Het windmolenoproer (3) Komt het ooit goed?

‘We zijn geen voetveegjes’

Na jaren van intensief verzet en vandalisme is begonnen met de bouw van een grootschalig windmolenpark in de Drentse Veenkoloniën. In een drieluik peilt De Groene Amsterdammer de stemming. Deel 3 (slot): waar ging het mis en wat zijn de lessen voor de energietransitie?

Egbert Huiting houdt opruiming in zijn werkkamer. Hele mappen vol krantenknipsels en brieven komen uit stellingkasten tevoorschijn. Een opiniestuk over hoe de energietransitie leidt tot een nieuwe herverkaveling in de Veenkoloniën. Een verslag van het bezoek van een Portugese arts die kwam vertellen hoe het laagfrequente geluid van windmolens leidt tot vergroeiingen bij het vee. Huiting geeft alles mee. ‘Ik ga er niets meer mee doen’, zegt hij. ‘Anders gooi ik het weg.’

23 jaar lang was Huiting voorzitter van Dorpsbelangen, de vereniging die opkomt voor de inwoners van Gasselternijveenschemond, het lintdorp in Noordoost-Drenthe dat over een jaar zal zijn omsloten door twee lange rijen windmolens met een tiphoogte van meer dan tweehonderd meter. Sinds in 2010 ineens bekend werd dat er bij de Drentse monden een grootschalig windpark zou komen, heeft Huiting zich ingezet om de plannen te verhinderen.

Daarvan getuigt onder meer een doos vol brieven en bezwaarschriften die hij heeft geschreven naar raadsleden, wethouders, gedeputeerden, Kamerleden, ministers, de Raad van State. Ernaast staat een doos met antwoorden: stuk voor stuk afwijzingen. Mompelend tegen zichzelf: ‘Waarom heb ik dit alles toch gedaan… Tjongejonge, wat een verloren energie…’

Om meer dan één reden is de gemoedstoestand van Egbert Huiting exemplarisch voor de toestand in de Drentse Veenkoloniën. Het jarenlange gesteggel met de windmolens heeft hem en vele anderen murw geslagen. Al het verzet heeft niets opgeleverd en nu er eindelijk wordt gebouwd, lijkt alle puf er wel uit. Zoals zijn straatgenoot Elly van der Putten, tweeënhalve kilometer verderop, thuis op de bank eens verzuchtte: ‘Al dat geouwehoer over die molens, ik wil gewoon de rust terug.’

Eigenlijk is Jan Nieboer, boegbeeld van het lokale verzet, zo ongeveer de enige die niet van opgeven weet. Rond de tijd van de eerste zitting van een zaak over bedreiging van windmolenbouwers waarin hij medeverdachte is, begin oktober, liet Nieboer in een e-mail monter weten: ‘Onze strijd gaat onverminderd door.’ En zowaar, nog altijd liggen er bezwaarschriften waarop de Raad van State niet heeft geantwoord en bij de rechtbank ligt nog een aanklacht van Dorpsbelangen Gasselternijveenschemond.

Bij Huiting ging de strijd niet in de koude kleren zitten. ‘Ik kon er soms niet van slapen’, zegt hij nu. Als we elkaar spreken in zijn werkkamer herstelt Huiting van een operatie waarmee een ernstige bloeding is gestopt. De rollator en de rolstoel heeft hij net teruggebracht naar het ziekenhuis. Op de hometrainer in de hoek van de kamer moet hij weer op krachten komen. Op het prikbord hangen tekeningen van de kleindochters: ‘Heel veel beterschap opa!’

Of zijn gezondheidsklachten, die zich jarenlang hadden opgebouwd, iets te maken hebben met zijn strijd tegen de windmolens? Even is hij stil. Hij lijkt zich wat ongemakkelijk te voelen. ‘Ja, dat heeft er wel mee te maken’, begint hij. ‘Al die stress, al die ingehouden woede…’

Ook daarin staat Huiting niet alleen. Spanningen en boosheid om de windmolens leidden ertoe dat een goede vriend van hem besloot het gebied te verlaten. Ook Bertha Bos is verhuisd. Zij en haar man wilden niet tegen een rij windmolens aankijken. De actieposter tegen de windmolens liet ze achter voor de volgende bewoner. ‘Ik heb altijd meegedaan aan alle acties’, zegt ze. ‘Het hielp niets. Telkens als ik in de krant lees over de windmolens vliegt het me weer aan.’

De frustratie moet bij enkelen zozeer zijn opgelopen dat ze naar extreme middelen hebben gegrepen. Zo zijn er tot vandaag vier mensen gearresteerd en vastgezet in verband met het onderzoek naar bedreigingen en verspreiding van asbest. Dat zijn – zo mogen we aannemen – verder keurig nette burgers die zich hebben laten meeslepen. Anderen waren zich bewust van het gevaar. Toen Rieks van der Wal zich ermee ging bemoeien, zei hij tegen zijn vrouw: ‘Als je aan mij merkt dat het een obsessie wordt, dat het onder m’n huid kruipt, dan moet je ingrijpen.’

Stress was er net zo goed aan de kant van de tientallen initiatiefnemers van windpark De Drentse Monden en Oostermoer. Zij moesten steeds meer geld lenen bij de bank voor een windpark dat steeds werd uitgesteld en steeds duurder werd, en waarvan de opbrengsten pas komen zodra er stroom wordt geleverd. ‘Dat heeft bij sommigen van ons voor heel wat slapeloze nachten gezorgd’, weet Harm Jacob Speelman, een boer uit Eexterveen die zelf ook investeerder is.

En dan waren er natuurlijk nog de spanningen die volgden op de brandstichtingen, vernielingen en dreigbrieven. Een boer die anoniem wil blijven, vertelde aan de keukentafel over een kaartje dat in de aanloop naar de kerstdagen met de post werd bezorgd. In een tijd dat de schuur van een initiatiefnemer van het windpark in de fik was gegaan las hij: ‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, waar is de volgende brand?’ Daarover zei hij: ‘Zoiets hakt er best in.’

Wat is nu de kern van al die schade, bij mensen in het privéleven en in het dorpsleven? Komt het weer goed? En hoe kan escalatie als in Noord-Drenthe worden voorkomen bij de verdere uitrol van de energietransitie?

De botsing in de Veenkoloniën wordt vaak gepresenteerd als een botsing tussen boeren en burgers. Ze kijken verschillend naar de wereld om zich heen. Dat wordt duidelijk als zonnepanelen ter sprake komen – en die kwamen in de afgelopen jaren nogal eens ter sprake. Was het niet mogelijk om akkers vol met zonnepanelen te leggen, bedachten enkele ondernemers uit de regio, zodat er een dikke streep door de windmolens kon?

Dat kon, zo berekenden ze. Om evenveel stroom te produceren als de 45 geplande windmolens had je 230 hectare nodig: ongeveer de oppervlakte van de Amsterdamse Zuidas, of de helft van het eilandje Rottumerplaat. De bedenkers van Zonkoloniën, zoals het plan ging heten, schoven hun idee enthousiast naar voren als vervanger van het zo verfoeide windpark. Rieks van der Wal, naamgever en een van de aanjagers: ‘Als je de politiek niet kunt benaderen met een alternatief voor CO2-reductie ben je kansloos. Iedereen was voor.’

Even leken de zonnepanelen voor enige opluchting te zorgen in de regio. Jan Bezema, uit Gasselternijveenschemond: ‘Bij zonneparken heb je geen geluidsoverlast en er is geen hinder in het zicht. Als je mensen vraagt te kiezen tussen windmolens en zonnepanelen, kiest iedereen voor zon.’

Dat is dan: iedereen minus de boeren. Zij moeten er niets van hebben. Een windboer die anoniem wil blijven, verwoordt hun gevoel zo: ‘Met zonnepanelen heb je geen grond meer. Er zijn nog genoeg daken waar je zonnepanelen op kunt leggen, maar in het land is het zonde.’ Met een paar vierkante meter rondom zo’n paal heb je tenminste nog volop ruimte om gewassen te verbouwen, vinden de boeren. Dat is allemaal weg als er overal zonnepanelen liggen.

Dat zeggen niet alleen de honderd boeren die zijn aangesloten bij het windpark. ‘Liever nog vijftig windmolens erbij dan zonnepanelen’, zegt Wim Vedder, een melkveehouder die schuin tegenover Huiting woont en geen windmolen op zijn land krijgt. Met een wegwerpgebaar: ‘Zonnepanelen glinsteren in de zon en ontnemen het uitzicht. Prima om ze op daken te leggen, maar toch niet op ons land?’

Het meningsverschil over windparken en zonneweiden raakt aan een cruciaal verschil in zienswijze. Boeren spreken van ‘land’, omwonenden van ‘landschap’. Akkerbouwers, tuinbouwers en veehouders: zij zien de grond als hun werkterrein. Dit is waar ze met hun machines en noeste arbeid de natuur verzorgen en bewerken, zodat ze er nuttige diensten aan onttrekken. Burgers als Huiting en Bezema daarentegen zien de grond met alles wat erop groeit en bloeit als een door God gegeven uitzicht, als een eeuwige horizon om de hele dag overheen te kunnen turen. Wee degene die daar iets aan verandert!

De onenigheid over de ingrepen in de leefomgeving onderstreept misschien ook een tweede verschil dat heeft bijgedragen aan de botsing. Je hebt mensen die geld verdienen door een onderneming op te bouwen en je hebt mensen die aan het einde van de maand een salaris of uitkering krijgen. Boeren zien zichzelf graag als ondernemers. Zij zijn bereid risico’s te nemen en moeten kansen pakken om hun bedrijf draaiende te houden. Als omwonenden gaan dwarsliggen en eisen stellen, raken ze geïrriteerd.

Het verklaart waarom Egbert Huiting – die als chemicus veertig jaar werkte voor Gasunie – op een dag een telefoontje kreeg van Bert Kruit, een boer en mede-initiatiefnemer van het windpark. ‘Hij was kwáád’, herinnert Huiting zich. Huiting had een stukje geschreven in het huis-aan-huisblaadje dat ook bij Kruit in de brievenbus was gevallen. Als voorzitter van Dorpsbelangen had Huiting opgeroepen om vooral géén afspraken te maken met het windpark over financiële compensatie, want dan kon je geen verzoek meer indienen voor planschade, oftewel schadevergoeding voor de waardedaling van je woning als gevolg van een nieuw bestemmingsplan, zoals de komst van windmolens. ‘Bert riep dat ik een waardeloze voorzitter was en dat-ie zijn lidmaatschap opzegde.’

Desgevraagd ontkent Kruit. Althans, hij herinnert het zich anders. ‘Egbert bracht dingen naar buiten die niet waar zijn. Dat je als boer honderdduizend euro verdient per molen, dat soort verhalen. Daar hebben wij nu nog altijd last van met al die shit die wij over ons heen krijgen.’ Onder leiding van Huiting zou Dorpsbelangen volledig zijn ‘doorgeslagen’, vindt Kruit. ‘Egbert heeft zich er te veel in vastgebeten.’ Op zijn beurt ontkent Huiting dat hij dergelijke bedragen heeft genoemd: ‘Dikkeduimenwerk van mijn “vriend”.’

Al het verzet tegen de windmolens heeft niets opgeleverd

Vroeger zaten ze in het dorp bij elkaar op school, Egbert en Bert. Als zoon van de kruidenier kwam Huiting bij iedereen in Gasselternijveenschemond over de vloer, om boodschappen te brengen of geld op te halen. Maar niet bij de familie Kruit. ‘Dat was een rijke boer, hè?’ zegt hij veelbetekenend. ‘Daar kwam je niet.’

‘Een windboer zei eens in de krant dat met geld alles op te lossen is. Zo denken zij dus. Wij niet. Wij denken aan ons woongenot, aan de rust, aan elkaar’

Die opmerking raakt aan een derde botsing die met de komst van de windmolens is aangescherpt. Uiteindelijk, zo lijkt het soms, gaat het in de Veenkoloniën allemaal om geld. Wie windmolens ziet als ongewenste ontsieringen van het landschap kan maar moeilijk verdragen dat anderen eraan verdienen en klaagt dat ze ‘slapend rijk’ worden. Wie eraan verdient, wijst er graag op dat de molens ook voor de regio geld zullen opleveren. Immers, volgens een gedragscode in de energiesector levert elk windpark een bijdrage aan een gebiedsfonds: vijftig cent per opgewekte MWh. Dat is, afhankelijk van de wind en de molen, in het geval van de Veenkoloniën gemiddeld ruim drie ton per jaar, vijftien jaar lang.

Door daar telkens op te wijzen proberen de windboeren in hun gemeenschappen de gemoederen wat te sussen. ‘Allerlei dorpsinitiatieven en verenigingen kunnen er een mooi bedrag aan overhouden’, zegt een windboer die anoniem wil blijven. ‘Het kan allemaal ten goede komen van de leefbaarheid.’ In de kantine van de sportclub zegt hij graag: ‘Wacht maar, dat windpark wordt jullie beste sponsor.’

Voor de penningmeester van het armlastige dorpshuis in Gasselternijveenschemond werkt het niet automatisch zo. ‘Als ik het geld aanneem, is dat voor de helft van het dorp besmet geld’, redeneert Ben van der Putten. ‘Dan komen ze niet meer en kunnen we de boel wel sluiten.’ Daarom heeft hij gevraagd bij de Omgevingsadviesraad – een overlegorgaan waarmee omwonenden in gesprek gaan met windboeren – of je het geld mag aannemen zonder daarmee de windmolens goed te keuren. Dat mag. ‘Nu is het zeer voor mij uit de lucht.’

Hoewel. Hij vervolgt: ‘Ik heb bar weinig verwachtingen van dat hele gebiedsfonds. Wat wil je, na jaren van liegen en bedriegen?’

Of gaat het tóch niet altijd om geld? Miriam Ootjers die vanuit haar tuin in Nieuwediep vele kilometers ver kan kijken en de nodige windmolens in het zicht zal krijgen: ‘Al geven ze me honderdduizend euro, ik wil het niet. Een windboer zei eens in de krant dat met geld alles op te lossen is. Zo denken zij dus. Wij niet. Wij denken aan ons woongenot, aan de rust, aan elkaar.’ Jan Bezema: ‘Met geld los je het niet op.’ Zijn verhuisde oud-dorpsgenote Bertha Bos zegt ook dat ze geen geld wil. ‘Ik ben 86 jaar. Wat moet ik met geld? Ik wil gewoon dat die molens er niet komen.’

Louis Zeegers, die in Stadskanaal woont, is cynisch. ‘Ah, dus dan krijgen wij een zwembad, of een bibliotheek, of een speeltuin met een wipkip? Elders in het land krijgen de burgers dat gewoon van de gemeente, maar wíj moeten hiervoor de windboeren op onze knietjes bedanken? Ik dacht het niet.’

Voor Bert Kruit is het genoeg om te concluderen: ‘Tja, voor sommigen is het altijd een nul te weinig.’

Land of landschap, eraan verdienen of niet: het zijn belangrijke kwesties. Maar de échte botsing is misschien eerder tussen volk en politiek. Zoals Bertha Bos het zegt: ‘Je moet niet de windboer erop aanspreken, maar de politici: zíj zijn verantwoordelijk.’ En wie er precies op het pluche zit, maakt niet uit, vindt Diet Groenhof: ‘Niemand heeft vertrouwen in de politiek.’

Het zonnetje schijnt als het land op 23 mei mag stemmen voor het Europees Parlement. In Gasselternijveenschemond doe je dat in het dorpshuis. Als Ali Edelenbosch om 10.06 uur naar buiten komt, is zij nummer 28 die er een vakje op het formulier mocht aankruisen. Over politiek weet zij het een en ander; ze was acht jaar lid van de Provinciale Staten van Drenthe en twaalf jaar lid van Gedeputeerde Staten. Over de gevestigde politiek is ze niet erg te spreken. ‘De overheid is er om alle burgers te beschermen en dat gebeurt niet’, zegt Edelenbosch. ‘De windmolens worden ons door de strot gedrukt. De arrogantie! Alsof we voetveegjes zijn. Als je wil dat burgers kwaad worden, moet je het zo doen.’

Tijdens een hobbymiddag in het dorpshuis hadden inwoners van Gasselternijveenschemond en omstreken al eens gesproken over politiek en de verkiezingen. Dat ging ongeveer zo:

‘Wat ik stem? SP, altijd gedaan. De enige partij die hier op bezoek is geweest, hè?’ >
‘De pvda is hier ook geweest, hoor.’
‘En het cda.’
‘Ja, maar dat is een boerenpartij.’

Op de vraag of er iemand is die pvv stemt: ‘Ach, die Wilders: daar komt geen fatsoenlijk woord uit. Altied maor over die buut’nlaanders.’

‘Die Jesse Klaver lijkt me wel wat.’
‘Maar die is hartstikke voor windmolens!’

En Forum voor Democratie dan? Die partij had tenminste niets te maken met de windmolens? ‘Nou, dat is misschien wel goed, ja. Weer eens iets anders. Zou ik zó op stemmen.’

‘Ach, die Thierry zegt van die gekke dingen.’
‘Ja, maar er zit wel altijd een kern van waarheid in.’
‘Welnee, allemaal flauwekul.’

Even lijkt er overeenstemming dat je bij verkiezingen in elk geval moet gaan stemmen. ‘Ja, absoluut.’ ‘Precies, dat hoort zo.’ ‘Tuurlijk, anders heb je geen recht van spreken.’ Totdat iemand droogjes opmerkt: ‘Och, dat heb je sowieso niet.’

Het is een cynische conclusie die ook Egbert Huiting op een goed moment trok. Met een handvol streekgenoten had hij in 2015 een ontmoeting met toenmalig minister Henk Kamp. Het was bij Horecacentrum Spa in Tweede Exloërmond. De bewindsman had een halfuur. Buiten liet de chauffeur de motor van de Mercedes draaien. Binnen begon Kamp omstandig uit te leggen wat het nut van duurzame energie was toen Huiting hem onderbrak. Hij had een heel epistel voorbereid en las ’m voor.

Huiting vertelde over de samenhang in zijn dorp die uiteenvalt nu er windmolens dreigen te komen. Over dat hij en vele anderen ontelbare avonden van huis waren om te vergaderen om hun democratische verzet vorm te geven en om alternatieven te vinden voor CO2-besparing. Over dat de minister daar dwars doorheen dendert en de windmolens er doordrukt. Over dat hijzelf geen enkel vertrouwen meer in de overheid heeft en dat hij heeft besloten om er vanwege zijn gezondheid mee te stoppen. (Dat was, voor de goede orde, vier jaar voordat Huiting besloot er écht mee te stoppen.)

‘Na afloop klopte Kamp mij op de schouder’, vertelt Huiting meewarig. ‘“Ik weet dat het moeilijk is”, zei hij. Het moest vast vaderlijk klinken, maar kom op, zeg, ik ben een man van zeventig.’

Het zou dan ook niet gek zijn als de vvd, die in Eric Wiebes ook de opvolger van Kamp leverde om het Klimaatakkoord uit te voeren, zich in de Veenkoloniën onmogelijk heeft gemaakt. Niettemin bleef de vvd bij de Provinciale-Statenverkiezingen in maart de grootste partij in de gemeente waarvan Gasselternijveenschemond deel uitmaakt. In de gehele provincie behaalde de vvd, net als vier jaar daarvoor, samen met de pvda de meeste zetels, deze keer aangevuld met Forum voor Democratie dat overal in het land een klinkende zege behaalde. Even verderop, in Oost-Groningen, wist de nieuwkomer zelfs de hegemonie van de SP te doorbreken.

ict-ondernemer Tjipke Paas is een van de mensen die FvD steunt. Nadat hij zich jaren had ingezet om het idee van Zonkoloniën te presenteren als alternatief voor de windmolens raakte hij ‘enorm teleurgesteld’ in de gevestigde politiek. Op zijn kantoor in Stadskanaal vertelt hij over de gesprekken met gedeputeerden en ministers. ‘Als je ze informeert met uitgewerkte, doorgerekende plannen, kijken ze je glazig en ongeïnteresseerd aan. Wij zijn enorm geschrokken van de arrogantie en de droevig lage dossierkennis.’

Het leidt ertoe, zegt Paas, dat steeds meer mensen ‘vol onbegrip en afkeuring’ naar de politici in Den Haag kijken. ‘Daar in hun kaasstolp maken ze de meest onlogische keuzes, compleet los van de realiteit. De taken die ze vanuit Brussel opgelegd krijgen, voeren ze kil en respectloos uit.’ Paas spreekt van ‘ondoordacht doordrukbeleid’ en een ‘schijndemocratie’.

Geen wonder dus, stelt hij, dat mensen onrustig worden. ‘Dit land hoort te worden bestuurd door mensen uit de praktijk met menswaardige overtuigingen, respect voor de Nederlandse cultuur en praktische kennis en ervaring’, vindt Paas. ‘Op zijn Gronings gezegd: nuchtere mensen met de poten in de blubber. Dan worden burgers weer rustig en zal het verloren respect voor Den Haag langzaam weer worden hersteld.’

Slijten doet het vast. Maar hier in de Veenkoloniën is het een stijfkoppig volk. De kaken gaan op elkaar, maar onderhuids verdwijnt de wrevel niet zo snel

Ze hadden het kunnen weten. Er was een onderzoek gedaan naar het draagvlak voor de windmolens. Het was een voorwaarde die het ministerie van Economische Zaken in 2010 had gesteld om de zogeheten Rijkscoördinatieregeling te verlenen. Daar hadden de initiatiefnemers van het windpark om gevraagd, want zo konden ze de tegenstribbelende bestuurders in Drenthe omzeilen.

Dat draagvlak bleek er niet te zijn. Onderzoeksbureau Enneüs ondervroeg duizenden Veenkolonialen. Bijna tachtig procent was ‘tegen’, dan wel ‘sterk tegen’, tien procent was vóór de komst van het windpark, de rest had geen mening. De resultaten, gepubliceerd in 2014, gaven de tegenstanders een sprankje hoop. Mooi, dachten ze, de windboeren kunnen wel inpakken. Op het betonnen kunstwerk langs de N379 tegenover de plek waar inmiddels de eerste windmolen van het park is verrezen, staat een herinnering aan dat onderzoek. Met witte verf is erop gekalkt: ‘80% WIND NEE!’

Maar de regering hanteerde een andere opvatting van draagvlak; zij had politiek draagvlak in de Tweede Kamer, plus nog eens maatschappelijk draagvlak van de ondertekenaars van het Energieakkoord, zoals Greenpeace, LTO Nederland, de NS, Bouwend Nederland, de anwb en de Fietsersbond. Einde discussie.

Toch was er een beroep gedaan op het draagvlak toen de provincie besloot meer windmolens te accepteren. Dat deed Anneke Haarsma in haar rol als gedeputeerde. In een gebiedsvisie voor Drenthe, in december 2009 afgerond, was maar weinig ruimte voor windmolens, en dan alleen bij Emmen en Coevorden. Daarna lag het plan ter inzage, klaar om reacties te verzamelen. In april 2010, een maand na de gemeenteraadsverkiezingen, sprak Haarsma dat ‘het toenemend maatschappelijk draagvlak voor windenergie’ haar had doen besluiten om ruimte te bieden aan meer dan drie keer zoveel windmolens – en wel in de Veenkoloniën, omdat ze daar ‘het meest geschikt’ zijn, want passend bij de historie van energiewinning. ‘In de rest van Drenthe zetten wij een ongestoorde beleving van het landschap centraal.’

Maar ho, ho, wacht even, zegt ex-wethouder Jacob Bruintjes als hij in zijn woonkamer in het centrum van Borger, op vijfhonderd meter van ’s lands grootste hunebed, terugblikt op de afgelopen jaren: ‘Het maatschappelijk draagvlak is toch niet in een paar maanden tijd zo enorm toegenomen dat het zo’n drastische wijziging kan rechtvaardigen? Haarsma is toch niet op een ochtend wakker geworden en heeft toen gedacht: goh, wat is dat draagvlak nou ineens groot geworden?’

Volgens Bruintjes, die Engelse literatuur heeft gestudeerd, is er geen Engels woord voor draagvlak. Het is typisch Nederlands. ‘Dat heeft te maken met onze vergadercultuur’, redeneert hij. ‘In een vergadering mag je je mening uiten. Zelfs als er niets mee wordt gedaan voelt de Nederlander zich dan toch voldaan, want hij is tenminste gehoord. Maar in de Veenkoloniën hebben mensen nooit ergens over vergaderd.’

Het is een lastig woord, draagvlak, erkent Arthur Vermeulen, directeur Wind bij projectontwikkelaar Pure Energie. Al bijna twintig jaar geleden trok hij naar de Veenkoloniën om de interesse in windmolens te polsen. Van zijn communicatiemanager mag hij het woord ‘draagvlak’ niet meer gebruiken. Want welke betekenis geef je eraan? Vermeulen doet een poging: ‘Is er draagvlak als er in onze representatieve democratie een politieke meerderheid is, van de mensen die wij hebben gekozen om het volk te vertegenwoordigen? Of moet je bij mensen langs de deur om te vragen of ze het ermee eens zijn? En is 51 procent dan draagvlak, of moet iederéén het ermee eens zijn? En wie moet je allemaal vragen: alleen de mensen binnen een straal van zeshonderd meter, of een kilometer, of álle inwoners van Drenthe?’

En trouwens, voegen de windboeren toe: het antwoord op de vraag of je een windmolen in de buurt wel of niet ziet zitten, hangt af van het moment dat je de vraag stelt. Stel je die vraag in een periode dat de beslissing al is genomen en er verhitte debatten en protestacties gaande zijn, zoals is gebeurd? Of kun je dat beter doen vóórdat je eraan begint? Uit enquêtes die Pure Energie houdt wanneer ze ergens gaan rondkijken, zou blijken dat een ruime meerderheid zegt er geen probleem mee te hebben als er een windmolen op zeshonderd meter van hun huis zou komen. Dat was ook de uitkomst van hun eigen onderzoek in de Veenkoloniën in 2008, toen niemand nog wist van concrete plannen.

Draagvlak: Tjisse Stelpstra, lid van Gedeputeerde Staten in Drenthe, struikelde al eens over dat woord. Draagvlak hoeft er niet altijd te zijn, zei hij voor de camera’s van televisieprogramma De monitor. Stelpstra, met een doctoraal in staatsrecht, legde uit: ‘De rol van de volksvertegenwoordiging is juist om beslissingen te nemen, soms dwars door het draagvlak heen.’ En: ‘Ik vraag me af of het verstandig is om overal maar draagvlak voor te willen hebben.’

Stelpstra lag toch al onder vuur. De gedeputeerde namens de ChristenUnie moest het ontgelden op een berucht affiche dat hij bij hem in de straat zag hangen toen hij op een zondag uit de kerk kwam. Hij was met een nazipet afgebeeld als de ‘beul van Drenthe’. Op zijn werkkamer in het provinciehuis in Assen legt Stelpstra nog eens uit wat hij bedoelde. ‘Draagvlak kán niet altijd’, klinkt het vol overtuiging. ‘De overheid is er voor het algemeen belang. Dan moet je soms besluiten nemen waar niet iedereen het mee eens is.’ Hij betreurt het dat er zo’n commotie ontstond rond zijn uitspraken. Hij werd zelfs bij de Staten op het matje geroepen. ‘Ze waren boos dat ik het gezegd had’, kijkt hij terug, ‘maar niemand heeft het tegengesproken.’

Als omwonenden gaan dwars­liggen en eisen stellen, raken boeren geïrriteerd

Dat belooft dan nog wat, de komende jaren. Want met de transitie naar duurzame bronnen zullen er nog heel wat windmolens bij komen. In 2030 moet 37 procent van alle energie in Nederland komen uit zon, wind en biomassa. Momenteel is dat 7,4 procent. Zoals Wim Wolters, algemeen directeur van windpark De Drentse Monden en Oostermoer, zegt: ‘De energietransitie gaat een heel duidelijke ruimtelijke impact hebben. Mensen gaan dat merken.’

En ze gaan dat waarschijnlijk eerder merken dan via een berichtje in de krant, zoals de inwoners van de Veenkoloniën. In de windenergiesector is het steeds gebruikelijker om al vroeg de verbinding te zoeken met mensen in de omgeving. Zo worden ze bijvoorbeeld uitgenodigd om mee te denken over de exacte locatie en om mede-ondernemer te worden. In een ideaal scenario, waarover het Klimaatakkoord spreekt, is vijftig procent van een windpark in eigendom van omwonenden. Kosten en opbrengsten worden gedeeld.

Dat leidt er soms toe dat je vanuit omwonenden uitgesproken tegenstanders hebt die zich tot de gemeenteraad en bestuurders wenden, zoals nu vaak het geval is, maar óók een groepje uitgesproken voorstanders. ‘Dan weet je weliswaar zeker dat niet iedereen het ermee eens zal zijn’, zegt Vermeulen, ‘maar de kwaliteit van een open en gewetensvol proces wordt dan meegewogen in de politieke besluitvorming.’

De windboeren geven verder aan dat er vanuit de gemeente en provincie meer steun moet zijn. Als het rijk de coördinatie voert, zoals het geval is bij grote windparken, moet het ministerie erop toezien dat de lagere overheden hun verantwoordelijkheden nemen – en niet gaan dwarsliggen, zoals in Drenthe gebeurde.

Een van die dwarsliggers, Jacob Bruintjes, vindt echter dat hij zich als wethouder ‘eerder minder dan meer’ had moeten schikken. ‘Nu roept iedereen dat we het zó nooit meer moeten doen’, zegt hij met lichte frustratie. ‘Maar het is niet zo dat er nooit signalen waren dat het zo niet moest. Dat was aan dovemansoren gericht. Niemand heeft de fouten willen corrigeren toen het nog kon.’

Een andere les wordt verwoord door Bert Kruit: ‘Je moet met elkaar om de tafel en eruit proberen te komen.’ Maar, voegt hij toe: niet voor iedereen is er plek aan die tafel. ‘Géén energie steken in mensen als Jan Nieboer en actiegroepen die niet willen meebewegen.’ Ook Rob Rietveld, ooit verbonden aan actiegroep Tegenwind Veenkoloniën en nu directeur van de Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines, heeft geleerd dat mensen best bereid zijn tot acceptatie, ‘zolang er maar een dialoogvorm is én een besef waarom er windmolens moeten komen en waarom precies op die plek’.

Komt het goed? Op die vraag volgt in de Veenkoloniën doorgaans een korte denkpauze. ‘Och, tja, wat za’k ’es zeng’n…’ Miriam Ootjers is stellig: ‘Het is te laat om het nog goed te krijgen.’ Ali Edelenbosch, aarzelender: ‘Ach, mensen zullen er vast wel aan wennen. Over een jaar of tien of zo.’ Jaap Munneke: ‘Wennen? Ik geloof er niets van.’

De windboeren zijn optimistischer. Ze verwijzen naar Duitsland, waar al langer veel meer windmolens staan. Daar gaat het toch ook goed? Harm Jacob Speelman: ‘Het moet zijn tijd hebben. Over een paar jaar zal het hier wel weer normaal zijn. Sommigen zullen het niks vinden, die windmolens. Anderen zullen zeggen: ach, het valt best mee.’

Verandering is altijd moeilijk, weet windboer Speelman. ‘Toen er ruilverkaveling kwam, kreeg je zwarte gezichten. Achteraf zeggen diezelfde mensen dat het toch wel goed is geweest.’ En zo gaat het altijd. Komen er bomen in het landschap, klagen de mensen dat ze een open gebied willen. Moeten de bomen later worden gekapt, zijn ze dáár weer tegen.

‘Komt het goed…’ Een collega van Speelman herhaalt de vraag langzaam. Zoals ze tijdens het hele gesprek op haar hoede is, blijft ze ook nu waakzaam: ‘Is er iets fout dan? Als je altijd je best hebt gedaan om met iedereen te praten, als je alle procedures netjes hebt doorlopen, als je aanpassingen hebt gemaakt om anderen tegemoet te komen, als je financieel een bijdrage levert aan de ontwikkeling van de regio… Is er dan iets fout?’

Slijten doet het vast. Maar hier in de Veenkoloniën is het een stijfkoppig volk. De kaken gaan op elkaar, maar onderhuids verdwijnt de wrevel niet zo snel. Jacob Bruintjes spreekt over de windmolens als de littekens die in het landschap zullen achterblijven als herinnering aan een fikse wond. ‘De mensen hier zullen dag in dag uit worden herinnerd aan iets wat hen is opgedrongen en er is neergezet, zonder dat zij het wilden of erover mochten meepraten.’

Dan haalt Bruintjes de woorden van Shakespeare erbij. In oud-Engels: ‘Treade a worme on the tayle, and it must turne agayne.’ Oftewel, zelfs een worm zal zich omdraaien als er op hem getrapt wordt. Vroeg of laat krijg je dat terug.

Windmolen-drieluik

Voor deze artikelserie keerde journalist Marco Visscher terug naar zijn Drentse geboortegrond. Sinds het voorjaar sprak hij met tientallen mensen uit de Veenkoloniën over windpark De Drentse Monden en Oostermoer: van omwonenden en actievoerders tot initiatiefnemers en bestuurders. Visscher, auteur van De energietransitie: Naar een fossielvrije toekomst, maar hoe?, werkt aan een boek over de sociale kant van de energietransitie. Dit is het derde en laatste deel van een drieluik over de windmolens in Drenthe. Eerder verschenen ‘We doen toch niets wat niet mag?’ en ‘Vroeger had je de herenboeren, nu heb je de windboeren’.