Zoönosen in Nederland

‘We zijn nog steeds niet voorbereid’

Nederland is zeer kwetsbaar voor zoönosen, ziekten die overspringen van dier op mens, zoals vogelgriep en Q-koorts. Hoe kunnen in zo’n situatie landbouwbelangen zwaarder blijven wegen dan de volksgezondheid?

Artikelen in De Groene Amsterdammer over de coronacrisis zijn voor alle lezers gratis te lezen. Interesse om meer te lezen?

Een geitenhouderij in Bunnik, 2010, vlak voordat een groot deel van de geiten wordt geruimd in verband met Q-koorts © Evelyne Jacq / HH

Sinds kort is het basiskennis voor bijna iedereen: veel epidemieën beginnen als ‘zoönose’, een ziekte die begint in een dier en overspringt op de mens. Het wekte dan ook weinig verbazing dat zowel het recente coronavirus als het verwante sarsvirus in 2002 uitbrak op Chinese ‘wet markets’: grote hallen waar levende dieren dicht op elkaar gepakt verkocht worden en waar ze, verser dan vers, voor je neus geslacht worden.

Europa kent maar twee grote uitbraken van ziekten die vanuit de moderne, intensieve veehouderij oversprongen op mensen. Wat niet behoort tot de basiskennis, is dat beide uitbraken zich voordeden in de afgelopen twintig jaar, en dat beide plaatsvonden in Nederland. In 2003 raakten duizend mensen besmet met vogelgriep en kwam een dierenarts te overlijden. En tussen 2007 en 2010 kregen geitenhouderijen en mensen in de omgeving daarvan te maken met Q-koorts. Het gevolg: honderdduizend besmettingen; duizenden chronisch zieken en bijna honderd doden. In Nederland kun je geen vee op de markt laten slachten en ons land kent ook geen fokkerijen voor exotische schubdieren of civetkatten. Maar met zowel de hoogste bevolkings- als veedichtheid van Europa zijn we kwetsbaarder dan onze eigen overheid wil toegeven.

Telkens wanneer een nieuwe zoönose heeft huisgehouden volgen er onderzoeken, aanbevelingen en maatregelen. En telkens slaan bestuurders en onderzoekers zich op de borst dat Nederland ‘uniek’ goed is voorbereid op de volgende uitbraak. Maar niet iedereen gelooft dat. Want telkens als een nieuwe zoönose uitbreekt, zo zeggen betrokkenen en experts tegen platform voor onderzoeksjournalistiek Investico, wegen de landbouwbelangen zwaarder dan de volksgezondheid. En die vanzelfsprekende dominante positie van de landbouw bestaat nog steeds.

‘Nederland is het China van Europa’, zei Roel Coutinho, toenmalig directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het rivm in 2009 tegen de NRC. Die uitspraak heeft sindsdien een andere lading gekregen en Coutinho zegt hem zich ook niet te kunnen herinneren. ‘Maar ik bedoelde waarschijnlijk dat wij in een dichtbevolkt land met veel landbouwdieren leven, en ook nog heel dicht op de boerderijen.’

De ernstigste zoönose tijdens Coutinho’s tijd als CIb-directeur waaide over uit geitenstallen. ‘Q-koorts. Voor ons was het volledig onbekend.’ De Q-koortsbacterie zorgt bij geiten voor een spontane abortus. De geïnfecteerde placenta en het vruchtwater mengen zich vervolgens met de mest, en als die verwaait kunnen mensen in de omgeving besmet raken. Eén bacterie kan al genoeg zijn voor een besmetting. ‘Er kwamen in 2007 allemaal meldingen uit één dorp in Oost-Brabant’, zegt Coutinho, ‘het zal daar wel blijven, dachten we toen.’

Huisarts Alfons Olde Loohuis kan zich het eerste Q-koortsgeval moeiteloos herinneren. Hij had een praktijk in het Brabantse Herpen, het dorp tussen Oss en Nijmegen dat het epicentrum van de Q-koortsuitbraak zou worden. Steeds meer patiënten op zijn spreekuur hadden longontstekingen en hoge koorts, vertelt hij: ‘Mensen zakten in elkaar.’ Toen het uiteindelijk Q-koorts bleek te zijn, zorgde dat voor ‘een storm’ in het dorp: ‘De geitenhouder hier in de omgeving kon zijn kinderen niet eens meer naar school brengen.’

Tussen 2007 en 2010 werd Nederland getroffen door een Q-koortsepidemie die qua omvang ongeëvenaard is in de wereld. Omdat de ziekte alleen van geit op mens kan worden overgedragen, en dus niet van mens op mens, is het risico op een uitbraak over het algemeen klein. Maar begin deze eeuw werden steeds meer intensieve geitenhouderijen geopend. Opmerkelijk vaak door ex-varkensboeren die vanwege ervaringen met varkenspest voor een ander soort vee kozen. Zo kon de ziekte honderdduizend mensen besmetten. Ongeveer honderd van hen zijn aan de gevolgen overleden. Huisarts Olde Loohuis werkt sinds zijn pensionering voor de stichting Q-support, die de belangen van Q-koortspatiënten behartigt. ‘De ziekte is nog steeds een trauma in de regio.’

Na de eerste Q-koortsdiagnose duurde het lang voordat Olde Loohuis zijn collega-artsen van de ernst van de ziekte had overtuigd. ‘We hebben Q-koorts aanvankelijk volledig onderschat’, zegt ook oud-CIb-directeur Coutinho. ‘We konden ook niet aantonen dat het precies dezelfde bacterie was bij de geit en bij de mens. In het begin wisten we slechts dat mensen het vrijwel alleen rondom geitenbedrijven kregen. Daardoor kon het ministerie van Landbouw blijven zeggen dat het niet zeker was dat het van de geiten kwam.’

Zowel Coutinho als Olde Loohuis stelt dat het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vergaande maatregelen lang actief heeft tegengewerkt. Al in 2006 wilde het rivm Q-koorts onderzoeken nadat op grote geitenhouderijen besmettingen waren vastgesteld. Het ministerie reageerde niet. ‘Het heeft ook meer dan een half jaar geduurd voordat er een meldplicht kwam voor geitenboeren met een besmetting in hun stal’, zegt Coutinho. Tot op het hoogtepunt van de epidemie wist niemand welke bedrijven in Nederland besmet waren. De Gezondheidsdienst voor Dieren, die de verantwoordelijkheid heeft om dierziekten te monitoren, wist dat wel maar was in 2000 geprivatiseerd en wilde de gegevens van hun ‘klanten’ niet delen.

‘Volgens Landbouw kon het bovendien niet aan de geitenmest liggen’, zegt Olde Loohuis, ‘want die werd ook over akkers in Zeeland uitgereden en daar was geen Q-koorts. Later bleek dat ze die mest alleen ’s winters naar Zeeland reden, dan zijn er natuurlijk geen geboortes en komt Q-koorts sowieso niet voor. Ik ben toen gestopt met alles te geloven wat de landbouw zegt.’

Pas in het derde jaar van de Q-koortsepidemie gaf Gerda Verburg, toenmalig minister van Landbouw, de opdracht om geiten te ruimen. Een van de moeilijkste beslissingen uit haar leven, zou ze later zeggen. Volgens Olde Loohuis speelde de herinnering aan varkenspest en mond- en-klauwzeer daarbij een rol. ‘Zij wilde gewoon voorkomen dat er nog eens massaal geruimd werd.’

Nederland heeft zowel de hoogste bevolkings- als veedichtheid van Europa

Edith Schippers, toenmalig minister van Volksgezondheid, verzekerde de Tweede Kamer in 2015: een ramp als de vogelgriep of Q-koorts zal ons nu niet snel meer overkomen. Vanaf die tijd wordt namelijk het ‘One Health’-principe aangehangen: een hechtere samenwerking tussen humane en veterinaire geneeskunde. Dieren- en mensenartsen komen sindsdien maandelijks samen om informatie met elkaar uit te wisselen. Onder bestuurders en artsen geldt dit als dé innovatie nieuwe aanpak voor zoönotische uitbraken. ‘Nederland loopt hiermee in internationaal verband voorop’, meldde Schippers.

‘One Health is vooral een buzzwoord’, zegt landbouweconoom Gert van Dijk. Hij was de voorzitter van de commissie die in opdracht van het kabinet het Q-koortsfiasco moest evalueren. In het uiteindelijke advies staat opmerkelijk weinig over een gebrek aan samenwerking tussen dieren- en mensenartsen. ‘One Health heeft wel wat opgeleverd op wetenschappelijk vlak, het heeft onze aanpak niet beter gemaakt.’

Het rapport bevatte wel een aantal andere duidelijke aanbevelingen. Zo moest de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (nvwa), om een ‘werkelijke autoriteit te worden’, op afstand van de ministeries worden geplaatst. Dat gebeurde echter niet. Sterker nog: in tegenstelling tot veel Europese landen valt de nvwa in Nederland onder direct toezicht van het ministerie van Landbouw. En het belangrijkste, volgens Van Dijk: ‘Het ministerie van vws moet de eindverantwoordelijkheid hebben wanneer er een uitbraak van een zoönose is, zodat zij bijvoorbeeld kunnen besluiten om dieren te ruimen.’ Die macht kreeg het ministerie niet. ‘Toen we ons rapport inleverden was iedereen heel enthousiast. Maar de aanbevelingen zijn nooit doorgevoerd.’ Waarom niet, weet hij ook niet. ‘Mijn indruk is dat ze hebben gedacht: moeten we dit nou allemaal zo formeel vastleggen; hier komen we de volgende keer onderling wel uit.’

Andere maatregelen werden mondjesmaat of pas laat getroffen. Gelderland en Brabant kondigden een regionale ‘geitenstop’ af, nog zeven provincies volgden dat voorbeeld. Maar doordat oude vergunningen nog ruimte overlaten, stijgt het aantal geiten in Nederland nog steeds.

De kans dat dit specifiek tot Q-koortsuitbraken leidt is nihil. Want melkgeiten worden tegenwoordig ingeënt tegen de ziekte. Een simpele, belangrijke en noodzakelijke stap. Maar de dieren blijken ook andere, nog onverklaarde gezondheidsrisico’s met zich mee te brengen. Omwonenden van intensieve geitenhouderijen in delen van Brabant en Noord-Limburg hebben, zo blijkt, nog steeds vijftig procent meer kans op het oplopen van een longontsteking.

‘Dit verband is in acht opeenvolgende jaren waargenomen, we weten alleen niet wát de ontstekingen veroorzaakt’, zegt Kitty Maassen, die voor het rivm onderzoek doet naar zoönosen in Nederland. ‘Wat vaststaat is dat er geen verband is met Q-koorts.’ Maar de uitkomst van een onderzoek naar de oorzaak wordt op z’n vroegst in 2022 verwacht.

Historicus Floor Haalboom promoveerde op de Nederlandse bestrijding van zoönosen. Zij onderschrijft de kritiek van Van Dijk op ‘One Health-samenwerking’ als trots van Neerlands zoönosenaanpak. ‘Het klopt gewoon niet dat veterinaire en humane artsen in het verleden te weinig samenwerkten’, zegt Haalboom. Al in 1900 maakten artsen en dierenartsen zich samen sterk voor een betere volksgezondheid. Een eeuw later was dergelijke samenwerking volgens Haalboom nog steeds vanzelfsprekend.

Volgens Haalboom is die roep om meer samenwerking na elke uitbraak opnieuw te horen. ‘Het is een vorm van depolitisering, want als het aan “de communicatie” of “de samenwerking” ligt, is er niemand echt verantwoordelijk. Het leidt uiteindelijk de aandacht af van het onderliggende probleem: dat de economische belangen van de landbouw telkens zwaarder wegen dan het belang van volksgezondheid.’

Haalboom onderzocht uitbraken van salmonella, rundertuberculose en de gekkekoeienziekte. Overal zag ze hetzelfde patroon. ‘De argumenten van de sterk georganiseerde boerenlobby vonden telkens veel meer weerklank in de politiek dan die van volksgezondheid.’ Bij de eerste salmonella-affaires in de jaren zestig van de vorige eeuw zag je dat het ministerie van Landbouw en boerenbelangenbehartigers twijfel bleven zaaien over de ernst van de infecties. Net als bij Q-koorts. ‘Die onderliggende machtsverhoudingen moet je veranderen als je een veranderde aanpak wil.’

Haalboom vervolgt: ‘De bestrijding van de gekkekoeienziekte verliep precies om deze reden voorbeeldig. Toevallig lagen de belangen van veehouders, voederbedrijven en volksgezondheid toen wel op één lijn. De vee-industrie wilde de export beschermen tegen verdachte Britse producten en dat was ook goed voor de volksgezondheid.’

‘Je weet nooit waar of wanneer een uitbraak plaatsvindt’, zegt landbouweconoom Gert van Dijk. ‘Juist daarom moet vooraf goed duidelijk zijn wie de verantwoordelijkheid heeft voor de aanpak.’

Maar de verantwoordelijkheden liggen nog steeds verdeeld over de ministeries van Landbouw en Volksgezondheid. Bij een uitbraak wordt het weer ordinair touwtrekken tussen de belangen van boeren en die van bewoners met vage gezondheidsklachten. ‘We hebben geluk dat er sinds Q-koorts geen grote uitbraak meer geweest is’, aldus Van Dijk. ‘Maar daar kun je niet op wachten. Corona laat zien: als het eenmaal komt, is iedereen te laat. Je moet voorbereid zijn. Dat zijn we niet.’