INTERVIEW: Claudy Jongstra

«We zijn totaal onszelf»

Aan de ontwerpster Claudy Jongstra werd onlangs de Amsterdam Prijs toegekend, groot 35.000 euro. Jongstra maakt vilt. Sterker nog, haar leven wordt erdoor beheerst.

In Claudy Jongstra verenigen zich verscheidene beroepen. Zij is een 42-jarige Roermondse van Friese komaf, die met vrouw en zoon woont in een Fries dorp, waar zij een kudde schapen houdt. Met de wol daarvan produceert zij vilt, op kleinschalige wijze, naar eigen receptuur, want viltmaken was toen Jongstra ermee begon als ambacht praktisch uitgestorven. Haar materiaal wordt verwerkt tot kleding, beddengoed of wandbekleding, door haarzelf en door andere kunstenaars.

Anderzijds is Claudy Jongstra een internationaal gerenommeerde kunstenaar-ontwerpster, die met haar generatiegenoten Hella Jongerius en Marcel Wanders in de jaren negentig doorstootte naar wereldfaam. Haar vilt hangt overal: in het Victoria & Albert Museum in Londen, het Metropolitan Museum en het MoMA in New York, het Stedelijk, de Kunsthal. Ze ontwierp voor Donna Karan, Lacroix, Capellini, Galliano, Star Wars, het Lloyd Hotel, het Catshuis én het gemeentehuis van Wolvega. Ze heeft haar eigen modelabel. In haar «bedrijf» werken vijf mensen. Jongstra vertegenwoordigt in feite een manier van leven en werken die vijftig jaar geleden nog doodgewoon was. Ze beheerst de viltproductieketen van gras tot jas, op eigen wei, in eigen huis.

Vilt is volgens Van Dale «een weefsel van samengeperste wolvezels». De productie ervan is ogenschijnlijk primitief. In Jongstra’s werkplaats leggen drie medewerksters grote plukken gekaarde witte wol dakpansgewijs op een zeer grote werktafel. Daar over komen nog enkele lagen wol; het geheel wordt gerold, verhit en gewreven. De schubben op de vezels raken daardoor verstrikt en er ontstaat een mat structuur, stevig, licht, soms bijna sponzig. Het proces dat Jongstra hanteert is haar geheim. Ze vertelt er dan ook niets over.

In de werkplaats staan dozen vol andere stoffen in pure vorm, die met de wol worden verwerkt. Zijde, organza; stoffen ge verfd met organische, soms zeer ou de kleurstoffen. Cochenille, bij voor beeld, gemaakt van gemalen luizenschildjes, of rubia, gemaakt van de meekrapwortel, die pas na drie jaar voldoende rood pigment aflevert. Kleuren die zowel modern als zestiende-eeuws aandoen.

Het verhaal van dat vilt heeft Jongstra zo vaak verteld, zegt ze, dat ze het eigenlijk niet nog een keer kan. Maar dat valt mee.

Claudy Jongstra: «Ik doe eigenlijk alles zelf. Behalve dan dat we het verven uit besteden, sinds kort. Ik ken bijna niemand die zo werkt. Als ik me met iemand zou kunnen vergelijken is het Piet Hein Eek, maar ik ga nog een stapje verder, van schaap tot eind product.»

Je eigen schapen, Drentse heide schapen. Wat zijn dat voor dieren?

«Ze houden niet van drukte, stress, spanning, dat vinden ze allemaal niet prettig. Toen ik hier net woonde, hoorde ik op een gegeven moment een ontzettend gejammer en gemekker in de wei. Dan denk je: aah, schattige schaapjes, wat een schattig geblèr… Dan blijkt dat de moeders jammer kreten slaken omdat de lammetjes na zes weken naar de slacht gaan. Je bent je daar helemaal niet van bewust, dat het een andere betekenis heeft. Het is erg wreed.»

Ben je vegetariër?

Ze lacht. «Ik eet geen vlees meer, nee. ’t Is moeilijk. Wat voor ons heel belangrijk is, is die natuur, dat ecologische aspect. Dat is een stukje wereldverbetering in mijn werk. Daar is het ook uit begonnen. De cirkel rond, je eigen grondstoffen, iets behouden wat authentiek is, iets wat bij dit land hoort. Dat schaap, dat hoort bij Nederland, en het wás er niet meer, het was volledig overbodig. Dat was met dat vilt ook zo, dat was er gewoon niet meer. We maken natuurlijk schoonheid, schoonheid met een geschiedenis, die heel erg zichtbaar en te lezen is. Het behoud van het materiaal, of van dat beest, het is prettig om op die manier een bijdrage te leveren.»

Heeft vilt nog geheimen voor je?

«Ik heb het gevoel dat ik net begonnen ben. Eerst een beetje techniek, nou, dat kunnen we nu wel, dan ben ik het pad ingeslagen van echte decoratie, echt vormgeven, met dessin, met kleur. Dat is pas het tipje van de sluier. Het is onvoorstelbaar rijk en bijzonder, wat die vezel in zich heeft. Die is al tienduizenden jaren oud, zo lang als het schaap bestaat, eigenlijk. Je kunt ’m niet kunstmatig nabootsen, het is met geen enkele andere vezel te vergelijken. Er is een merk sportkleding, Icebreaker, die hebben die vezel ontleed, heel techno, en die waren uitzinnig! Mensen, de opbouw van die schubben op de vezel! De binnenste laag is spiraalvormig, waardoor je uitzonderlijk goede afvoer van transpiratievocht krijgt, enzovoort. Dáárom leefden de Mongolen destijds in yurts (vilten tenten – kk), omdat je dat vilt niet heel dik hoeft te maken, juist door die opbouw van die vezels, die gelaagdheid, waardoor de warmte goed vastgehouden wordt. Dat is precies wat ze nodig hadden, licht, super functioneel. ’s Nachts leggen ze een stuk vilt buiten, dat neemt de dauw op, dat was hun drinkwater. Een wereld gaat voor je open. Dat wás er altijd al, maar niemand heeft het ooit gezien. Het was bijna verdwenen. Dat is toch idioot! Dat ligt gewoon voorhanden!»

Wist je dat op de academie ook al?

«Nee, helemaal niet. Ik had geen idee van de impact, waar dit me mee naartoe zou voeren. Ik werk echt vanuit het materiaal. Dat heb ik eigenlijk altijd wel gedaan, ook toen ik mode ontwerper was. Ik ben niet een ontwerper die aan een tekentafel gaat zitten schetsen. Mijn grote voorbeelden waren toen John Galliano, de Japanners, Issey Miyake. Ik werk echt vanuit de materie, bijna beeldhouwen met die stof. Daar ben ik in een heel andere hoedanigheid mee verder ge gaan.»

Wat is de kracht van vilt?mmmmmmmm Claudy Jongstra: «We hebben een paar toepassingen gedaan in ziekenhuizen. In Utrecht, bij radiotherapie, en we gaan in Amsterdam iets doen in het Antonie van Leeuwenhoek. We merken dat het materiaal juist op die plekken, steriele ruimten, bijna spiritueel of heilzaam wordt ervaren. Dan kun je je afvragen waarom. Niet alleen maar dat die tactiliteit zo prettig is. Blijkbaar roept het iets bij mensen op, of het brengt ze terug naar een basisgevoel.»

Zoiets als zwemmen met dolfijnen? Liggen tussen de schapen?

«Ik vond het best revolutionair om dit materiaal daar in te zetten. Niet alleen om een akoestisch probleem op te lossen, maar letterlijk om mensen warmte te geven, en ook terug te brengen naar het ‹waar gaat het nou eigenlijk om, wat zie je?, wat is dit?› Dit is zo oer, het relativeert enorm. Stilstaan. Toch heel belangrijk op zo’n moment op die plekken. Het maakt je wel gelukkig. Het geeft enorme bevrediging dat te doen. Die tienduizend kussens, dat ‹Meer! Meer! Groter!›, dat hoeft niet. Dat wil ik niet.»

Is er een grens aan je productie?

«We zijn nu al een jaar bezig met mechanisatie. Dat is niet eenvoudig, omdat je steeds met verschillende recepten werkt, dus je moet een machine bouwen die elke keer afgesteld kan worden op een specifieke kwaliteit, die alle vilten die je ontwikkelt aankan. Ik heb wel eens onderzoek laten doen, om te kijken of je dat kunt patenteren, maar omdat vilt er eigenlijk altijd al was, en is, is dat heel erg lastig. Ik ben daar ook niet zo bang voor. Misschien is het heel arrogant, maar ik denk dat we bijna niet in te halen zijn. We zijn tien jaar zo intensief met dit materiaal bezig, we hebben zo’n grote kennis. Juist omdat je op heel specifieke plekken zichtbaar bent en heel prestigieuze projecten doet – dat is eigenlijk je bescherming.»

Voor de mechanisatie kreeg je geld van het Fonds voor de Beeldende Kunst. Ben je afhankelijk van het subsidieapparaat?

«Subsidie is een heel rot woord. Er kleeft veel te veel negativisme aan, vind ik. Ik zie het zelf als investering. Die mechanisering, bijvoorbeeld, het is moeilijk om daar bij een bank geld voor te vragen. Dat wordt in de regel niet gesnapt of begrepen.»

Geen «Claudy Jongstra»-lijn bij de Hema?

«Nee. Er komt geen B-merk. Wij gaan nu voor Maharam textiles stukken maken, dat bedrijf waarvoor Hella Jongerius ook werkt. Ik heb allerlei kleine staaltjes moeten maken, die gaan ze lanceren in Amerika. De doelgroep wordt gevormd door veertigduizend architecten. Ik krijg dan straks een soort productielijn met unica’s. Dat moet de enige productielijn worden, op die manier, want ik wil toch niet echt een fabriek worden. Dat vind ik niet leuk. Ik denk dat je dan steeds meer afkalft. Ik probeer heel zuiver te zijn, of te blijven, de keuzes die ik maak af te wegen. Ik sta wel met beide benen in dit leven, en ook op de grond. Ik zie ook wel de andere kant. De plekken waar het materiaal toegepast wordt zijn elitair. Is dat erg? Nee, dat geeft niet. Het zijn toch de parels; je hoopt dat je toch op die manier veel mensen kunt bereiken.

Met Marleen Engbers, onze strateeg, doe ik al zes jaar dit bedrijf. Zij is eigenlijk in hart en nieren een wereldverbeteraar, een missionaris. Dat bepaalt voor een heel groot deel de richting van je bedrijf. Wat is je insteek? Die is bij ons altijd geweest: je niet over de kop werken. Letterlijk ontspannen blijven, ook in het fysieke. Eigenlijk alleen maar inzoomen op die parels. Mooie dingen maken, kleine mooie dingen maken. We werken met de grootsten der aarde, maar blijkbaar kun je toch klein blijven. Het is een soort magie, ook in Amerika. We hoeven daar ons best niet voor te doen, we zijn gewoon totaal onszelf. Het is gewoon geloofwaardig.»

Is vilt stof genoeg?

«Ja, het is echt genoeg.»