Interview: Johan Doesburg

«We zijn niet aardig meer»

Michel Houellebecqs omstreden roman Elementaire deeltjes gaat dit weekend als toneelstuk in première. Regisseur Johan Doesburg verwacht geen commotie. «Ik zie het als een krachtig pleidooi voor de liefde.»

Een week voor de première voelt regisseur Johan Doesburg, steevast ge kleed in zwart pak met zwart overhemd, zich als een vrouw in het voorstadium van de bevalling: «Ik heb last van weeën en zit nu op vier centimeter ontsluiting. De verlossing is in zicht.»
Nog drie try-outs en dan moet hij zijn kind na maanden hard werken loslaten. Door de reacties van het publiek en de kritieken van recensenten gaat het stuk, dat hij samen met dramaturg Sophie Kassies «vrij naar» Houellebecq heeft gedramatiseerd, een eigen leven leiden. Daar heb je als regisseur geen invloed meer op. Doesburg weet zeker dat de voorstelling niet dezelfde impact zal hebben als het boek, want het is een andere entiteit. Johan Doesburg: «Bovendien zijn we zeven jaar verder. Houellebecqs aankondiging van een metafysische omwenteling als gevolg van een technologische revolutie is inmiddels veel minder sciencefiction. En wat eind vorige eeuw gold als een schokkende aanklacht tegen de verworvenheden van de jaren zestig is nu in heel Europa onderwerp van een brede politieke, filosofische bespiegeling. Het boek was in 1998 radicaal en provocatief, nu is het actueel.»
In Elementaire deeltjes vertelt Michel Houellebecq (1958) het deels autobiografische verhaal van de halfbroers Bruno en Michel, geschonden, eenzame kinderen van een moeder die hen niet kan opvoeden omdat ze bezig is met zelfontplooiing. Terwijl Bruno koorts achtig zoekt naar genot legt de ascetische microbioloog Michel de grondslagen voor een genetische revolutie. Deze verknipte producten van vrije seks zijn metafoor voor het morele bankroet van de liberale, wes terse samenleving in de tweede helft van de twintigste eeuw.
Toen de roman op de drempel van het nieuwe millennium uitkwam, werd Frankrijk verscheurd door een polemiek. Tegenstanders beschouwden de jonge schrijver als een racistische, antifeministische, pornografische, reac tionaire, zo niet fascistische, idioot die met zijn in woede gedoopte pen de generatie van 1968 op de schroothoop zette. Ook legden veel mensen Elementaire deeltjes vol afschuw weg vanwege de rauwe, afstandelijke beschrijvingen van seksuele handelingen. Houellebecqs maatschappijvisie getuigt in hun ogen van cultuurpessimisme, zijn mensbeeld van cynisme. De romanfiguren, die hun innerlijke leegte opvullen met materiële en seksuele behoeftebevrediging, wekken antipathie. Tot kotsneigingen toe, zoals een Franse recensent ooit schreef.
Houellebecqs bewonderaars stelden daar tegenover dat hij een briljant meesterwerk had geschreven, een humoristische, gelaagde roman van wereldformaat. De wijze waarop hij de samenleving analyseerde was weliswaar mee dogenloos en niet politiek correct, maar daardoor scherp, raak en visionair.
Michel Houellebecq werd in 1998 in één klap wereldberoemd. Elementaire deeltjes is inmid dels in zo’n veertig landen vertaald. Zijn andere boeken, zoals Platform, zorgen eveneens voor commotie. De persoonlijkheid van de schrijver zelf draagt niet in de laatste plaats bij aan zijn roem van bijna mythische proporties: vanwege zijn stellige visies in zijn romans voerde hij rechtszaken, hij laat zich nauwelijks interviewen, verschijnt niet op afspraken, is gedrogeerd tijdens openbare optredens en is soms maanden «zoek». Zijn schuchtere imago wordt nog versterkt door het feit dat hij zich heeft terug getrokken op het platteland van Ierland.

Johan Doesburg (1955) is als regisseur in Nederland ook niet onomstreden. Zijn eindexamenproductie van Rainer Werner Fassbinders toneelstuk Het vuil, de dood en de stad leidde in 1987 vanwege het vermeend antisemitische karakter tot redeloze woede. Na hoog lopende ruzies werd het stuk uiteindelijk in besloten kring eenmalig opgevoerd. Pas vijftien jaar later was het klimaat rijp om het alsnog op de planken te brengen, maar Freek de Jonge kon niet nalaten Doesburg «een klein verwend kind dat zijn zin wilde hebben» te noemen. Doesburgs tweede voorstelling, in 1988, was een theologische klucht over een jonge Hitler als mislukt kunstenaar in Oostenrijk. Tussen zijn turbulente eindexamen aan de regisseursopleiding in Amsterdam en zijn gerenommeerde positie als artistiek directeur van het Nationale Toneel in Den Haag zit een rijk repertoire: hij regisseerde 45 stukken, van Shakespeare tot Sara Kane.
Elementaire deeltjes las Doesburg, pas in 2000, in één ruk uit. Het maakte een verpletterende indruk. Doesburg: «Ik voel verwantschap met de schrijver, omdat we generatiegenoten zijn. Mijn eigen biografie loopt enigszins parallel: ik heb één broer, die vijf jaar ouder is. Hij was radicaal links en in de jaren zeventig in Groningen druk bezig met het lot van de kartonarbeiders. De samenleving was toen op een prettige manier in verwarring. Ik herken de wijze waarop Houellebecq het menselijk handelen neerzet in de context van de sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen. Zowel de verworvenheden als de aberraties van de jaren zestig raken me. Toen gold het ideaal van de maakbare samenleving. Maar alle prachtige emanciperende ontwikkelingen ten spijt, het heeft ook geleid tot een wereld waarin individuen worden gestuurd door de wetten van de markt. Economisch en sociaal-emotioneel is iedereen bezig zichzelf te verkopen. Vanuit deze competitie hebben mensen afgeleerd zich te hechten: aan een gezin, aan een partner, aan een werkgever of aan een kleine gemeenschap. Tegenover deze referentieloze mens stelt Houellebecq niet de terugkeer naar oude waarden, maar het heil van de maakbare mens. Door middel van genmanipulatie kun je mensen gelukkig maken. Hij zegt: morgen zal vrouwelijk zijn. Het boek is prikkelend en confronterend. Een fragmentatiebom.»

Toen hij de roman had gelezen kreeg Doesburg onmiddellijk de drang Elementaire deeltjes te theatraliseren. In Duitsland was dat al gebeurd door Frank Castorf. De Nederlandse regisseur Johan Simons bracht het in 2002 in een bewerking onder de titel Gen en vorig jaar als Elementairteilchen in Zwitserland. Toestemming van de schrijver verkreeg Doesburg uiteindelijk door tussenkomst van vertaler Martin de Haan.
Doesburg: «Houellebecq bemoeit zich er niet mee. De acteurs, Sophie en ik hebben geprobeerd het in zijn geest neer te zetten. Iedereen zei dat het onmogelijk is om er toneel van te maken. Inderdaad, het is lastig. Het boek is voor de helft gevuld met bespiegelingen. Die zijn niet allemaal te dramatiseren. Het fragmentarische ka rakter is gehandhaafd. De plotlijnen leiden tot een catharsis.»
In razend tempo beschrijft Doesburg hoe het decor eruit gaat zien: een grote steiger tegen de achterwand die fungeert als een apenrots voor de vijf hoofd figuren (Bruno, Michel, Annabelle, Christiane en Janine). De steiger staat ook symbool voor de nieuwe filosofie van de natuurkundige ruimte. Met behulp van video worden spelers tijdens monologen vergroot geprojecteerd op de zijwanden.
Het boek beschouwt Doesburg als een soort bijbeltje waar hij hoofdlijnen uithaalt. Als een inspiratiebron, zoals Shakespeare dat ook is. Het gaat hem in essentie om het volgende: «Allereerst het isolement van het individu in de westerse verleidingscultuur. We maken elkaar gek door genot – en dat heeft met liefde niks te maken – en begeerte naar een nieuwe auto, een tweede huis of de zoveelste vakantie. We verzuipen in de keuzemogelijkheden. Het onvermogen tot emotionele binding, de referentieloosheid, maakt ongelukkig. Ondertussen broeit er, voor de massa nog redelijk onzichtbaar, een technologische revolutie die zal zorgen voor een metafysische omwenteling. Mijn voorstelling begin ik bij de vertelling dat het vroege christendom niet had kunnen bedenken dat het in staat zou zijn geweest het Romeinse Rijk van de kaart te vegen. Met de opkomst van de rede werd de bijl gezet in het sluitende christelijke systeem. Dat is de tweede metafysische omwenteling. Halverwege de vorige eeuw begonnen de zekerheden van het geloof te barsten: de derde metafysische omwenteling die zich volgens Houellebecq nu voltrekt. Geen enkel mens kan de kracht van de voortschrijdende wetenschap tegenhouden. Door de genetische revolutie kunnen we straks misschien agressie temperen en geluk bevorderen. Maar hierin manifesteert zich tevens het Galileo-dilemma. De morele consequenties van de technologische mogelijkheden genereren angst en weerstand. Zal er eenvormigheid ontstaan en is er nog plaats voor anders-zijn?»
Doesburg fantaseert hardop over de mooie kanten van genmanipulatie. Erfelijke ziekten zullen verdwijnen. Of stel, zegt hij vrolijk, dat je de sensoren uit de genitaliën genetisch kunt vermeerderen en verplaatsen over het lichaam, dan hoef je elkaar maar de hand te schudden of er ontstaat een groot gevoel van welbehagen. «We zijn niet aardig genoeg meer voor elkaar, het zou een geweldige oplossing zijn.»

De andere lijn die hem boeit is de zogenaamde consistente geschiedenis, analoog aan de natuurkundige meetmethode waarbij atomaire deeltjes kunnen worden gemeten als deeltjes of als golfbewegingen. De uitslag wordt bepaald door de manier waarop je kijkt en meet. De quantummechanica bleek lastig om concreet in de voorstelling te verwerken. Doesburg: «Ik gebruik het in de voorstelling als wetenschappelijk begrip, maar ook als metafoor voor menselijk han delen. Waar het op neerkomt is dat iedereen geneigd is tot het creëren van zijn eigen geschiedenis. Het standpunt van kijken bepaalt de uitkomst en de invulling. Het leidt ertoe dat mensen een logische verklaring maken van hun eigen levensloop. In het boek wordt gesteld dat we denken dat we een vrije wil hebben, maar we zijn gedetermineerd. Iedereen maakt er een zooitje van, niemand komt er met zichzelf uit, maar probeert toch een soort consistent verhaal te maken van zijn eigen wordingsproces.»
Doesburg kiest ervoor om alle personages met een zelfde empathie te benaderen: «Toneel gaat altijd over mensen met botsende belangen. Het prachtige van mijn functie als regisseur is dat ik me bezighoud met fantasie en fictie; ik mag met de karakters stoeien en ze naar mijn hand zetten. Toneel is een methode om de werkelijkheid te bevragen. Ik doe dat als een kind: puur en universeel. Daarbij werk ik niet vanuit een vogelperspectief maar vanuit het kikkerperspectief: vanuit een laag standpunt kijk ik naar de werkelijkheid. Met als gevaar dat er soms op je getrapt wordt.»
Ter afleiding tovert Doesburg een van zijn persoonlijke rekwisieten, een borstel, uit zijn binnenzak en maait flink door zijn lange haren. Hij keert terug naar Houellebecqs begrip referentieloosheid: «Mens-zijn ís verbondenheid. Scheiding, in de zin van los weken, is met andere woorden het Kwaad. Vorig jaar hebben mijn broer en ik, en vooral mijn broer, onze moeder in de laatste vier maanden voor haar dood verpleegd. Dat vergde veel van onze tijd en energie, terwijl we natuurlijk van tevoren niet wisten hoe lang het zou gaan duren. Die verbondenheid met haar betekende voor mij existentieel geluk. Ze was een geweldige vrouw, een lieve moeder. Ze is geëindigd als een kind in mijn armen. Het draait in het leven om bloedverwantschap. Als de twee halfbroers Bruno en Michel elkaar na jaren voor het eerst weer ontmoeten en maar praten en drinken en nog eens praten en drinken zonder dat er echt contact ontstaat, vraagt Michel midden in een betoog van Bruno: ‹Hou je van me?› Ik vind dat ontroerend. Het hele boek gaat uiteindelijk om snakken naar liefde. Daarom heeft míjn voorstelling als ondertitel meegekregen: een pleidooi voor de liefde.»