Misstappen in Uruzgan BEELD JEROEN OERLEMANS

‘We zijn hier niet trots op’

In Uruzgan maakte de journalistiek zich grotendeels afhankelijk van het ministerie van Defensie en zijn voorlichtingsapparaat. Dat had gevolgen voor de verslaggeving. Zo misten de media een oorlogsmisdaad.

‘HEBBEN DE MILITAIREN je verteld dat ze hier een tijd geleden een inval hebben gedaan?’ vraagt Miakhil.
'Een inval?’ vraag ik verbaasd. 'In een burgerziekenhuis?’
'Ja, de Nederlanders.’ Hij wijst uit het raam. 'Ze posteerden soldaten op dat dak. En ze stonden daar, en daar. Het ziekenhuis was omsingeld, er kon niemand meer in of uit.’
Op mijn tweede reis naar Uruzgan die ik onafhankelijk van Defensie maak, bezoek ik Khan Agha Miakhil, provinciaal directeur Gezondheid. Tijdens mijn vorige verblijf in Tarin Kowt sprak ik hem geregeld. Hij was degene die ons in juni 2008 vertelde dat er twee vrouwen en twee kinderen in zijn ziekenhuis waren binnengebracht die door oorlogsgeweld zwaargewond waren geraakt. Volgens Defensie werd er toen niet gevochten in de provincie.
Ik ga op het puntje van mijn stoel zitten en vraag hem om meer informatie over de inval.
'Ze zeiden dat ze kwamen om Talibanstrijders te arresteren.’ Hij klinkt verontwaardigd. 'Militairen of strijders mogen een ziekenhuis niet doorzoeken. Niemand mag hier binnen met wapens, we hebben borden hangen waarop dat staat. Maar ik kon ze niet tegenhouden. Ze waren boos, want er was een militair gedood door een raket die op hun kamp was afgevuurd.’
Volgens mij is dit een schending van het oorlogsrecht. Miakhil refereert aan de raketbeschieting op Kamp Holland waarbij soldaat Azdin Chadli om het leven kwam. Dat was in april 2009. Ik vraag Defensie om nadere informatie.
'Dat verhaal is zo oud als de weg naar Rome’, mailt Robin Middel, hoofd van het Bureau Woordvoering Operaties. 'Is volgens mij ook in Nederland in de media geweest.’
Is dat zo? Ik twijfel. Als de ziekenhuisinval in het nieuws was geweest, zou ik dat onthouden hebben. Dit lijkt me een doorzichtige poging me ervan af te houden uit te zoeken wat er precies gebeurd is. Blijkbaar is Robin niet echt overtuigd van zijn eigen bewering, want hij belooft snel meer informatie te verstrekken.
Die krijg ik de volgende dag. Volgens hem betrof het geen inval, maar een 'inspectie’ naar aanleiding van de raketaanval waarbij soldaat Azdin Chadli werd gedood. Zes dagen na die aanval voerden Australische en Afghaanse militairen een operatie uit in het Dehrafshangebied. Daarbij ontstond een 'intensief vuurcontact’ met de vermoedelijke daders van de raketaanslag. De Nederlanders hadden 'harde aanwijzingen’ dat zich gewonde opstandelingen in het ziekenhuis bevonden. De militairen wilden 'de relevante Afghaanse autoriteiten’ op de hoogte stellen als gewonde Talibanstrijders zouden worden aangetroffen. Volgens Defensie werd de inspectie uitgevoerd 'onder strikte voorwaarden om zo weinig mogelijk overlast te bezorgen in het ziekenhuis zelf en om geen enkele mogelijke patiënt medische zorg te onthouden’.

PRIMA GEREGELD, zou je denken. Als ik in Nederland was geweest, of embedded bij Nederlandse troepen, zou ik misschien gedacht hebben dat het een zorgvuldige actie betrof. Maar ik zag de ontzetting op het gezicht van Miakhil toen hij over de inval vertelde.
In gedachten verplaats ik de gebeurtenis naar Nederland. Wij zouden ook schrikken als het leger met getrokken wapens werd afgestuurd op ziekenhuispatiënten. Zeker als dat het leger was van een buitenlandse mogendheid. Bij ons zou dit een politieklus zijn geweest. Waarom lichtten de Nederlanders eigenlijk politiecommandant Juma Gul niet in, zodat hij 'op inspectie’ kon gaan?
Als ik die vraag stel, mailt Robin: 'De soep is niet zo heet…’ Maar dat is-ie volgens mij wél. Een inval met gewapende militairen in een burgerziekenhuis is een schending van de Vierde Conventie van Genève, een oorlogsmisdaad dus. Ik stel de vraag opnieuw.
'Het is een heel verhaal, dat vertel ik je liever’, luidt het antwoord per mail. 'Nu bellen? Welk nummer?’ Hij belt me meteen op mijn Afghaanse gsm.
Volgens Robin bevonden zich 22 Nederlandse militairen in de omgeving van het ziekenhuis, van wie er acht binnen de poort waren. 'Waar je van af moet, zijn termen als “inval” en “doorzoeken”’, zegt hij. 'Daarvan was op geen enkele manier sprake.’ Hij vertelt dat de Task Force inlichtingen had dat een ondercommandant van de Taliban in het ziekenhuis werd verzorgd 'die verantwoordelijk was voor al die ellende die op Kamp Holland werd afgevuurd’. 'De aanleiding was dat hij daar zat.’
Ik vraag hem of hij weet dat dit een schending is van de Vierde Conventie van Genève.
'Deze inspectie is volledig uitgevoerd binnen het oorlogsrecht’, antwoordt hij. 'Er is niks verkeerds aan.’
Nu heb ik een kopie van de Geneefse Conventies in mijn laptop. Er blijkt niet zoiets te bestaan als 'een inspectie’ van een burgerziekenhuis door militairen die binnen het oorlogsrecht valt. Ziekenhuizen moeten 'te allen tijde worden beschermd en gerespecteerd’ door de strijdende partijen (art.18). Alleen als een ziekenhuis wordt gebruikt voor 'daden die schadelijk zijn voor de vijand’, wordt de beschermde status opgeheven. Maar 'het feit dat zieke of gewonde leden van de strijdkrachten in het ziekenhuis worden verpleegd (…) wordt niet beschouwd als een daad die schadelijk is voor de vijand’ (art. 19). De inval is dus overduidelijk in strijd met het oorlogsrecht.
Ik kan horen dat Robin aan de andere kant van de lijn aantekeningen doorneemt. 'Er was nog iets’, zegt hij. Volgens hem was het elders in Afghanistan wel gebeurd dat gewonde Talibanstrijders het personeel bedreigden om te voorkomen dat de politie werd ingelicht.

DE VOLGENDE dag ga ik op zoek naar ooggetuigen. Ik spreek met een radioloog en een anesthesist. Ze vertellen dat er minstens veertig militairen rond het ziekenhuis en op het ziekenhuisterrein waren. 'Ze waren overal, ze hebben alle kamers doorzocht. Kamers die op slot waren probeerden ze open te breken.’
Ik vraag of ze bedreigd werden door de Taliban. Ze kijken me niet-begrijpend aan. Ik verzoek de tolk om de vraag nog eens te stellen.
'Waarom zouden de Taliban ons bedreigen?’ is hun wedervraag. 'We hebben de Taliban niets misdaan. We behandelen iedereen die gewond is. Voor hen zijn we niet bang. Wel voor de buitenlanders. Ze liepen hier rond met getrokken wapens. Straks komen ze terug en worden we gearresteerd.’

IK LEG HET VERHAAL van Robin Middel aan dokter Miakhil voor. Volgens Robin was er niets aan de hand omdat Miakhil, de provinciaal directeur Gezondheid, de leiding had over de 'rondleiding’. Ik vraag of dat klopt.
Miakhil schudt met zijn hoofd. 'Hebben ze dat echt gezegd?’ vraagt hij ongelovig. 'Toen ze kwamen wilde ik net weggaan. Ik zag dat er iets aan de hand was bij de poort. Mijn dokters probeerden de militairen tegen te houden door de weg te blokkeren. Het hele ziekenhuis was omsingeld. Ze waren met veertig of vijftig man, ze hadden pantserwagens en ze waren bewapend. Ik heb gezegd: er mag één militaire arts met mij mee, de commandant en een tolk. Tegen mijn zin stuurden ze ook nog soldaten mee. Mijn dokters waren woedend. Ze zeiden: “Ze mogen niet naar binnen, er zijn hier geen Taliban.” Dat was juist wat ik wilde laten zien, dat hier geen strijders waren. Ik had geen keus. Als ik niet een paar Nederlanders had binnengelaten, zouden ze zich met geweld toegang hebben verschaft. Ze waren zo boos, echt beangstigend.’
Miakhil staat op en doet voor hoe de soldaten met hun wapens in de aanslag door de ziekenhuisgangen slopen. Als ze een zaal binnengingen werden de patiënten onder schot gehouden. 'Ze doorzochten alles. De operatiekamer, de röntgenafdeling, de emergency room, de keuken, de apotheek, alle zalen. Twee kamers waren op slot; ze begonnen de deuren in te trappen. Ik zei: “Niet doen, ik haal de sleutel”, en ik heb de deuren geopend.’
Op het verhaal van Defensie over bedreigingen door de Taliban reageert hij heftig. 'Dat is onzin’, zegt hij boos. 'Nadat de Nederlanders mijn ziekenhuis waren binnengevallen werd ik gewaarschuwd door de Taliban. “Waarom geef je de buitenlanders toestemming om het ziekenhuis te doorzoeken? Waarom zij wel en wij niet?” zeiden ze. Dat was de eerste keer dat ik problemen met ze had.’
Miakhil is nu echt kwaad: 'Ik zal je iets vertellen waardoor je meteen weet dat hun verhaal niet klopt.’ Hij legt uit dat de inval in zijn ziekenhuis deel uitmaakte van een grotere operatie. Tegelijkertijd met de actie bij het ziekenhuis werd het kantoor van de Afghaanse ngo ahds omsingeld en doorzocht. Het grootste deel van de ziekenhuisstaf is in dienst van deze Afghaanse hulporganisatie.
'Mijn dokters waren in het ziekenhuis en wisten aanvankelijk niet dat ook de ahds-compound was doorzocht. Sommigen wonen daar. Toen ze daar achter kwamen, wilden ze allemaal ontslag nemen’, zegt Miakhil. 'Ik heb gezegd: blijf alsjeblieft, ik los het op. Toen hebben we er een zaak van gemaakt. We zijn naar de gouverneur gegaan en naar de Verenigde Naties. Er is een gesprek geweest met de Nederlanders. De vice-gouverneur en het hoofd van Unama waren daarbij. De Nederlanders hebben tijdens dat gesprek hun excuses aangeboden. Dat voorkwam dat ik mijn personeel kwijtraakte.’
Ik vertel dat dit in Nederland niet bekend is.
'Is er dan niemand ontslagen?’ Miakhil zet grote ogen op. 'En dat in een democratie als die van jullie.’

DE COMPOUND van Unama, de missie van de Verenigde Naties in Afghanistan, ligt naast het ziekenhuis. Sher Ahmad Shakir, hoofd van Unama in Uruzgan, bevestigt het verhaal van Miakhil. Shakir wilde die dag zijn compound verlaten, maar zijn auto werd tegengehouden door de militairen.
'Het was vier uur ’s middags. Ze hadden het ziekenhuis omsingeld en het ahds-kantoor ook. Wij wisten van niets, de politie en de nationale veiligheidsdienst evenmin. Het heeft zeker twee uur geduurd.’ Ik vraag het hoofd van de VN-organisatie of dit een oorlogsmisdrijf is. 'Dit is een duidelijke schending van de Geneefse Conventies. Maar de Nederlanders hebben ons bezworen dat het een fout was en dat het niet meer zal gebeuren. Daarom hebben wij verder geen actie ondernomen.’

DE INVALLEN in het ziekenhuis en het ahds-kantoor tonen dat een embedded verslaggever ziende blind is. Ten tijde van de inval had het Algemeen Dagblad een verslaggever op Kamp Holland en NRC Handelsblad een fotograaf. De voorlichters op de basis, altijd strooiend met mediagenieke informatie over Nederlandse operaties, hielden deze keer hun mond en geen van de journalisten op de basis ontdekte wat er gebeurd was. Als Defensie een strakke regie voert, weet de embedded journalist slechts wat de voorlichter wil dat hij weet.
Meteen na mijn terugkeer uit Uruzgan ga ik op zoek naar informatie. De inval was in het nieuws geweest, zei Robin. Ik heb niets kunnen vinden. Niet in de gedrukte media, en niet in de rapportages aan de Tweede Kamer. Ik heb getwijfeld of ik met de zaak verder moest gaan, want de inval vond meer dan een jaar geleden plaats. Maar steeds weer duikt de geschokte blik van dokter Miakhil, de provinciaal directeur Gezondheid, op in mijn herinnering.
'Wij hebben het destijds niet aangemerkt als een incident’, zegt Robin. 'Het was afgehandeld, er zijn excuses gemaakt en die zijn geaccepteerd.’
'Geen incident? Het was een schending van de Vierde Conventie van Genève’, zeg ik, oprecht verbaasd.
'Het is in het nieuws geweest’, zegt Robin opnieuw.
Ik vertel hem dat ik dat betwijfel. Robin belooft opnieuw in de zaak te duiken.
EEN PAAR DAGEN later belt hij me op. Hij zegt dat hij nieuwe informatie over de ziekenhuisinval heeft en doet nogmaals het hele verhaal uit de doeken van wat hij ook nu weer geen inval noemt. 'Een bezoek door Nederlandse militairen aan het ziekenhuis’ is het deze keer. Ik hoor geen nieuwe elementen in zijn relaas. Maar er is wel degelijk iets in het verhaal veranderd. Iets essentieels.
Terug naar de eerste versie, die Robin me mailde en deels vertelde over de telefoon toen ik in Uruzgan was. Uitgangspunt was toen dat de militairen informatie hadden dat zich gewonde Talibanstrijders in het ziekenhuis bevonden. Daaronder zou de Talibancommandant zijn die verantwoordelijk was voor de raketbeschietingen van Kamp Holland. De militairen gingen naar het ziekenhuis voor een 'inspectie’. Doel was om de Taliban te pakken te krijgen. De VN-chef en de provinciaal directeur Gezondheid Miakhil hoorden van de Nederlandse militairen niets over de bijkomende reden voor de actie waarmee Robin tijdens ons eerste gesprek op de proppen kwam: dat Isaf kwam controleren of Talibanstrijders het ziekenhuispersoneel bedreigden. Robin vertelde me in de eerste versie van het verhaal dat dit elders in Afghanistan wel eens gebeurd was. Maar hij zei niets over concrete aanwijzingen dat dit ook in het ziekenhuis van Tarin Kowt gaande zou zijn. Toen ik het ziekenhuispersoneel ernaar vroeg, werd het ontkend. Aanvankelijk begreep men niet eens waar ik het over had.
Dan ons tweede telefoongesprek. Het woord 'inspectie’ - iets wat niet door militairen in een burgerziekenhuis is toegestaan volgens de Vierde Geneefse Conventie - komt niet meer over Robins lippen. Wat hij eerst als vage, bijkomende reden noemde voor het 'bezoek’, is nu de hoofdreden geworden: er zijn op Kamp Holland 'goede aanwijzingen’ dat gewonde Talibanstrijders zich onder dwang - 'at gunpoint’ zegt hij - laten verplegen. De Nederlanders gingen naar het ziekenhuis om die situatie te beëindigen, niet om Talibanstrijders op te pakken.
De verschillen tussen de twee verhalen lijken niet al te groot, maar ze zijn essentieel. In versie één zijn het de Nederlandse militairen die het oorlogsrecht schenden door het ziekenhuis met het geweer in de aanslag uit te kammen op zoek naar vijandelijke strijders. In versie twee overtreden de Taliban de Vierde Conventie van Genève en rukken de Nederlandse militairen heldhaftig uit om aan die schending van het oorlogsrecht een einde te maken. Ik vraag Robin wat die 'goede informatie’ was waaruit bleek dat de Taliban het ziekenhuispersoneel bedreigden. Robin antwoordt dat hij over de aard van de informatie niets kan zeggen. Dat zou de operationele veiligheid in gevaar brengen.
Dan wijs ik hem op de verschillen met de eerste versie die hij me gaf.
'Ik zie het verschil in inzicht niet’, zegt Robin.
Ik blijf benadrukken dat de twee versies uiteenlopen. Robin blijft dat ontkennen. Uiteindelijk wordt hij boos.
'Jij beticht mij ervan dat ik leugens vertel.’
Maar dat doe ik niet. Robin zou een heel slechte voorlichter zijn als hij me doelbewust voorloog - als dat uitkomt is hij verder van huis. Hij baseert zich nu echter op andere bronnen dan tijdens het eerste gesprek en blijkbaar melden die iets anders. Ik vraag me af wat er gebeurd is met de informatie waaruit hij tijdens het eerste gesprek putte. Zou die diep zijn weggestopt?
'Hoe zeker ben je ervan dat jouw informatie volledig is?’ vraag ik.
'Ik heb geen reden daaraan te twijfelen.’
'Ik wel’, zeg ik. 'Er is iets wat ik je niet eerder gezegd heb.’ Ik besluit hem te confronteren met wat ik tot nog toe voor me heb gehouden: de inval in het kantoor van ahds. Dat verhaal is me verteld door ziekenhuispersoneel en bevestigd door zowel de provinciaal directeur Gezondheid als de VN-chef in Uruzgan.
Ook heb ik contact gehad met Willem van de Put, directeur van HealthNet TPO. Dat is de Nederlandse organisatie die zich in Uruzgan richt op het verbeteren van de gezondheidszorg. Willem bevestigt de actie. De Afghaanse staf van zijn organisatie ging op onderzoek uit en sprak met ooggetuigen. 'Ik heb begrepen dat het behoorlijk intimiderend was’, zei Willem. Volgens zijn bronnen staakten de militairen het doorzoeken van de ahds-compound toen ze een radiobericht kregen. Vervolgens probeerden ze het ahds-personeel een verklaring te laten ondertekenen waarin stond dat ze geen bezwaar tegen de actie hadden. Het personeel weigerde.
'Heb jij informatie over deze operatie?’ vraag ik aan Robin.
'Er is geen sprake geweest van een actie bij het kantoor van ahds’, antwoordt hij resoluut.

BOVENSTAANDE is te lezen in Als een nacht met duizend sterren. Na het verschijnen van dit boek ga ik door met mijn onderzoek. Ik zoek nog antwoord op twee vragen: wisten de Defensievoorlichters werkelijk niet van de gelijktijdige inval in de ahds-compound? En waarom heeft het Dutch Consortium for Uruzgan (vijf Nederlandse ngo’s die in de provincie samenwerken en van de invallen wisten) deze schending van het oorlogsrecht niet bekendgemaakt?
Ik mail Robin Middel met de vraag of hij bij de ontkenning van de ahds-inval blijft. Er ontspint zich een e-mailwisseling waarin de voorlichter mijn vraag niet beantwoordt, maar zegt dat hij een week de tijd nodig heeft om uit te zoeken of zijn ontkenning terecht was. Mijn deadline verstrijkt echter twee uur en één dag later. Ook doet hij het voorkomen alsof ik hem om een gunst vraag.
Zijn dit opnieuw trucs uit de hoge hoed van de voorlichter? Toen ik in Uruzgan was, met ooggetuigen binnen handbereik, kwam hij in minder dan een dag met een sussende versie van het ziekenhuisverhaal die volgens hem al in het nieuws was geweest. Dat bleek niet te kloppen. Nu lijkt het of hij mijn publicatie wil verstoren door de deadline op te blazen. Ik laat hem weten dat hij door de vraag te beantwoorden niet mij een gunst bewijst, maar hemzelf en de Defensie-organisatie. Eerder ontkende hij de inval in de ahds-compound stellig, maar alles wijst erop dat die wel degelijk plaatsvond. 'Dat antwoord blijft staan tenzij ik voor morgen aan het einde van de dag een ander, beargumenteerd antwoord heb’, mail ik.
Het komt er, keurig binnen de tijd. Er blijken namelijk heel toevallig militairen in het gebouw van de voorlichters te werken die bij de actie betrokken waren, dus kon het wat sneller. Er is bij nader inzien toch een actie geweest bij de ahds-compound. Volgens Defensie was het wederom geen inval, maar een 'bezoek’. Er was zelfs nog een derde 'bezoek’, bij een opslagplaats van verband- en geneesmiddelen. De militairen waren op zoek naar medisch personeel dat onder dwang zorg en medicijnen leverde aan gewonde Talibanstrijders. Net als in het ziekenhuis werd niets verdachts gevonden. De doorzoeking van de ahds-compound gebeurde 'met toestemming’. Over intimidatie en de vrijwarende verklaring die de militairen ter ondertekening voorlegden is bij de voorlichter niets bekend. Volgens hem was de sfeer 'vriendelijk’. Wel zegt hij: 'Als we niet binnengelaten waren zou dat tot andere acties hebben kunnen leiden.’

DAN DE Nederlandse ngo’s. Het Dutch Consortium for Uruzgan (dcu) heeft net als Defensie de schending van het oorlogsrecht stilgehouden. Binnen het consortium is ahds partner van Cordaid, dat onder meer zorgt voor de financiering van ahds. Cordaid-directeur René Grotenhuis stuurde een protestbrief naar Defensie en Buitenlandse Zaken waarin hij de operaties omschrijft als 'binnenvallen’, niet als vriendelijke bezoekjes. Van de brief krijg ik alleen de eerste alinea te zien. De rest houdt hij liever geheim.
'Wij zagen geen reden om de acties publiek te maken’, zegt de Cordaid-directeur. 'We hebben de dader aangesproken op zijn gedrag en hij heeft beterschap beloofd. Wat wij wilden bereiken was dat ahds zijn werk weer kon doen. Het is net als met kindermishandeling: de eerste opdracht die je hebt is zorgen dat het stopt. Dat is gelukt.

HEALTHNET-DIRECTEUR Willem van de Put, die met zijn organisatie deel uitmaakt van dcu, vindt dat het consortium de invallen wél direct bekend had moeten maken: 'Wij zijn er achteraf gezien niet trots op dat dit is stilgehouden. Met het bekendmaken van de ziekenhuisinval hadden we kunnen tonen dat Nederlandse militairen dezelfde fouten maken als we de Amerikanen verwijten. We hadden hiermee moeten wijzen op de onmogelijke combinatie van hearts and minds winnen en meedoen aan de war on terror. Als ook de Nederlandse strijdkrachten er niet in slagen een slimmere manier van handelen te tonen, dan zitten we elkaar in de weg. En nog erger is dat we dan bijdragen aan het verergeren van de situatie in plaats van de beloofde verbetering te brengen.’
HealthNet TPO zit in een voortdurende spagaat, zegt Van de Put: 'We zijn voor samenwerking van ngo’s, zodat je meer kunt bereiken. Maar over de verhoudingen met de strijdende partijen in het veld, waarvan de Nederlandse overheid er één is, verschillen de meningen. Dat is op zich geen probleem, maar mag niet leiden tot medeplichtigheid aan het verzwijgen van zaken die over het voetlicht moeten worden gebracht. In het belang van de bevolking van Afghanistan, maar ook van zuivere verhoudingen aan de Nederlandse kant.’

Dit artikel is voor het grootste deel een voorpublicatie uit het boek Als een nacht met duizend sterren: Oorlogsjournalistiek in Uruzgan, verschenen bij Podium (351 blz., € 21,50). Bestel een gesigneerd exemplaar in onze webwinkel.