krimpen, Capelle, Barendrecht, blanke kinderen uit welgestelde gezinnen. Nu komen de kinderen uit de Rotterdamse binnenstad en zit er nauwelijks meer een blanke leerling tussen. Eddie gaat het rijtje af: 'Kaapverdisch, Marokkaans, Surinaams, Turks, Chinees, Nederlands, Nigeriaans, Ghanees, Tunesisch, Afghaans, Egyptisch, Javaans, Portugees, hindoestaans, Thais, Pakistaans, Indonesisch, Eritrees, Porto Ricaans, Italiaans, Spaans, Braziliaans, Mexicaans, Antilliaans, Pools, Dominicaans, Burkina Faso, Curaçao.’ Meer kan hij niet bedenken, maar het lijstje is vast niet compleet. Al die kinderen weten wat swagger betekent, en fawaka, welu en mos. Welu is 'geen’, dus welu swagger betekent geen stijl. Fawaka betekent hoe gaat het, en mos is man.
Al 25 jaar is het de taak van rector Willem Vonk om dat heterogene geheel in goede banen te leiden. Volgend jaar, na een heel leven in het onderwijs, geeft hij het stokje over. Als jongen ging hij naar het gymnasium van toen nog het Sint Franciscus, 35 jaar geleden kwam daar de naam Citycollege bij. Na een studie scheikunde in Leiden keerde Vonk in 1979 als leraar terug naar zijn oude school en werd in 1986 rector. Vonk heeft het Citycollege zwart zien worden. In de jaren zestig, zeventig en tachtig kwamen veel arbeidsmigranten naar Rotterdam. Gezinnen werden herenigd, kinderen moesten naar school. De demografie van de stad veranderde en de school veranderde mee. In 1987 stak de directie dertigduizend gulden in een marktonderzoek. De conclusie was: hoe zwart wil je worden? De toenmalige conrector zei: 'Wij kiezen niet voor kleur. Wij kiezen voor leerlingen.’ Naar aanleiding van het onderzoek werden opnieuw de missie en visie van het schoolbeleid bepaald. Vonk: 'Wij wilden een school zijn die vanuit de binnenstad van Rotterdam goed onderwijs biedt ongeacht de kleur, afkomst of religie van de leerlingen. Als dat een zwarte school zou betekenen, so be it. Dat is tot op de dag van vandaag ons beleid.’ Dat beleid moet nu worden herzien, want volgens de onderwijsinspectie is het rendement van de school te laag.

RON ELSHOUT GEEFT het derde uur Nederlands aan vwo 4. De kleine man met kort haar en een kort baardje, brilletje op het voorhoofd, houthakkersshirt, geeft al 33 jaar les op het Citycollege. Hij legt de lat hoog. Elshout: 'Ik heb de naam leuk maar streng te zijn. Ik help je wel bij de aanloop, maar je moet zelf over de lat springen.’ Vwo 4 leest klassieke werken: Karel ende Elegast, Van den Vos Reijnaerde, Beatrijs. Tijdens de les geeft Elshout het historisch kader. In veertig minuten komt de hele ontstaansgeschiedenis van het christendom voorbij. Vanwege de katholieke grondslag van de school? Nee, puur toeval, het zit in het curriculum van het vak, zegt de leraar.
Hij brengt zijn lessen met humor. 'Er was eens een jonge revolutionair die tussenbeide kwam toen ze een hoer wilden stenigen. Wie was dat?’ Elshout kijkt naar de zes jongens en acht meisjes die in een cirkel voor hem zitten. 'Onze Jezus Christus natuurlijk.’ Achter hem een whiteboard waarop hij met stift een tijdbalk heeft getekend, van de prehistorie tot aan de Late Middeleeuwen. Aan de muur hangen ingelijste posters van gedichten. Hij legt uit dat Kerst op de kortste dag van het jaar valt en Pasen een lentefeest is. De christelijke feesten vallen samen met de heidense feesten, goed geregeld.
'Dat is ook zo dom van onze moslims.’ De kinderen zijn stil. 'Die moeten gewoon het Suikerfeest met Kerstmis vieren en het Slachtfeest met Pasen. Dan vindt iedereen het prima.’ De klas lacht. Ook het protestantisme komt aan bod. 'Die protesteerden tegen het biechten en het afkopen’, vertelt meneer Elshout. 'Ja, maar God weet toch of je het meent of niet?’ vraagt een meisje. 'Precies! De protestanten hadden een totaal andere opvatting van God!’ reageert de meester.
'Er is een geest in deze klas gevaren’, vertelt Elshout na de les. 'Ze beseffen dat er bij Nederlands wat te halen is. Het Citycollege is, wat heet, een zwarte school, maar op een uitzondering na gedragen deze kinderen zich geweldig. Ze komen uit sociaal zwakkere milieus en weten vaak niet dat er meer is. Maar achter dat heuveltje ligt nog een heuveltje, en daarachter nog een. Ik probeer ze die mindset te geven. Daarvoor zit ik in het onderwijs.’
De ervaren docent heeft een dagtaak aan het motiveren van zijn leerlingen. In vwo 4 is de knop om. 'Een groot verschil met het begin van het jaar. Nu zeggen ze: het is net of we los zijn.’ Maar dat er meer ligt achter het eerste heuveltje dringt niet tot iedereen door. Elshout strijdt tegen de oppervlakkigheid. 'De slimste jongen van het vwo kwam niet opdagen voor zijn boekpresentatie. Ik heb erover nagedacht en ik denk niet dat ik ’t doe, zei die. Als hij wat moeite moet doen, doet-ie het niet. Maar een meisje uit vwo 4 haalde een 9, dat kon zo in de krant, en zij kwam van helemaal niks.’

DE SCHOOLREGELS ZIJN DUIDELIJK: geen hoofddoekjes, maar ook geen andere religieuze of nationalistische kleding en geen andere talen dan Nederlands. Regels passend bij een duidelijke visie: op het Citycollege komt de school eerst, daarna pas het individu. Een visie geboren uit tientallen jaren ervaring met een multicultureel leerlingenbestand. In de laatste decennia van de vorige eeuw kwamen nieuwe groepen migranten naar Rotterdam. Vluchtelingen uit het Midden-Oosten, gevlucht voor de Eerste Golfoorlog en de Iran-Irakoorlog, maar ook grote groepen uit de Balkan, uit het geteisterde Joegoslavië en Bosnië.
'Die kinderen kwamen massaal bij ons op school’, zegt rector Vonk. 'Toen hebben we gezegd: wij zijn een Nederlandse school met de Nederlandse taal en cultuur. Het beleid in Den Haag onder leiding van de PVDA was iedere groep zijn eigen taal en cultuur, en dus ook gepast onderwijs in de taal van de nieuwkomers. Daar hebben wij nooit aan meegedaan.’ De leerlingen namen de politiek van thuis mee naar school en dat leidde tot spanningen. 'Kinderen gebruikten hun kleding om hun afkomst mee te benadrukken. Jij bent Kroaat, ik ben Serviër. Daar wilden we niks van weten. Geen shirts of tassen met opdrukken, geen kale koppen of Lonsdale-kleding. Op het Citycollege ben je allereerst deel van de schoolgemeenschap en daarna pas een individu. Eerst de plichten, dan de rechten.’
Daarop volgde het vraagstuk van de hoofddoekjes, een discussie die op het Citycollege vijftien jaar eerder werd gevoerd dan in Den Haag. Voor de hoofddoekjes gold hetzelfde argument als voor nationalistische of politiek getinte kleding. Vonk: 'We geven les over alle wereldgodsdiensten. We willen niet dat je uitstraalt dat de ene godsdienst beter is dan de andere.’ En het katholieke karakter van de school dan? Vonk noemt het 'multicultureel katholiek’: 'We leren de kinderen dat geloof hebben heel belangrijk is. We vieren de christelijke feestdagen, maar zorgen dat er altijd iets van alle godsdiensten in te herkennen is. Daarbij gaan we uit van de overeenkomsten tussen de religies. Andere religieuze feesten worden niet op school gevierd, maar de kinderen krijgen er wel vrij voor. We hopen dat de kinderen na vijf of zes jaar van elkaar weten wat ieders geloof inhoudt en hopelijk zijn er een paar bij die achteraf een heel bewuste keuze kunnen maken over hun eigen geloof.’
Ondanks de inspanningen van Vonk en zijn collega’s kreeg het Citycollege in 2009 een negatieve beoordeling van de onderwijsinspectie. De kwaliteit van de havo was voldoende, maar het vwo kreeg het stempel 'zeer zwak’. Vonk is er verbolgen over: 'Op alle onderdelen scoorden we goed, alleen het rendement lag te laag. Waar drie jaar terug de termen integratie en burgerschap nog de boventoon voerden, zijn die woorden nu in één klap uit de onderwijswereld verdwenen. Nu is het alleen maar presteren, presteren, presteren. Puur VVD, en helaas gaat het CDA daarin mee. De politiek wil tachtig tot 85 procent afstudeerders op het vwo, bij ons ligt dat tussen de vijftig en zestig procent.’

IN DE GANGEN is van de zorgen van de rector niets te merken. De leerlingen zijn in hun eigen politiek verwikkeld, die van undercover lovers en van wel of geen swagger. De Nigeriaanse tweelingzusjes Jacqueline en Stephanie zitten in de leerlingenraad en kennen het Citycollege als de binnenkant van hun broekzak. 'Deze school bestaat uit roddels’, zegt Jacqueline. Tijdens de grote pauze verschanst ieder vriendengroepje zich op zijn favoriete plekje in de school. Havo-meisjes bij de kluisjes, brugklassers en vwo'ers in de kantine, eenlingen in de trappenhuizen. Jacqueline en Stephanie zitten in vwo 4, wat recht geeft op een kluisje op vierhoog. Bruggers moeten door de knietjes om hun spullen op te bergen. De vijfde- en zesdeklassers delen de bovenste rij. 'Als er gevochten wordt, is het meestal bij de kluisjes’, zeggen de zusjes. 'Maar dat gebeurt bijna nooit meer. Vroeger werd er veel meer gevochten. Drie jaar geleden hadden we achthonderd kinderen en meer donkere mensen, was het nog diverser. Nu is meer dan de helft moslim en zijn er nog maar 580 leerlingen. Alleen de brugklassers willen af en toe stoer doen.’
Naast de kluisjes, over de breedte van de muur, hangt een spiegel van ongeveer anderhalf bij drie meter, voor de meisjes die buiten school een hoofddoekje dragen en ’s ochtends hun haar willen doen.
De trappenhuizen zijn favoriet bij de kinderen die zich liever wat afzonderen, 'kinderen die wat te verbergen hebben’. Stephanie: 'De buitenstaanders, maar ook wel gewone kinderen hoor.’ Op een zonnige gang staat een Nederlandse jongen met lang haar. Tegenover hem zit een blond meisje op de grond. 'Die jongen heeft het niet in de gaten als je hem pest. Maar hij wordt verder wel met rust gelaten. De Nederlanders die hier op school zitten zijn vaak wat aparte gevallen’, vertelt Jacqueline. 'En daar zie je dus de undercover lovers.’ Onder aan een trap zitten een Marokkaans meisje en een Kaapverdiaanse jongen. 'Stelletjes blijven liever undercover, want iedereen praat erover. Kinderen van verschillende afkomst denken daar verschillend over. Gekleurde mensen denken: maakt niet uit. Schoolfeestjes en zo, moet toch kunnen. Maar voor andere kinderen is het niet normaal. Ze denken dat je hoer bent. Dan krijg je haters, dat wil je niet.’
Tijdens het huiswerkuur van havo 2 is de concentratie ver te zoeken. Twee van de weinigen die wel wat doen zijn Romana en Alex. Zij is hindoestaans, hij Antilliaans. 'Wij zijn de kinderen die veel opletten en geen grapjes maken’, zegt Romana met een grote glimlach. Alex knikt instemmend. 'We zijn er nog nooit uitgestuurd.’ Romana droomde op de basisschool al over het Citycollege: 'Het is een gezellige school. De mensen zijn er voor elkaar.’ Ze lacht veel, haar buurman is stil. 'Soms discussiëren we wel over geloof, maar het is nooit echt ruzie. De grappenmakers? Dat zijn Samir, Serkan en Branco.’ Samir staat voor in de klas te schrijven op het bord: rioolrat + aap = Mo (bedreigde diersoort).
Zo stil als Romana en Alex zijn, zo aanwezig is de Marokkaanse Maryam. Wat ze zoal doet? 'Docenten irriteren. Ik discussieer graag met docenten, ik oefen vast voor als ik straks advocate ben.’ Haar vriendin Khadisha zit naast haar. Twee paar grote donkere ogen naast elkaar, allebei lange bruine krulletjes. Khadisha wil ook advocate worden, of anders kapster. De schoolregels komen ter sprake. 'Je mag geen Marokkaans praten, alleen Nederlands’, vertelt Maryam. 'Ik zeg eerlijk, ik zou het ook niet leuk vinden als ze naast me Turks zouden praten.’ In die regel kan ze zich wel vinden, maar dat hoofddoekjes niet mogen vindt ze te ver gaan: 'Als het zou mogen, zouden we het wel doen. Je wilt je op je gemak voelen toch?’

HET HOOFDDOEKJESVERBOD stuitte op discussies met ouders en op beschuldigingen van discriminatie van het Rotterdamse platform voor islamitische organisaties Spior en het bureau voor gelijke behandeling Radar. Tot een procedure is het nooit gekomen. Vonk: 'Wij verbieden het aan de poort. Wanneer ouders hun kinderen inschrijven tekenen zij een contractje waarmee ze de identiteit en de missie van de school erkennen.’ Hij maakt zich geen zorgen over de hoofddoekjesophef in de rest van het land: 'Of het debat hier weer opleeft? Ik denk het niet. Die discussie is bij ons volkomen achterhaald.’
Heeft het Citycollege zijn boontjes altijd zelf kunnen doppen, nu dreigt de onderwijsinspectie met ingrijpen. Vanwege de strenge evaluatie heeft de school haar toelatingsnormen enorm moeten aanscherpen. Vonk: 'Van de honderd aanmeldingen voor het komende jaar met vwo-advies kunnen wij er nog maar veertig aannemen. Dit jaar hebben we nog 580 leerlingen, volgend jaar zijn daar nog 440 van over. Vanuit onze visie een school te zijn voor de binnenstad van Rotterdam zijn we te ruimhartig geweest in ons toelatingsbeleid. We zijn een brede school met veel maatschappelijke activiteiten. Wij nemen leerlingen voor het eerst in hun leven mee naar een theater. Dat speelt geen enkele rol meer in de evaluatie. Nu gaat het om leertijduitbreiding: taal en rekenen. Puur rendementgericht.’
Volgend jaar gaat Vonk met pensioen. Hij hoopt dat het Citycollege na zijn afscheid de problemen het hoofd zal kunnen blijven bieden: 'Volgens de socioloog Bowen Paulle moet voor het voortbestaan van een school de verhouding tussen kansrijke en kansarme leerlingen ten minste zeventig-dertig zijn. Dan trekken de kansrijke kinderen de kansarme kinderen omhoog. Ligt het percentage kansarme leerlingen boven de dertig, dan gaat die groep overheersen. Een theorie die me pas vorig jaar bekend werd. Al onze kinderen komen uit de lage klasse. We zullen dus moeten zoeken naar het herstellen van die verhouding. En zo is de cirkel rond: we begonnen als eliteschool en daar moeten we nu weer naar terug.’
Vonk is het zichtbaar oneens met zijn eigen woorden: 'Ik zou het toch weer zo gedaan hebben. Ook al kun je achteraf zeggen dat het anders had gemoeten. Dat is de discussie met de inspectie: is het glas half vol of half leeg? De zestig procent die bij ons wél slaagt, die ontstijgt het eigen milieu.’