Interview: Richard Layard

«We zijn te ver doorgeschoten»

Hoewel ons inkomen de afgelopen vijftig jaar is verdubbeld, zijn we er niet gelukkiger op geworden. De Britse econoom Richard Layard vindt het tijd dat de overheid zich bezint.

De meeste mensen willen meer verdienen en streven daar ook naar. Maar hoewel de westerse maatschappij welvarender is geworden, zijn de inwoners dat niet. Dit is geen ouwe-wijvenpraat, het is volgens de Britse econoom professor Richard Layard wetenschappelijk aantoonbaar. Er zijn volgens hem adequate manieren om te meten hoe gelukkig mensen zijn, en alles wijst erop dat we over het algemeen niet gelukkiger zijn dan vijftig jaar geleden. Terwijl het gemiddelde inkomen meer dan verdubbeld is. Jazeker, we hebben mooiere huizen, zijn beter opgeleid, hebben centrale verwarming, gaan op reis, we werken korter en we zijn gezonder. Toch zijn we niet gelukkiger.

«Verbijsterend, nietwaar?» vindt ook Layard. «En daarom zou elke regering haar doelen moeten herwaarderen en iedereen zou zich moeten herbezinnen over zijn doelen.»

Een ding is zeker, weet Layard: «Als regeringen mensen gelukkiger willen maken, moeten we weten onder welke voorwaarden we geluk kunnen opwekken en hoe we die voorwaarden kunnen cultiveren.»

Dat rijkdom niet automatisch iedereen gelukkiger maakt, ligt volgens Layard aan het feit dat mensen hun inkomsten met die van anderen vergelijken: «Iedereen is bezig met een wedloop om te proberen zijn inkomen te laten stijgen in vergelijking met dat van anderen. Maar niet iedereen is daartoe in staat. Het gevolg van deze rat race is dat er minder tijd is voor familie, kinderen en vrienden. Waarom stoppen we daar niet mee?»

Layard heeft deze bevinding gebaseerd op een onderzoek onder studenten van de Universiteit van Harvard. Hun werd gevraagd waar ze de voorkeur aan gaven: a. vijftigduizend dollar per jaar, terwijl anderen de helft kregen of b. honderdduizend dollar per jaar, terwijl anderen twee keer zo veel krijgen. De meerderheid koos a. Ze waren gelukkiger met minder zo lang ze beter af waren dan anderen.

Mensen, verklaart Layard, bekommeren zich meer over hun inkomen in vergelijking met anderen dan over hun feitelijke inkomen: «Tevredenheid over een eigen inkomens stijging kan als sneeuw voor de zon verdwijnen als je hoort dat een collega ook opslag heeft gekregen. Pogingen om gelukkiger te worden door harder te werken en daarmee meer geld te verdienen, schieten hierdoor gedeeltelijk hun doel voorbij. Als iedereen dat doet, wordt niemand gelukkiger.» Hij noemt geluks vermindering veroorzaakt door het extra inkomen van iemand anders een vorm van vervuiling.

Richard Layard (71) is hoogleraar aan de London School of Economics en directeur van het door hem opgerichte Centre for Economic Performance. Hij was als adviseur van Labour kind aan huis in Downing Street 10 en werkte als economisch consultant voor de Russische regering in de jaren negentig. Sinds 2001 is hij lid van het House of Lords.

In zijn onlangs verschenen boek Happiness: Lessons from a New Science neemt hij de wetenschap van het geluk onder de loep: wat weten we ervan, en wat kan een overheid doen om het bruto nationaal geluk van haar bevolking te verhogen?

Layard: «Het doel van een overheid is altijd geweest omstandigheden te creëren die mensen de kans geven gelukkig te zijn. Als maximaliseren van geluk van de samenleving als geheel het doel is van de overheid, dan moet zij haar beleid aanpassen. Ik verkondig in mijn boek geen revolutionair idee. Ik probeer het alleen systematisch in kaart te brengen.»

Layard refereert aan de theorie van de achttiende-eeuwse Verlichtingsprofeet Jeremy Bentham, de grondlegger van het utilitarisme. Volgens een utilitarist is het onze morele plicht om in ons doen en laten ernaar te streven «het grootst mogelijke geluk over het grootst mogelijke aantal mensen te verspreiden».

Dat een econoom een boek heeft geschreven over geluk vindt de hoogleraar economie zelf niet zo vreemd: «Economie is oorspronkelijk uitgevonden om te onderzoeken hoe economische instituties als markten, belastingen en buitenlandse handel het geluk van mensen zouden beïnvloeden. Dat was het centrale thema. Dat zie je ook terug in de theorieën van beroemde economen als Adam Smith, Alfred Marshall en John Stuart Mill. Maar in het begin van de twintigste eeuw, toen net als de economie de psychologie zich ook met geluk ging bezighouden, begon men hierover sceptisch te denken. Dat leidde tot het aannemen van het bruto nationaal product, volgens velen de beste indicator van de economische gezondheid van een land. Maar dat is het niet, want we weten nu dat, terwijl het bnp de laatste vijftig jaar enorm is gestegen, de mensen niet gelukkiger zijn dan vijftig jaar geleden.»

Dat stimuleerde Layard om psychologie met economie te integreren. «In dertig jaar is de studie naar het geluk indrukwekkend ge groeid. We weten nu al in hoge mate wat mensen gelukkig maakt. Neurologische me tingen corresponderen met wat mensen zeggen hoe ze zich voelen. Hiermee wordt de mening on dersteund dat geluk een objectieve dimensie is van al onze ervaringen.»

Layard is overigens niet de eerste die economie met psychologie verbindt. Dat was de Amerikaanse psycholoog Daniel Kahneman die in 2002 de Nobelprijs voor economie ontving en aan wie hij zijn boek heeft opgedragen. «Zonder zijn baanbrekende werk in het beoordelen van risico en het meten van geluk», zegt Layard, «had ik dit boek niet kunnen schrijven. Uit zijn onderzoek blijkt dat we een grote afkeer hebben van risico: het vermijden van verlies vinden we veel belangrijker dan het behalen van winst, zelfs als het ons geld kost.»

Een van de aanbevelingen die Layard in zijn boek doet en die de rat race moet doen stoppen is het betalen van belastingen. Hoewel hij vindt dat belasting betalen nuttiger is dan de meeste mensen denken, is hij geen pleitbezorger van hogere belastingen. «Maar ik ben zeker niet voor belastingverlaging. Belasting betalen is nuttig: er worden onder meer onderwijs en gezondheidszorg mee gefinancierd. De meeste economen vinden dat belastingen de keuze tussen werk en vrije tijd verstoren, dat belastingen de prikkel verminderen om langer te werken of een promotie voor elkaar te krijgen. Maar mensen hebben juist de neiging te hard te werken. Belastingen hinderen niet, ze zijn juist wenselijk.»

Kritiek van laissez-faire liberals op Layards denkbeelden kon niet uitblijven. Het lijfblad van de Tories, The Spectator, noemde hem «de geluksprofeet» en The Economist «de ge lukspolitie», omdat Layard volgens het blad de overheid een te grote rol toedicht voor het ver krijgen van geluk. Layard zelf zegt dat hij wordt aangevallen door rechts omdat men vindt dat zijn voorstellen zullen leiden tot een overgereguleerde staat: «Dat is onzin, want als je je inzet om uit te vinden wat mensen gelukkig maakt, zie je dat overgereguleerde, communistische landen juist het tegenovergestelde bewerkstelligen. We weten welke frustraties overregulering in westerse maatschappijen veroorzaakt.»

Doet geluk ertoe?

Richard Layard: «Het is het ultieme waar mensen naar streven. Maar het betekent na tuurlijk niet dat iedereen zijn eigen geluk moet nastreven ten koste van anderen. We moe ten ons inzetten voor het geluk van iedereen.»

Maakt geld gelukkig?

«Overal zijn rijke mensen gelukkiger dan arme. Daarom wil iedereen rijker zijn. Het probleem is dat in de Eerste Wereld niet het absolute inkomen ertoe doet, maar het relatieve. Dat betekent dat als de gehele maatschappij rijker wordt, het steeds moeilijker wordt voor mensen om zich beter te voelen. Dat verklaart bijvoorbeeld waarom de voormalige inwoners van Oost-Duitsland nu minder gelukkig zijn dan voor de eenwording: vroeger verdienden ze minder, maar de ongelijkheid was kleiner. Vanaf een bepaald welvaartsniveau heeft verdere economische groei bijna geen invloed meer op het geluksgevoel van een bevolking. Dat hebben we inmiddels ook kunnen meten.»

U stelt dat iedere baan beter is dan geen baan. Waarom denken werklozen daar anders over?

«In bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland, waar massale werkloosheid heerst, staan mensen afwijzend tegenover werk dat anders is dan ze altijd hebben gedaan of waarvoor ze niet zijn opgeleid. We weten uit de psychologie dat mensen in veel gevallen niet goed zijn in het voorspellen van hun geluksgevoel. En het schijnt dat ze hun geluksgevoel in zo’n nieuwe werksituatie onderwaarderen. Daarentegen overschatten ze weer hun geluksgevoel als ze een groter huis of grotere auto kopen.

Een van de redenen waarom werklozen denken dat ze ongelukkig worden van ander werk is dat we het onredelijk vinden mensen werk te laten doen dat anders is dan ze voorheen deden of waarvoor ze zijn opgeleid. Als we die maatschappelijke houding veranderen in de richting van pro-werk, en werklozen niet als slachtoffer blijven zien, zal dat op den duur beter uitwerken voor de mensen die werkloos zijn.»

Zijn we ongelukkiger vergeleken met vijftig jaar geleden?

«Dat denk ik niet. Hoewel we vanuit Amerika overspoeld worden door een individualistische vloedgolf is het van belang dat we die weerstaan. We weten uit psychologische onderzoeken dat mensen die meer met zichzelf bezig zijn niet gelukkiger zijn dan mensen die zich ook voor anderen interesseren. De maatschappij zal gebaseerd moeten zijn op een reeks van waarden waaraan mensen willen meewerken, ten bate van anderen en van hun eigen geluk. Inmiddels vinden velen al dat we met het individualisme te ver zijn doorgeschoten, en ik voorspel dat er binnenkort een nieuw normen- en waardensysteem ontstaat, waar door er meer mededogen met anderen is. Maar ook mededogen met onszelf door niet te proberen constant onze eigen positie te verbeteren.»

Na jaren van voorspoed zijn Nederlanders gefrustreerd vanwege de slechte economie. Men is ook niet al te optimistisch over de toekomst en men maakt zich zorgen over de toename van het individualisme. Wat zou u de regering-Balkenende adviseren?

«Daar heb ik geen speciaal advies voor. Wel zou ik Europese regeringen willen adviseren dat zij niet te veel hun oren laten hangen naar de Anglo-Amerikaanse propaganda: dat het leven hard is en dat globalisering inhoudt dat we ons niet langer de kwaliteit van leven kunnen veroorloven zoals we die hadden. Dat is niet waar. Elk Europees land zit wat betreft levensstandaard namelijk in een sterke op waartse trend.

Wat de West-Europese landen de laatste dertig jaar hebben gedaan – het verdelen van de inkomenstoename tussen een hogere consumptiestandaard, meer vrije tijd en een hogere kwaliteit in het leven – ligt meer in de lijn van de geschiedenis van de menselijkheid dan wat de Amerikanen hebben gedaan. De Amerikanen zijn juist meer gaan werken, gedreven door de keuze voor meer inkomen in plaats van vrije tijd. Ze volgen niet het normale patroon.»

Wat was de reactie van premier Blair en de Labour Party op uw boek?

«Op 10 Downing Street is men erg geïnteresseerd in de onderwerpen die ik aansnijd en wat de overheid kan doen om mensen gelukkiger te maken. Ik probeer vooral aan te dringen op een betere geestelijke gezondheidszorg, want geesteszieken zijn de ongelukkigste mensen van onze samenleving. In het partijprogram van Labour staat in ieder geval dat er meer geld wordt vrijgemaakt voor psychotherapie voor geesteszieken.»

Volgens u zijn de inwoners van Scandinavische landen het gelukkigst. Daar worden ook de meeste belastingen betaald.

«Het respect dat mensen voor elkaar hebben is daar groter dan in andere West-Europese landen. Er is ook een hoge mate van vertrouwen, dat blijkt uit de portefeuilletest: een test waarbij in diverse wereldsteden een porte feuil le op de grond werd gelegd. In Scandinavische landen, maar ook in bijvoorbeeld Ne derland, is de kans groot dat de portefeuille mét inhoud wordt teruggegeven aan de eigenaar. Ik denk dat er een verband bestaat tussen die hoge mate van vertrouwen en de bereidheid om inkomen en kansen op een zo rechtvaardig mogelijke manier te herverdelen. Op bijvoorbeeld Sicilië of in Spanje is er een groot wantrouwen naar degenen die niet tot de familie behoren. En Groot-Brittannië behoort tot de middenmoot. Het vertrouwen is er de af gelopen twintig jaar gehalveerd; het individualisme is er veel sterker dan op het vasteland.»

Televisiekijken, schrijft u, maakt niet gelukkig.

«Televisie, vooral commercials, laat mensen zien die vaak mooier, rijker, machtiger en succesvoller zijn dan de kijker. Hoe meer televisie iemand kijkt, hoe relatief armer hij zich voelt. En dat gevoel maakt ongelukkig. Tv-kijken verhoogt de behoeften van mensen en stimuleert hun koopgedrag. En vanaf een bepaald welvaartsniveau geldt de eenvoudige regel: alles wat je behoeften vergroot, vermindert je geluk. Hoe minder je wilt, hoe gelukkiger je bent. Daarom staan televisie en reclame haaks op geluk.»