Abram de Swaan over geweld in beschaafde staten

‘We zijn goed in het niet-willen-weten’

In Compartimenten van vernietiging beantwoordt socioloog Abram de Swaan de vraag hoe fatsoenlijke mensen medeplichtig kunnen worden aan massamoorden. ‘Ik denk dat het heel simpel begint, met grapjes over de ander.’

Halverwege zijn studie The Better Angels of Our Nature (2011) komt de socioloog en linguïst Steven Pinker met een flinke opsomming van de moordpartijen die hij tot dan toe heeft behandeld: homicide, democide, genocide, ethnocide, politicide, regicide, infanticide, neonaticide, filicide, siblicide, gynecide, uxoricide, matricide en zelfmoordterrorisme. Denkt u hierbij aan de afgelopen eeuw? Guess again. De twintigste eeuw, met alle massamoorden, woog niet op tegen de doden die door geweld vielen in eerdere eeuwen. Pinker presenteert een onderzoek van de 21 conflicten die de meeste slachtoffers te betreuren hadden: op de eerste plek staat de Tweede Wereldoorlog, met vijftig miljoen slachtoffers. Op de tweede plek de doden (vooral door geplande verhongering) onder Mao Zedong in China, met zo’n veertig miljoen slachtoffers. En op de derde plek de slachtoffers van Mongoolse veroveringen, eveneens zo’n veertig miljoen.

Maar, wordt erbij vermeld, de slachtoffers van de oprukkende Mongolen vielen in de dertiende eeuw, toen er veel minder mensen op de wereld leefden. Als je die veertig miljoen zou extrapoleren naar twintigste-eeuwse bevolkingsaantallen dan zouden het er 278 miljoen zijn. Als je deze ‘top 21’ zo zou bijstellen zou alleen de Tweede Wereldoorlog de top-tien halen, op een bescheiden negende plek. Op de absolute eerste plek zou dan de An Lushan-burgeroorlog staan (een oorlog die zo onbekend is dat hij geen Nederlandse Wikipedia-pagina heeft): in de achtste eeuw in noordelijk China zouden 36 miljoen mensen zijn omgekomen, wat volgens Pinker neerkomt op een zesde van de totale wereldbevolking van toen. Nu blijven de oude cijfers van het aantal slachtoffers enig giswerk, maar omgerekend naar twintigste-eeuwse bevolkingsaantallen zou dat betekenen dat het er meer dan vierhonderd miljoen moeten zijn.

Pinker zegt dat de menselijke geschiedenis een waterval van bloedverlies is, maar dat als je de longue durée bestudeert, je ziet dat het geweld alleen maar minder is geworden. De curve van geweld gaat omlaag, de betere engelen van onze natuur winnen het van de slechtere, schrijft Pinker – ook al voelt dat niet altijd zo aan. Pinker betwijfelt dan ook of geweld wel zo in ons dna zit, want voor welke vorm van ‘cide’ dan ook is er geen fixed rate: door de eeuwen heen is er geen ‘standaard hoeveelheid geweld’ te ontdekken. Wat dan ook geweld veroorzaakt, schrijft Pinker, het is geen dagelijkse behoefte zoals eten, slaap en seks.

Dat ‘wat dan ook’ is precies het onderzoeksobject in Abram de Swaans boek Compartimenten van vernietiging, dat eerder dit jaar verscheen. Over wie het geweld veroorzaakt is De Swaan duidelijk: ‘De staat is de grootste mensendoder in de moderne wereld. Het is niet eens de staat in de strijd met gewapende vijanden die de meeste doden maakt. De meeste slachtoffers zijn ongewapende burgers.’ Maar de veel interessantere vraag is waarom fatsoenlijke mensen ineens buitengewoon onfatsoenlijke dingen kunnen doen.

Het is een vraag die socioloog en psychoanalyticus De Swaan (1942) al veel langer probeert te beantwoorden. Hij komt in een lange regenjas het café van het Lloyd Hotel binnen, karakteristiek los grijs haar. Hij draagt een klein elegant horloge dat rond is, maar niet cirkelvormig – gekocht van het prijzengeld van de P.C. Hooftprijs, die hem in 2008 voor zijn essayistiek werd toegekend. Doorslaggevend voor het denken over massageweld in hoogontwikkelde en ‘beschaafde’ samenlevingen was het proces tegen Adolf Eichmann in Jeruzalem in 1961. Dat werpt nog altijd een slagschaduw over het denken over genocidale daders.

‘Eichmann was natuurlijk publicitair een heel bevredigend verhaal’, zegt De Swaan. ‘Die dappere Israëliërs krijgen het voor elkaar die dekselse Eichmann uit Argentinië te ontvoeren om hem te berechten, en doen dat nog heel fatsoenlijk ook. Prachtig verhaal, je ziet de wereldgeschiedenis voor je ogen veranderen. Prachtig, prachtig. En in die draaikolk van publiciteit en emotie bewoog zich een aantal mensen die zich misschien wel te makkelijk hebben laten meeslepen, zoals Hannah Arendt en onze Harry Mulisch. Arendt lanceerde naar aanleiding van het proces de kreet “de banaliteit van het kwaad”, en ziet u, daar heb ik weinig achting voor. Dat ze zich zo in hem vergiste, dat zou niet de beste zijn overkomen, maar misschien wel de goeien. Ze had beter uit haar doppen moeten kijken, want er was genoeg onderzoek beschikbaar waaruit bleek dat Eichmann een fanatieke nazi en jodenhater was geweest.’

En niet een volgzame klerk, zoals hij zichzelf verkocht, dat was een verdedigingsstrategie van Eichmann en zijn advocaat Servatius.

‘Kijk: banaal betekent “te gewoontjes, te alledaags om interessant te zijn”. Nu kun je werkelijk alles over de holocaust zeggen, maar dat nou net niet. De titel was natuurlijk ingegeven door de behoefte aandacht te trekken; wat ze moet hebben bedoeld is de banality of evildoers, de banaliteit van de daders. Geldt dat voor de rank and file? Nee, ook niet: de SS’ers die zelf het geweld bedreven, gingen niet gedachteloos met dat geweld om. Ze wisten heel goed wat ze deden. Maar geldt het dan voor de indirecte medeplichtigen, de mensen die op verdere afstand stonden van dat geweld? De mensen die de treinen bestuurden, die kampen bouwden, de politieagent die zegt: “Mevrouwtje, komt u maar mee naar Westerbork, zo erg is het daar niet”? Ja, daar wel. Dat is het gevolg van de arbeidsdeling in een maatschappij die zo ingewikkeld wordt dat je activiteiten verricht waardoor je weliswaar meewerkt aan een massamoord, maar via zo veel schakels dat je geheel van je af kunt zetten waar je eigenlijk aan meewerkt.’

Als het een misvatting was, waarom heeft de these van Arendt dan zo snel school gemaakt?

‘Er is niet één geval bekend van een nazi-dader die na de oorlog pastorale of therapeutische hulp heeft gezocht’

‘Op een bepaalde manier sluit zij heel goed aan bij een aloude religieuze visie dat alle mensen zwak zijn, “tot alle kwaad geneigd”, en wanneer ze in verzoeking worden gebracht doordat ze in een genocidale situatie terechtkomen, ook tot dat kwaad zullen vervallen. De klassieke sociologie gaat ervan uit dat mensen worden gevormd door de cultuur waarin ze opgroeien, de samenleving waarin ze leven, en ook de veranderende omstandigheden direct om hen heen. Als die omstandigheden extreem zijn, kunnen mensen extreem worden. Daar geloof ik ook in – maar er is een tweede component, namelijk de psychologische, die in de eensgezindheid over het belang van de situatie niet meer aan de orde komt. Hoe werken de hersenen van de daders? Waarom hebben zij zo veel minder gewetenswroeging? Er zit iets heel vreemds in: we hebben talloze artikelen over slachtoffers uit vernietigingskampen die bij psychoanalytici terechtkomen om over hun trauma’s te praten. Daar bestaat veel literatuur over. Van veteranen weten we dat, als de maatschappij er maar open voor staat, veel van hen te kampen krijgen met een posttraumatische stressstoornis (ptss). Maar de daders: niente problema. Er is niet één geval bekend van een nazi-dader die na de oorlog pastorale of therapeutische hulp heeft gezocht.’

En waarom hebben ze dan zo veel minder problemen?

‘Daar hebben we, sociologen en psychologen, geen afdoend antwoord op. Belangrijk is dat veteranen en slachtoffers jaren van martelende angst gekend hebben en de genocidale daders weinig of niets te vrezen hadden. Maar ik denk ook dat vele daders in een aantal opzichten in zekere mate verschilden van de meeste andere mensen en daardoor eerder in een genocidale situatie terechtkwamen en daar minder moeite hadden met moorden: ze hadden een verhoogd gevoel van loyaliteit aan hun superieuren, met een verlaagd gevoel van mededogen voor anderen. Het probleem is dat er maar heel weinig genocidairs psychologisch onderzocht zijn, zoals er heel weinig genocidairs voor de rechter zijn beland.’ (glimlachend) ‘Het is het veiligste beroep op de planeet: maar heel weinigen zijn ervoor veroordeeld.’

Hoe rijmt u zulke misdaden zelf met de beschaving waarin ze plaatsvinden?

‘Ik zie het als een soort lacune in een beschaving. Vergelijk het met hooligans, voor een voetbalwedstrijd. Ze lopen in een grote groep, een cirkel met een doorsnede van vijftig meter, over het Leidseplein. Binnen die cirkels schreeuwen ze, plassen ze tegen bushokjes, gooien ramen in. Asociaal gedrag. Maar het is heel goed mogelijk dat een van hen even uit die cirkel stapt, een snackbar binnenloopt, “Goedemiddag, mag ik van u een patatje met?”, gewoon betaalt voor de friet, de snackbarhouder vriendelijk bedankt en weer terug die cirkel in loopt en weer asociaal gaat doen. Mensen nemen deel aan de beschaving, gaan vervolgens naar een vernietigingskamp waar ze buitengewoon onbeschaafde dingen doen, en keren weer doodleuk terug naar de beschaving.’

Hij heeft zich in de tussentijd met een enorme hoeveelheid andere onderwerpen beziggehouden, maar wanneer je interviews met hem leest van tien, vijftien jaar terug, heeft De Swaan het al over die vragen naar geweld in beschaafde staten. In een interview met De Groene Amsterdammer in 2002 legt hij in feite al de basis voor Compartimenten van vernietiging: ‘In elke samenleving leven haatgevoelens die tegen een bepaalde bevolkingsgroep kunnen worden gemobiliseerd. De sleutel tot dat proces van “dyscivilisatie” is het feit dat niemand zich verantwoordelijk voelt. Het opdelen van activiteiten in deelgebieden leidt ertoe dat niemand zich verantwoordelijk voelt voor het eindresultaat, zoals bij het spoorwegpersoneel en andere beroepsgroepen die de deportatie van Nederlandse joden mogelijk maakten. En mensen kijken graag de andere kant op. De reflex waarmee destijds het bestaan van de vernietigingskampen werd ontkend, bestaat nog altijd.’

Op een bepaalde manier is dit inderdaad het onderwerp waar hij zijn hele leven al mee bezig is. Hij kon zich niet herinneren als kind ooit niet geweten te hebben wat de holocaust was. Op de vraag hoe dat kwam, lacht hij.

‘Nou ja’, zegt hij, met een olijke glimlach. ‘Ze moesten me een tijdje hebben, die Duitsers.’

‘Het vijandbeeld helpt, want het zorgt ervoor dat daders hun slachtoffers kunnen dehumaniseren’

In uw boek beschrijft u hoe een bevolking uit elkaar wordt gedreven, met ‘de mensen van het regiem’ enerzijds en wie gezien worden als de vijanden van die ‘eigen mensen’ anderzijds. Hoe verloopt dat proces van verwijdering?

‘Ik ben natuurlijk eerder socioloog dat historicus. Ik ben geïnteresseerd in processen. Ik denk dat dit proces heel simpel begint. In een maatschappij zijn er talloze sluimerende tegenstellingen, zoals ik het zie, die vaak worden opgelost met grapjes. Zoals we Friezen met hun accent kunnen plagen en bij Limburgers meteen over vlaai beginnen. Niemand neemt die tegenstellingen serieus; er zijn Limburgse captains of industry, er zijn – nogal wat, lijkt het – Limburgse ministers. Die grapjes zijn een speelse manier om die tegenstellingen te beleven en toch te beheersen: joking relationships. U en ik zouden hier onder elkaar best een grapje over Limburgers of Friezen kunnen maken. Maar zouden u en ik hier zomaar, uit onszelf, grapjes over joodse of zwarte mensen kunnen maken? Nee, dat ligt heel anders. Zulke grapjes maak je alleen als de ander begint, je daartoe uitnodigt. Dat geeft de pijnlijkheidsgraad aan.’

Wanneer zijn die tegenstellingen niet meer met grapjes op te lossen?

‘Wanneer ik mijn college inleiding tot de sociologie gaf, had ik het ook over het concept “eer”. Veel studenten moesten dan lachen, dat was een begrip waar ze niets mee hadden. “O, nee?” zei ik dan. “Er zitten hier driehonderd studenten; een paar van jullie zal ongetwijfeld kind zijn van een prostituee.” Doodstil werd hen dan, doodstil. “En een paar van jullie is kind of kleinkind van nsb’ers.” Doodstil. Dan heb je het over eer, en dus over het soort schande of eerloosheid dat mensen het gevoel geeft dat ze buiten de maatschappij staan (alhoewel je natuurlijk niemand kunt verwijten wie zijn ouders zijn). Dat is de volgende stap: de tegenstellingen waarover men zwijgt.’

En daarna komen de tegenstellingen waarover men niet zwijgt. Wanneer worden tegenstellingen aangeduid als tekenen van vijandschap?

‘Dan kom je bij Wilders en consorten, die inspelen op klaarliggende gevoelens van haat en achterdocht. Dat is een partij die actief een vijandbeeld oproept, vijandschap verwoordt en aanmoedigt. Deze eerste drie stappen huizen in elke maatschappij, in meer of mindere mate. Ze hoeven nog niet tot geweld te leiden. Dat gebeurt pas wanneer een actief regime van gelijkgestemde mensen de staatsmacht verovert die in staat is om mensen te compartimentaliseren, ook op institutioneel niveau, door bepaalde groepen in de rechtspraak, bij de politie, op scholen, op straat, rechten te ontnemen en uit te sluiten en ze zo te verwijderen uit de “gewone” maatschappij. Dat is het moment dat georganiseerd geweld kan oplaaien. De vraag is dan: wie is er bereid en in staat tot massaal geweld, en wie niet?’

Speelt het vijandbeeld daarin een grote rol?

‘Ja en nee. Het vijandbeeld helpt, want het zorgt ervoor dat daders hun slachtoffers kunnen dehumaniseren. Maar er zijn talloze voorbeelden van mensen die ijverig in zo’n vernietigingsmachine meedraaien zonder echte haatgevoelens voor de mensen die ze vermoorden. Het is niet altijd nodig serieus in het vijandbeeld te geloven dat het regime schetst. Uit de oorlog zijn veel gevallen bekend van daders die meededen aan slachtpartijen “omdat hun collega’s het anders alleen moesten doen”. Veel daders vertelden voor de rechter dat ze niets tegen joden hadden, met het clichématige “Die aardige slager bij ons om de hoek was een jood!” Dat was overigens ook de klacht van Goebbels: dat elke Duitser wel één “goede jood” kende.’

U spreekt in uw boek ook over het verdringen van een gevoel van medeplichtigheid, over het niet-willen-weten.

‘Bij niet-weten gaat het om een soort slaperigheid, een gewilde slaperigheid’

‘Daar zijn mensen goed in. We doen dat in ons persoonlijk leven, maar we kunnen dat ook op maatschappelijk niveau. Ik denk dat we heel goed kunnen weten hoe dat werkt. Trek de parallel naar nu: we zijn allemaal indirect betrokken bij de uitroeiing van olifanten, bij het leegvissen van de oceanen, de vernietiging van het milieu. We kopen kleren uit landen waarvan we weten dat de mensen daar worden uitgebuit. Dat zijn die verlengde ketens van betrokkenheid: ze maken ons medeplichtig, en dus eigenlijk aansprakelijk.’

U sprak zich eerder uit over de discussie tussen historici Evelien Gans en Bart van der Boom in De Groene. Zij debatteerden over wat mensen in de oorlog ‘konden weten’ over de jodenvervolging. U zei dat ze niet nadachten over wat ‘weten’ is.

‘Ik denk dat mensen vaak een onjuist idee hebben van wat het is om iets wel of niet te weten. Ik had ooit een Duitse studente die steeds aan haar grootouders vroeg: “Wisten jullie dat van die joden?” Die grootouders konden haar naar eer en geweten zeggen dat ze van niets wisten. Een veel betere vraag, zei ik haar, zou zijn: “Maakten jullie je niet ongerust over de joden?” Want ja, daar was toch alle reden toe. Iemand die in het kamp had gezeten gebruikte een keer een mooie uitdrukking over zijn vader: “Er machte sich nichts wissen.” Hij zorgde ervoor dat hij niets wist. Het niet-weten was een actieve daad.’

De kennis wordt verdrongen?

‘Verdringing klinkt eigenlijk al te mechanisch. Het gaat meer om een soort slaperigheid, een gewilde slaperigheid. Die schemersituatie is heel moeilijk te beschrijven, zowel voor sociologen als voor psychoanalytici. Ik was eens op een congres in China en daar zei ik: “Ik heb net een boek gelezen over de hongersnoden tijdens de Grote Sprong Voorwaarts…”, waarop de leidende Chinees in ons gezelschap reageerde: “Ja, bij de lunch mogen we kiezen tussen aardbeien en…” Ik geloof niet dat hij me bewust de mond wilde snoeren, of dat hij actief het onderwerp wilde veranderen. Het ging gedachteloos. De aardbeien leek hem automatisch de meest gepaste reactie op mijn opmerking over de Grote Sprong Voorwaarts. Zo ontstaat dat niet-weten, wanneer er geen innerlijke ruimte en geen sociale ruimte is waarin het onderwerp zich laat denken of verwoorden.’

Misschien een banale zijsprong: speelt dit ook in het debat over Zwarte Piet – dat we als maatschappij de mogelijkheid van een institutioneel racisme niet willen toelaten?

‘Nee, dat is niet banaal. Het is heel toepasbaar. Iedereen buiten Nederland die in staat is zijn eigen naam te spellen vindt Zwarte Piet volkomen onacceptabel, en wij staan op het punt dat dat niet-weten niet meer houdbaar is. Ik vind het voor de duidelijkheid het mooiste feest dat er bestaat, interactief, creatief, cadeautjes, surprises, poëzie, sociaal – enig. Heb ik mijn hele leven al gevonden. Maar ik leef met een donkere, Surinaamse vrouw, ik weet hoe kwetsend het kan zijn als een kind op straat roept: “Kijk, daar heb je Zwarte Piet!” Overigens, in Duitsland en in Limburg waren er traditioneel van die Passie-spelen, waarin de kruisvaart van Christus werd nagespeeld. Aanvankelijk speelden daar joden een rol in – of tenminste, als joden verklede Limburgers, met grote aangeplakte jodenneuzen. Na de oorlog vond men dat toch onkies, en dat deel van die traditie is toen discreet gecorrigeerd. Dat kan dus, zo zou dat ook met onze vriend Piet kunnen.’

Vrij associërend komt De Swaan uit bij België, en hoe de Belgen omgaan met hun koloniale verleden. Zoals Nederland niet lijkt te willen erkennen dat er allerlei foute koloniale trekjes aan Zwarte Piet hangen, zo lijken de Belgen nog meer hun best te doen niet te weten wat zij in Congo allemaal hebben gedaan aan het begin van de twintigste eeuw. ‘Gek genoeg waren het twee boeken van buitenlandse auteurs die de Belgen wakker schudden: eerst Neal Ascherson en later Adam Hochschild. Weer iets later kwam David van Reybrouck met zijn Congo, al is hij merkwaardig genoeg nogal verdoezelend over Leopold II en over de tomeloze moordzucht daar.’

Een sterk voorbeeld is het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren, nabij Brussel, dat nu grondig gerenoveerd wordt. ‘Het heeft een enorme verzameling adembenemende Afrikaanse kunst. Het is een prachtig gebouw, een beetje zoals ons Tropenmuseum, vol met marmer dat daar niet hoort. Als je de centrale hal binnenkwam, zag je vier grote beelden die de zegeningen van het Belgisch koloniaal regime moesten uitdragen, in blank gesteente uiteraard. In het midden van de hal stond een groot bronzen beeld van een liggende Afrikaan die wordt overweldigd door een andere Afrikaan die hem met blote handen het hart uitrukt. De symboliek was duidelijk: de zegenrijke Belgische aanwezigheid zal een einde maken aan de barbaarse moorddadigheid van Afrikanen onderling. Het is absurd.’

Het museum in Tervuren gaat in 2017 weer open. ‘Ik weet niet of de beelden blijven staan’, zegt De Swaan. ‘Er is protest. Volgens mij moeten ze het hele museum laten zoals het is, maar met één toevoeging: ze moeten een enorme tent over het museum spannen, met een bordje erbij: museum van het “Museum Tervuren”, tussen aanhalingstekens. Een metamuseum, waarin niet de Afrikaanse cultuur het onderwerp is, maar de koloniale omgang met die Afrikaanse cultuur. In Nederland heerst tot op de dag van vandaag doodse stilte over de massale vernietiging door Nederlanders bedreven tijdens de Atjeh-oorlog (1873-1914).’ Met andere woorden: we kunnen nog wat leren van de Belgen.


Abram de Swaan, Compartimenten van vernietiging: Over genocidale regimes en hun daders, Prometheus/Bert Bakker, 312 blz, € 24,95


Beeld: (1) Paul Levitton / HH. (2) Onderduikers versieren tijdens de Tweede Wereldoorlog hun verblijfplaats. (Spaarnestad / HH).