‘Ik liet het allemaal gebeuren, terwijl ik het niet wilde’, zegt Hakima (31), een Amsterdamse van Marokkaanse afkomst. ‘Mijn vriend had mij in zijn macht. Totdat ik resoluut de knop omdraaide.’ De mishandelingen begonnen toen ze zonder toestemming van haar ouders met haar vriend ging samenwonen. Drie jaar lang sloeg hij haar dagelijks en sloot haar op als hij de deur uit ging. Ze leefden van haar ziekteuitkering, die ze ontving omdat ze haar werk in de kinderopvang niet kon voortzetten; haar schouders vielen steeds uit de kom.

‘Ik had geen weerstand tegen hem, maar zag ook geen uitweg. Ik kon niet terug naar mijn ouders, want zij vonden hem een foute man en hadden in het begin gezegd: “Het is wij of hij.”’

Op een dag klom ze via het balkon van de buren naar beneden, liet aan de huisarts haar blauwe plekken zien en werd door hem verwezen naar een wijkpunt in Zuid, daar kreeg ze kleren en wat geld. Haar broer ving haar op in zijn kleine woning. Een paar weken later ontdekte ze dat ze zwanger was. ‘Het kind in mijn buik maakte me sterk en ik wilde het houden. Pas toen ik hem een jaar later weer tegenkwam, vertelde ik hem dat hij een dochter had. Maar hij geloofde niet dat het kind van hem was.’

Op een Marokkaans feest haalde hij haar over opnieuw te beginnen, ze hadden toch een kind samen… Na een wilde nacht bleek ze opnieuw zwanger en kort daarna brak ze definitief met hem. Haar dochters zijn nu twee en vier.

Hakima woont in Amsterdam Nieuw-West in de Lodewijk van Deysselbuurt, een van de armste buurten van de stad, met 157 nationaliteiten in portiekwoningen uit de jaren vijftig. Hier startte in 2017 het driejarige experiment Van Overleven naar Leven. In dit project, met als uitgangspunt meer greep te krijgen op gezinnen met complexe problemen, gingen drie tandems van ervaringsdeskundigen en maatschappelijk werkers de wijk in met een ‘ouderwetse’ methode: aanwezig zijn. Wie hulp nodig had, werd niet uit het oog verloren en niet losgelaten voordat het weer goed ging en iemand zelf verder kon. Elk tandem kreeg dertig gezinnen onder zijn hoede met daaromheen een netwerk van specifieke hulpverleners.

Door alle ellende was Hakima in de schulden geraakt en kwam ze voor de hulpverlening in aanmerking. ‘Ik had drie doelen’, vertelt ze. ‘Mijn familie terug, een eigen woning en schuldenvrij zijn. Maar om een huis te krijgen moet je schuldenvrij zijn. Dus ben ik de schuldsanering ingegaan, dat betekent drie jaar lang leven van tachtig euro per week. Zodra je een contract getekend hebt bij de gemeente ben je schuldenvrij, maar blijf je wel onder begeleiding. Als je uit het traject stapt ben je meteen je huis kwijt.’

Haar volgende doel is werk als ervaringsdeskundige. ‘Ik zou heel graag iemand helpen zoals ik zelf geholpen ben. Ze noemden mij hun verloren dochter, ik leek wel familie van die mensen. Af en toe belden ze even, ze gingen mee naar het ziekenhuis. Mede door mijn begeleider sta ik waar ik nu sta. Men vindt nu dat ik het zelf kan, maar ik blijf nog even tot ik schuldenvrij ben. Ik wil nooit meer in de problemen komen. Ik wil dat mijn kinderen trots op me zijn als ze later mijn verhaal horen.’

Als eerste moest aan de verzoening met de familie gewerkt worden, vertelt de ervaringsdeskundige die Hakima hielp. ‘Want zolang de eerste hulpvraag niet is opgelost, zal het niet lukken de andere twee vragen op te lossen.’ Dat lukte vrij snel. Haar ouders en zussen hadden indertijd alles gedaan om haar tegen te houden en begrepen niet dat zij voor het leven met haar vriend koos. Zelf is Hakima nooit boos op haar ouders geweest, en toen het contact eenmaal was gelegd was iedereen dolblij elkaar terug te zien.

Als hulpverleenster moet de ervaringsdeskundige deelnemers ervan overtuigen dat ze er niet is voor de gemeente of de schuldeiser, maar dat ze voor hen door het vuur gaat. Dat was hard nodig toen in 2019 Hakima’s ziekteuitkering werd stopgezet en ze de betalingsregeling niet kon nakomen. Een bijstandsuitkering aanvragen kost drie tot acht weken wachttijd en ze had niets om van te leven. ‘Ik werd ook wanhopig’, vertelt de hulpverleenster. ‘Ik heb gepraat als Brugman, en instanties herinnerd aan de rol van de gemeente in dit project. Maar wie ik ook sprak, men was blijkbaar nog niet gewend aan een andere, niet-bureaucratische manier van denken. Tot ik me een ambtenaar herinnerde uit een workshop in het begin van ons project. Zij zorgde er persoonlijk voor dat Hakima de uitkering weer snel kreeg.’

Als ervaringsdeskundige weet ze waarover ze praat. Vijftien jaar geleden kwam ze zelf in de schuldhulpverlening terecht, het duurde twaalf jaar voor ze er weer uit was. ‘Je vergeet het nooit, je schaamt je, je hebt gefaald, je hebt het niet zelf kunnen oplossen. Je wil niet meteen hulp vragen, dat is moeilijk. Er rust ook een stigma op hulp vragen aan de gemeente, de drempel is hoog.’

Carlos Juan (42), een lange slanke man van Chileens-Nederlandse afkomst, heeft onlangs zijn aspirant-ervaringsdeskundigendiploma gehaald, met de crisisbeheersings- en vertrouwenspersoonspapieren erbij. Hij heeft nu een sollicitatie lopen voor een baan binnen de pas opgerichte buurtteams. Na jaren van ellende kwam hij terecht bij de opleiding tot ervaringsdeskundige.

Carlos had geen werk, dronk veel, zijn vriendin had de diagnose narcistische borderline, wat leidde tot huiselijk geweld – zo hevig dat hij twee keer een huisverbod kreeg opgelegd. De gealarmeerde politie en de officier van justitie schreven het geweld steeds aan hem toe, vertelt hij. Bij de derde keer kwamen er drie agenten, deze keer een man en twee vrouwen. De man stond al klaar om hem de handboeien om te doen, maar een van de vrouwelijke agenten was oplettend en vroeg wat er aan de hand was: het bloed gutste uit zijn arm, zijn pink was gebroken, zijn gezicht zat vol bloederige krassen en aan het gezicht van zijn vriendin was niets te zien. Deze keer kreeg de vriendin een huisverbod.

‘Ik had drie doelen. Mijn familie terug, een eigen woning en schuldenvrij zijn’

Inmiddels is de relatie uit en is zijn vriendin vertrokken met de twee oudste kinderen, de jongste bleven bij hem. Daar stond hij: geen geld, geen eten, geen spullen. Via het buurthuis belandde hij bij het project

Van Overleven naar Leven. Vanaf het moment dat er iemand bij hem thuiskwam en zag hoe het erbij stond, werd hij bij de hand genomen. Hij noemt de wet- en regelgeving in Nederland gekmakend. ‘Als je niet in staat bent het zelf te regelen, zoals bij mij het geval was, wordt het een cirkel. Iemand moet die doorbreken, anders blijf je erin zitten.’ Hij is vastbesloten niet terug te vallen en wil heel graag op zijn beurt anderen bij de hand nemen.

Van Overleven naar Leven was de voorloper van de nieuwe werkwijze binnen de sociale buurtteams die sinds een aantal maanden aan het werk zijn in alle stadsdelen van Amsterdam. Teams van vijftien professionals werken in 33 buurten, waarbij er per huishouden één plan is en één regiehouder.

De ouderwetse balies waar burgers met vragen terechtkunnen bestaan nog steeds. Maar voor mensen die regelmatig terugkeren omdat ze met zwaardere problemen kampen, staan er nu buurtteams klaar met per buurt één ervaringsdeskundige.

Tot voor kort was de hulp sterk genormeerd en aan een aantal uren gebonden. Als mensen twee keer niet op een afspraak kwamen opdagen, werden ze geschrapt, vertelt Sylvia den Hollander, directeur-bestuurder van de Stichting Eerstelijns Osdorp (sezo). Jaarlijks meldden zich bij haar organisatie tienduizend van de 150.000 inwoners uit de wijk met veelal eenvoudige vragen over een uitkering of de inhoud van een officiële brief. ‘Maar er waren ook mensen die we niet bereikten, die geen zorg wilden of maatschappelijk waren afgehaakt. Voor hen hebben we alles wat we tot dan toe deden overboord gegooid.’

De bureaucratie is voor veel mensen met problemen te ingewikkeld, zo blijkt. Informatie wordt niet of slechts gedeeltelijk opgepikt. ‘Met de nieuwe werkwijze daalt het wantrouwen’, is de ervaring van Den Hollander. ‘Mensen zijn minder bang dat ze er onmiddellijk op worden afgerekend als ze een foutje maken.’

Marc Räkers van Stichting Eropaf gelooft heilig in de combinatie van professionals en ervaringsdeskundigen. Hij is vanaf het begin als adviseur betrokken geweest bij de nieuwe werkwijze. ‘Eerst is het wennen voor beide partijen, vooral in het waarderen van elkaars deskundigheid, maar het werkt op den duur heel goed.’

Veel professionals zijn zó getraind in diagnoses en hulpverleningstechnieken dat ze het aanvoelen en invoelen verleerd zijn. ‘Ervaringsdeskundigen kennen de machteloosheid en de wanhoop waarin je soms terechtkomt. Daardoor zijn ze meestal goed in staat om vertrouwen te wekken en contact te leggen.’

Er speelt vaak meer dan je op het eerste gezicht ziet. Als voorbeeld noemt hij een voorgenomen huisuitzetting en opname in een psychiatrische inrichting van een vrouw die veel overlast veroorzaakte in de buurt. ‘Het ontruimingsbevel lag klaar. De ervaringsdeskundige slaagde erin contact te maken en ontdekte dat de vrouw van buitenaf onder druk werd gezet, daardoor psychotisch raakte en als gevolg daarvan steeds de verkeerde beslissingen nam. Het buurtteam slaagde erin het ontruimingsbevel tegen te houden en de vrouw adequaat te helpen.’ Om ervoor te waken dat ervaringsdeskundigen geen eenling in een team worden, delen ze hun ervaringen tijdens een driewekelijkse training.

Räkers ziet wel dat er in de organisatie van de hulpverlening nog veel verbeterd kan worden. Te veel ambtenaren schrijven stukken over beleid dat anderen moeten uitvoeren, te weinig mensen zijn bezig met uitvoerend werk. ‘Sociaal werk is een vak. Val hulpverleners niet lastig met verantwoordingsscenario’s en verantwoordingsprotocollen. Doorgaan met de principes als “vrije markt” en “aanbesteding” is volstrekt idioot. Dit zijn collectieve belangen en die hebben niets met de markt te maken.’ Voor een groot deel van de bevolking hebben we het te ingewikkeld gemaakt, vindt hij. ‘Daardoor komen veel mensen onnodig in de problemen. Wie een laag inkomen heeft, is afhankelijk van toeslagen en allerlei andere regelingen en waar dat op uitloopt, daar weten we nu alles van.’

De eenvormige flatgebouwen in de Lodewijk van Deysselbuurt zijn in 1953 met veel liefde ontworpen in het Van Eesterenplan. De mooie beeldornamenten die daarvan getuigen, zijn nu vaak verwaarloosd. De komende jaren wordt gewerkt aan verbetering van de leefomgeving, in de hoop dat inwoners weer mee gaan doen in de samenleving. In de buurt wonen vierduizend mensen in 1150 woningen, 95 procent is sociale huur. Veel woningen hebben last van schimmel en zijn te krap voor de grote gezinnen. De werkloosheid is hoog, de armoede groot. Veel jongeren gaan van school zonder startkwalificatie.

‘Sociaal werkers worden afgerekend op het zetten van de juiste vinkjes. Dat verander je niet zomaar’

De verbetering van de buurt kan alleen succes hebben als al die problemen worden aangepakt, is de overtuiging van Ronald van Dijk, die namens woningstichting Rochdale de renovatie (kosten driehonderd miljoen euro) begeleidt. In het plan gaat Rochdale gebouwen afbreken, appartementen vergroten en zeshonderd nieuwe woningen bouwen, zodat er uiteindelijk achttienhonderd woningen staan, verdeeld in zestig procent sociale huur en veertig procent vrije sector en koop.

Van Dijk koos voor een onorthodoxe aanpak. ‘In 2008 waren al onze buurtkantoren opgeheven’, vertelt hij. ‘De bewoners vroegen zich af of Rochdale nog wel wist hoe ze erbij zaten.’ Bij een onderzoek ontdekte hij dat een kwart van de 150 bezochte gezinnen ook een andere hulpvraag had. Daarom werd er een loket ingericht, waar hulpverleners elke week bewoners verder konden helpen.

Ook bleek dat het aanbod aan hulp enorm versnipperd is. Alleen Nieuw-West kent al 49 hulporganisaties, allemaal in aparte gebouwen. Samen met de buurtkamer Social Garden, de woningbouwvereniging en buurtteams werd een community-centrum opgezet. Midden tussen de ‘klanten’, en met alle hulporganisaties bij elkaar. Dat leverde in eerste instantie veel discussie met de gemeente op. ‘Waar bemoeien jullie je mee, werd er gezegd’, vertelt Van Dijk. ‘Wij zeiden: het zijn ónze bewoners. Wij willen niet iedere keer een nieuwe projectaanvraag. Zo’n centrum zet meer zoden aan de dijk.’

De woningbouwvereniging heeft zich voor twaalf jaar gecommitteerd aan de vernieuwing van de wijk. ‘Er is veel aanbod van hulp’, zegt Van Dijk, ‘maar synergie in programma’s en korte lijnen zijn nog belangrijker. De wijkagent gaat er straks ook zitten. En onze eigen wijkbeheerders hebben vaak de privénummers van bewoners, dat schakelt snel.’

Elke donderdag- en vrijdagavond van vijf tot acht lopen Ilhame Grinate (45) en Fouzia Ghoudhn (50) samen met afwisselend één of twee vriendinnen met gele hesjes aan door de wijk. De vrijwilligers wijzen jongeren zo nodig terecht en melden in de groepsapp van politie, gemeente, jongerenwerkers en straatcoaches wat er mis is. Op een van de avonden voorkwamen ze, terwijl de ME al klaar stond, net op tijd rellen tegen de avondklok. Ze waarschuwden de jongeren dat je een id moet laten zien als je aangehouden wordt. De meesten vluchtten halsoverkop omdat ze die niet bij zich hadden. De vrouwen volgden later een informatiedag van de politie, om nog beter te leren met dit soort situaties om te gaan. ‘Eigen veiligheid eerst’ was een belangrijke waarschuwing. Moeders Kracht noemen ze zich. ‘Wij zijn het oog en oor van de wijk.’

Hun werk is ontstaan in de kleine winkel met dameskleding van Ilhame Grinate, die ze sinds 2018 huurt van de woningbouwvereniging. Vanaf het plafond hangen er chique lange zwarte jurken, op een plank liggen sjaals. Al snel werd in de wijk bekend dat ze ook schuldhulpverlener is, en voor ze het wist was haar winkel een plek voor vrouwen uit de buurt die meestal alleen Berbers spreken en allerlei problemen hebben. Zo kon ze op informele manier achterhalen wie hulp nodig heeft en dat weer doorgeven aan haar collega’s van schuldhulpverlening of maatschappelijk werk.

Twee straten verderop staat een grote glazen kas, die dienst doet als ontmoetingsruimte en keuken voor de buurt. Geplaatst door Cascoland, dat zeventien jaar geleden werd opgericht door Fiona de Bell en Roel Schoenmakers, spil in een netwerk van ontwerpers, kunstenaars, architecten en academici dat zich bezighoudt met maatschappelijke thema’s. Naast de kas is van een parkeerplaats een bescheiden boomgaard gemaakt, die door een bewoner wordt bijgehouden.

Cascoland mocht van de gemeente in 2010 een jaar lang aan de gang om bewoners te betrekken bij de Kolenkitbuurt in Amsterdam-West. Dat is inmiddels elf jaar geworden. Intussen zijn ze ook actief in de Lodewijk van Deysselbuurt. Er staan nu vier glazen huizen in West en Nieuw-West. ‘Mensen zijn minder daadkrachtig’, zegt Schoenmakers, ‘maar er is hier onder die 157 nationaliteiten veel talent. Er zijn tuinen aangelegd, er wordt voedsel verbouwd, er is een thee- en kruidentuin, er wordt gekookt en we hebben ook een fruitboomgaard aangelegd. Maar je wil niet weten wie daar bij de gemeente allemaal een plasje over moet doen. Openbaar groenloket, beheerloket, bomenloket. Allemaal moeten ze aangestuurd worden om een visie te ontwikkelen. Je hebt een vrijbuitersmentaliteit nodig om dingen voor elkaar te krijgen. Maar als je een ambtenaar weet te vinden die het begrijpt, dan lukt het.’

Als voorbeeld noemt hij de fruitbomen. ‘Het lukte niet alle ambtenaren van beheer openbare ruimte en groen op korte termijn bij elkaar te krijgen. Maar die bomen moesten geplant, dat deden we in het kerstreces. Niemand merkte het op. In het voorjaar zei een ambtenaar: “Zeg, die plannen zijn interessant. Kun je nog eens een schetsontwerp geven?” Toen we bekenden dat ze al geplant waren was het goed.’

Schoenmakers is blij met het huidige gemeentebestuur, dat meer ruimte geeft aan eigen initiatief, maar ziet nog te weinig ambtenaren die zijn meegenomen in de beleidsverandering en bereid zijn daarop in te springen. Bij de nieuwkomers in de wijk is de onbekendheid met de Nederlandse cultuur een struikelblok – men weet de weg nog niet om iets te claimen bij de overheid, dat zijn ze in het land van oorsprong niet gewend. Hij is nu samen met Rochdale bezig bewoners te stimuleren kleine winkels te beginnen en de drempels daarvoor weg te nemen.

De initiatieven en ervaringen van de afgelopen drie jaar zijn vastgelegd in een brochure, waaraan ook onderzoekers van de Hogeschool van Amsterdam hebben meegewerkt. Zij maakten daarnaast een maatschappelijke kosten-batenanalyse van de nieuwe werkwijze in de buurtteams.

‘In situaties waar relatief veel aan de hand is, levert een intensieve benadering maatschappelijk gezien altijd meer op dan ze kost’, constateert Roeland van Geuns, lector armoede-interventies aan de Hogeschool: ‘Maar dat vraagt bereidheid van de overheid om die uitgave te doen. De opbrengsten vallen namelijk niet altijd direct bij de overheid en ook niet altijd bij de gemeenten.’

Om houvast en structuur te bieden, moeten medewerkers volgens Van Geuns in ieder geval beter geschoold worden. Vanzelfsprekend is dat niet, want er zijn mensen die zich deze houding nooit eigen kunnen maken. ‘Schuldsaneerders zijn vaak supergoed in het onderhandelen met schuldeisers, die moet je dat vooral laten doen. Maar de middenmoot heeft op de opleidingen te weinig bagage meegekregen en is te weinig een kritische geest aangeleerd. Tegelijkertijd worden sociaal werkers al meer dan twee decennia afgerekend op het zetten van de juiste vinkjes op lijsten. Zo’n cultuur verander je niet even in één jaar.’

Hij zou een andere verhouding willen zien tussen opdrachtgevers en uitvoeringsorganisaties. ‘Niet meer afrekenen op output, maar op outcome.’ Afvinklijsten zijn de consequentie van een output-gefinancierd systeem, vindt hij. ‘Buurtteamwerkers moeten speelruimte krijgen en hierin onvoorwaardelijk gedekt worden. Van hoog tot laag, van wethouder tot teammanager. Ongelijke situaties vragen om een ongelijke aanpak. Allemaal dingen die de laatste tijd niet meer mochten.’