Advies aan de (in)formateur (9): Barbara Oomen

‘We zijn nonchalant over onze rechtsstaat’

De democratische rechtsstaat heeft averij opgelopen en dat moeten we herstellen, vindt hoogleraar mensenrechten Barbara Oomen. Ze pleit ervoor om wetten te kunnen toetsen aan de grondwet.

Barbara Oomen heeft zich met succes ingezet voor verbetering van het burgerschapsonderwijs

‘Kijk’, zegt Barbara Oomen, hoogleraar mensenrechten aan University College Roosevelt, als we na een wandeling door de monumentale binnenstad zijn gearriveerd op een besloten pleintje, ‘hier gaven we werkgroepen, in een kring op anderhalve meter afstand van elkaar. Totdat het niet meer mocht, alles online ging en studenten zich terugtrokken in hun kamers.’

In de weken voorafgaand aan de coronacrisis legde ze tijdens het college staatsrecht aan haar studenten uit hoe ons constitutioneel bestel met macht en tegenmacht en de trias politica werkt en hoe grondrechten onder bijzondere omstandigheden ingeperkt mogen worden. ‘Voor hen is dat tamelijk abstracte kost. En toen hadden we opeens live een casus voor onze neus. Samen zijn we alle stappen gaan volgen. Best vervreemdend’, zegt ze inmiddels in haar werkkamer boven in een bijgebouw van de kerk van de Waalse Gemeente waar na de zondagsdienst in de ruimte op de begane grond de kerkgangers koffiedrinken. De fletse kleuren van het interieur, de houten stoelen en versleten vloertegels – er hangt een ouderwetse, geborgen sfeer.

Nu de samenleving weer openbreekt, lijkt de periode waarin de vrijheid van burgers verregaand is ingeperkt bijna vergeten. Op weg naar Middelburg zit ik in de Randstad vast in de file en vervolgens kachel ik in een sliert van auto’s met caravans of volgeladen bakkies door het vlakke land, over dijken en dammen met aan weerszijden de in de zon blinkende wateren van Zeeland. Op het grote plein voor het gotische stadhuis van de provinciehoofdstad puilen de terrasjes uit van genietende mensen. Het toeristische seizoen is weer begonnen, de economie draait op volle toeren. Maar het is belangrijk om staatsrechtelijk stil te staan bij de coronacrisis die heeft blootgelegd wat Oomen ‘een al langer rottend proces’ noemt.

De theorie en de praktijk van de democratische rechtsstaat, daar gaat dit gesprek over. Het heeft haar, zacht uitgedrukt, verbaasd hoe het kabinet in de bestrijding van de epidemie is omgesprongen met de grondrechten. ‘Terwijl godsdienstvrijheid voorrang had en kerken en moskeeën vol zaten, ging er een slot op de deur van musea en theaters. Er was weinig aandacht voor de rechten van kwetsbare groepen, zoals met het bezoekverbod voor verpleeghuizen. Dat is een inbreuk op het recht op familieleven. De sluiting van scholen en universiteiten: een aantasting van het recht op onderwijs. Dat kan, maar het moet proportioneel zijn. Op een gegeven moment was de ratio eigenlijk om scholen dicht te houden om ouders thuis te houden. Dat komt erop neer dat de overheid haar macht gebruikt om een ander doel te bereiken. Of de eerste coronaboetes voor samenscholing van 390 euro plus een aantekening op je strafblad. Hoe verzin je het? Het ging bijvoorbeeld om jongens van een jaar of zeventien die samen op een telefoon zaten te kijken.’

Advies aan de (in)formateur

Deze weken laat De Groene onafhankelijke deskundigen aan het woord. Welke stappen moeten op hun terrein in de komende vier jaar worden gezet? Wat moet er in het regeerakkoord komen?

Voor alle duidelijkheid: niet alle grondrechten staan in onze grondwet. ‘Dat wordt vaak gedacht. Maar een groot deel ervan is verankerd in internationale verdragen, zoals het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (evrm). Een aantal VN-verdragen vraagt expliciet aandacht voor de positie van kwetsbare groepen. Bijvoorbeeld het Kinderrechtenverdrag dat stelt dat autoriteiten bij alles wat ze doen het belang van het kind voorop moet laten staan. Of het Istanbul-verdrag, dat betrekking heeft op veiligheid voor vrouwen. Huiselijk geweld achter de voordeur was tijdens de lockdown een groot risico. Je hebt als staat ook een zorgplicht voor mensen met een beperking op basis van het VN-verdrag voor gehandicapten. Ik heb hier in Middelburg gezien dat door de sluiting van sociale werkplaatsen mensen in een jaar verpieterden.’

‘Nederland is tijdens de coronacrisis rechtsstatelijk door het ijs gezakt’

Niet alleen is de precaire balans tussen grondrechten verstoord geraakt, het ontbrak ook aan democratische legitimatie. ‘De overheid eigende zich enorme bevoegdheden toe, zonder het parlement erbij te betrekken. Pas in december kwam er een coronawet, dáárvoor waren er maandenlang noodverordeningen die bij de veiligheidsregio’s waren neergelegd; zij zijn geen democratisch gecontroleerde organen. In andere Europese landen, maar ook in een land als India, gold al snel een coronawet die via het parlement verliep. De keuzes en de wettelijke basis ervan werden goed aan burgers uitgelegd. In Nederland gebeurde dat niet.’

Nee, het was geen kwade wil. Ze denkt dat er twee oorzaken waren. Allereerst de behoefte aan doorpakken. ‘We wilden het snel fiksen, waar zorgvuldigheid waarschijnlijk tot betere uitkomsten had geleid of tot in elk geval meer begrip ervoor.’ Het andere vindt ze ernstiger: gebrek aan rechtsstatelijke kennis in zowel het kabinet als in de Tweede Kamer, en daardoor geen juridisch reflex. Dat brengt haar op het punt waar ze zich al langer zorgen over maakt: het uithollen van de rechtsstaat. ‘Nederland is rechtsstatelijk door het ijs gezakt, wat al onderhevig was aan erosie is tijdens de coronacrisis uitvergroot.’

Ze noemt voorbeelden die op alle fronten een symptoom zijn van een patroon. De toeslagenaffaire. De forse bezuinigingen op de rechterlijke macht en de sociale advocatuur, waardoor de toegang tot het recht is uitgekleed. Of allerlei akkoorden, zoals het klimaatakkoord, het energieakkoord, het preventieakkoord, waar het parlement alleen kon tekenen ‘bij het kruisje’ en er nauwelijks kritische controle meer mogelijk was. Macht met te weinig tegenmacht, niet goed functionerend dualisme. ‘Dat moet worden hersteld.’

Op de urgentie van bestuurlijke vernieuwing hamerde ook informateur Herman Tjeenk Willink in zijn eindverslag na zijn eerste verkenning met zeventien fractievoorzitters. Dat geluid klonk niet voor het eerst, er zijn in de afgelopen jaren de nodige rapporten met soortgelijke waarschuwingen over ons bestel verschenen. Van de Nationale Ombudsman. Of van de commissie-Remkes die in Lage drempels, hoge dijken (2018) concludeert dat na honderd jaar het hoog tijd is voor aanpassingen aan onze democratie en rechtsstaat en ‘niet alle burgers zich voldoende gehoord en vertegenwoordigd voelen en de bestaande politieke onvrede bij een deel van de bevolking kan leiden tot afhaken en afkeer van de democratie’.

‘Het lijkt of dat geluid niet echt wil landen bij de politiek’, verzucht Oomen. Terwijl daar alle reden toe is. Een rammelende rechtsstaat biedt ruimte aan populisme, zoals Geert Wilders die met dedain spreekt over ‘het elitezooitje op het Binnenhof’ of Thierry Baudet die meent dat we internationale mensenrechtenverdragen aan de wilgen moeten hangen. ‘De afgelopen tien jaar is een aanval gepleegd op de rechtsstaat, echt een expliciete en bewuste aanval. Wilders die op tv beweerde dat als hij werd veroordeeld voor zijn uitspraak “Minder Marokkanen”, dat dit de bijl in de wortel van de rechtsstaat betekende en twee miljoen Nederlanders geen vertrouwen meer zouden hebben in de rechter. FvD en pvv stellen doodleuk: “We moeten rechters ontslaan en hier in de Tweede Kamer kunnen benoemen.” Baudet verscheen voor het eerst op het landelijke toneel met een artikel in de krant over de rechters in Straatsburg die niet democratisch gekozen zijn en ons maar in de weg zitten. Dat was in 2010. Inhoudelijk krijgt hij te weinig tegengas.’

Het gebrek aan weerwoord in het parlement en daarbuiten zit haar hoog. ‘Het hoort bij een weerbare democratische rechtsstaat waar we met z’n allen vierkant achter moeten staan, dat is politiek overstijgend.’

‘PVV en FvD hebben een expliciete en bewuste aanval gepleegd op de rechtsstaat’

In de week voordat het coronavirus uitbrak was ze aanwezig bij een belangrijke hoorzitting voor experts in de Kamer waar ze zich ‘tussen gewurmd had’. Het ging over de dikastocratie, een begrip uit het Grieks dat neerkomt op ‘regering door rechters’ en van stal is gehaald door Thierry Baudet vanuit zijn gedachte dat in ons land linkse activistische rechters politiek bedrijven. Op zich vond ze het goed dat het parlement de gelegenheid bood om kennis over dit onderwerp in te brengen. ‘Dus ik ging ernaartoe, als enige vrouwelijke expert overigens. Nou, dan heb je een heel blok voor je dat er totaal anders over denkt: moeten we die internationale verdragen nog wel willen? Of: de rechter heeft te veel macht en iedereen kan zomaar naar de rechter stappen. Dat dit zo breed leeft, vond ik schokkend.’

Oomen kijkt door de bril van de jurist, omdat ze er diep in gelooft dat als je grondrechten, menselijke waardigheid en gelijke behandeling serieus neemt en in de praktijk toepast, je uitkomt op datgene wat het beste is voor iedereen. Als wetenschapper zet ze zich in voor de versterking van de grondwet en van mensenrechten, in haar onderzoek richt ze zich altijd op de verhouding tussen het recht en de werkelijkheid. Zo publiceerde zij Rights for Others: The Slow Home-Coming of Human Rights in the Netherlands (2013), waarin zij betoogt dat mensenrechten in Nederland van oudsher vooral een exportproduct zijn. ‘We wijzen met de vinger naar andere landen, waar het beter moet, en zijn tegelijkertijd nonchalant over onze eigen democratische rechtsstaat. Zeker, die is stevig, we hebben een lange traditie hoog te houden, en zijn er terecht trots op. Maar “het huis met vele kamers” moet je onderhouden en je moet kijken of je alle kamers wel gebruikt.’

Ook zoekt ze het publieke debat op. Naar aanleiding van haar opiniestuk Wij moeten nodig eens over onze Grondwet praten (2007) deed ze onderzoek naar grondwetskennis in Nederland, met als uitkomst: de grondwet is onbekend, maar niet onbemind. Het was niet tegen dovemansoren gericht. In 2009 werd zij lid van de staatscommissie-Thomassen – aan commissies geen gebrek in Nederland – met als opdracht te kijken hoe bekendheid en toegankelijkheid van de grondwet versterkt konden worden. De sleutel lag volgens de commissie onder meer in het onderwijs. En ook zouden verschillende beroepsgroepen, inclusief de politiek, bijgespijkerd moeten worden.

‘Uitleggen dat als een rechter een uitspraak doet die leidt tot “wauw, wat vreselijk”, je dan niet die rechter aanvalt. Want ja, de rechtsstaat – iedereen is er in abstracto voor, maar het wordt natuurlijk ingewikkeld op het moment dat je zware criminelen of extreme denkers gaat berechten, zoals IS-gangers waarbij het moeilijk zal zijn om oorlogsmisdaden te bewijzen. Maar iedereen heeft recht op een eerlijk proces. Of je als burger nou superorthodox bent of in een rolstoel zit of het op allerlei fronten heel goed voor elkaar hebt – iedereen is gelijk voor de wet. Het is de enige basis waarop we kunnen samenleven.’

Alle pleidooien uit de wetenschap of commissies voor herstel van ‘het huis’ ten spijt, het schiet haar niet genoeg op. Vorig jaar besloot ze zich kandidaat te stellen namens de pvda voor de Kamerverkiezingen. Als nieuwkomer kwam ze op een niet-verkiesbare plek. Ze merkte dat als ze tegen haar omgeving zei wat haar motivatie was – opkomen voor de rechtsstaat – sommigen wat glazig keken: is dat nou zo belangrijk? ‘Inmiddels begint die houding te veranderen, door de coronacrisis staat het belang ervan prominenter op de agenda. En men is wakker geschud door de toeslagenaffaire, waar aan het licht is gekomen dat rechters te makkelijk meegingen, er is geopereerd op wantrouwen in plaats van vertrouwen en artikel 1 van de grondwet is geschonden door systematische discriminatie. Dat onze rechtsstaat hier heeft gefaald – wat iets zegt over de stevigheid ervan – is breed doorgedrongen.’

Plannen heeft ze genoeg. ‘Voor de bescherming van kwetsbare minderheden hebben we op het moment eigenlijk alleen de Europese en internationale verdragen. Die rechten zouden specifiek in onze grondwet moeten worden opgenomen.’

‘Iedereen is gelijk voor de wet. Het is de enige basis waarop we kunnen samenleven’

Ze is voor opheffing van het toetsingsverbod, zodat de rechter de mogelijkheid krijgt om wetten te toetsen aan de grondwet bij bijvoorbeeld een constitutioneel hof. In tegenstelling tot andere landen kent Nederland zoiets niet. Bij de coronamaatregelen zou dat nuttig zijn geweest. ‘Waar het om draait is dat je als burger naar de rechter kunt stappen en zeggen: “Deze wet botst met mijn grondrechten.” Een constitutioneel hof heeft ook een disciplinerende werking richting regering en parlement. Als er een wet op tafel ligt die écht op gespannen voet staat met grondrechten, wordt die minder gemakkelijk aangenomen.’

In haar boek The Rights for Others beschrijft ze de historische achtergrond van het ontbreken van een constitutionele traditie in Nederland. Er was nooit een centrale autocraat die we omver moesten werpen waaruit het idee voortkwam dat we een grondwet nodig hebben die ons beschermt tegen de absolute macht van een vorst. ‘Met uitzondering van de tijd van de Bataafse Republiek, maar de noodzaak om hiervoor écht op de barricades te gaan was er niet. In 1917 lag het weer anders, de inzet van de strijd was toen het onderwijsrecht en kiesrecht en daarom zijn die twee rechten ons zo dierbaar. Er is van oudsher bovendien een cultuur van polderen, met alle goede kanten van dien. Maar ook met nadelen: we vinden het samen wel prima zo.’

Een grote verandering van het staatsbestel ligt binnen de Nederlandse bestuurlijke cultuur moeizaam. Wat volgens haar ook speelt bij de invoering van zo’n constitutioneel hof, is dat het parlement iets van zijn eigen macht weggeeft en zich moet laten controleren. In 2002 deed toenmalig GroenLinks-Kamerlid Femke Halsema een voorstel tot het opheffen van het toetsingsverbod. ‘Dat ging niet door, de politiek vond het kennelijk niet belangrijk genoeg. We hebben, op zich heel goed, een zware procedure om de grondwet te wijzigen – daar heeft niemand dan zin in als het niet écht urgent is. Pieter Omtzigt houdt in zijn boek overigens ook een stevig pleidooi voor een constitutioneel hof, die vindt dit ook bij een rechtsstaat horen.’

De druk neemt steeds meer toe, zegt ze verheugd, en ze wijst op een gebeurtenis die volgens haar aan de aandacht is ontsnapt, want het gebeurde in de weken dat iedereen, de pers incluis, zich focuste op de ‘aantekeningen’ van verkenner Kajsa Ollongren. ‘Rond die tijd is een motie van het cda met brede steun aangenomen: serieus onderzoek doen of een constitutioneel hof in Nederland mogelijk is en met binnen een jaar een uitslag. Dat is waanzinnig.’

Stel dat er een stevige coalitie komt, en stel dat de pvda daarin zit en een minister van Justitie of Binnenlandse Zaken mag leveren, en stel dat die dan bijvoorbeeld Barbara Oomen heet, dan is er kans dat het gaat lukken. Het is vervolgens een long way; eerst moet er een Wijzigingswet in beide Kamers worden aangenomen en dan moet er na de volgende verkiezingen een tweederdemeerderheid in de Tweede Kamer voor zijn, en daarna nog in de Eerste Kamer. ‘Maar de motie is een indicatie van de behoefte aan vernieuwing.’

Er is meer goed nieuws voor de missie van Oomen. Kersvers nieuws nog wel, zegt ze terwijl ze op haar horloge kijkt. ‘Een paar uur geleden is in de Kamer de wet op de aanscherping van de burgerschapsopdracht aangenomen. Dat betekent dat er in het vormende onderwijs – van het basisonderwijs tot het beroepsonderwijs – aandacht moet zijn voor de democratische rechtsstaat en universele rechten van de mens. Op sommige fronten is het burgerschapsonderwijs nu best goed, bijvoorbeeld in het debatteren. Maar als je het civic education curriculum in landen om ons heen ziet, dan lopen we achter op die rechtsstatelijke dimensie. Dat dit nu verandert, vind ik fantastisch, ik ben ontzettend blij. Vanavond gaat bij mij de kurk van de champagne.’

Hier zit, ook voor haar persoonlijk, een lange weg achter die is begonnen onder kabinet-Balkende II. De roep om aandacht voor normen en waarden in het onderwijs was toen sterk en Oomen werd, op dat moment bijzonder hoogleraar rechtspluralisme aan de Universiteit van Amsterdam, voorzitter van het Platform Mensenrechteneducatie. De ambitie was om het vak burgerschap beter in te vullen. De plannen sneuvelden in de politieke strooppot. Het was ook net in de periode van het rapport Tijd voor onderwijs (2007) van de commissie-Dijsselbloem waarvan een van de bevindingen was dat onderwijs steeds meer extra taken op het bordje had gekregen. ‘Leerkrachten zaten echt niet te wachten op nog meer onderwijsmateriaal – ik begreep dat toen wel.’

Van de noodzaak tot aanscherping van burgerschapsonderwijs is nu, in een tijd van bubbels en echoputten, in elk geval de politiek doordrongen. ‘Je laat zien wat rechten zijn, en dat iedereen naar de rechter kan gaan als die geschonden worden. Dat je als burger invloed hebt via het parlement, maar ook dat je zelf moet meedoen en met mensen moet omgaan die totaal anders denken dan jij. Of je gaat met elkaar oefeningen doen hoe je als overheid grondrechten tegen elkaar afweegt. Onderwijs is het openen van de geest.’