Bloed en Lederhosen

‘We zijn voor vrijheid, maar wel voor ónze vrijheid’

Het potentieel van de Freiheitliche Partei Österreichs is niet per se groter dan dat van vergelijkbare radicaal-rechtse partijen in Europa. Wel wortelt de FPÖ nadrukkelijker in het fascisme, dat in Oostenrijk nog steeds salonfähig is, ‘zolang je maar geen concentratiekamp opent’.

Burschenschaften, Wenen, 2005 © Heinz-Peter Bader / REUTERS / ANP

Wenen – Waar ik ook kom, in de Wiener koffiehuizen, op de universiteit, in hipsterbarretjes en zelfs in afgelegen bergdorpjes, steeds valt het woord: Burschenschaften. Nu weer uitgesproken met ontzag, dan met fascinatie, dan weer met de grootst mogelijke weerzin. Hierachter gaat een wereld van rituelen, kostuums en malle hoedjes schuil, van bierpullen en liederlijk gebral. En, zo blijkt, van een onuitroeibaar etno-nationalisme. Ik weet vagelijk van het Akademikerball en van het duelleren. Meer dan ongevaarlijke folklore heb ik er nooit achter vermoed. Maar afgelopen jaar zagen de pan-germanistische studentengenootschappen zich geconfronteerd met een serie pijnlijke onthullingen. Dit weegt extra zwaar nu de radicaal-rechtse Freiheitliche Partei Österreichs (fpö) aan de regering deelneemt. De partijtop is vergeven van Burschenschaftler, zoals de leden worden genoemd. Vice-kanselier Heinz-Christian Strache is lid, net als voormalig presidentskandidaat Norbert Hofer (nu minister van Transport en Innovatie).

Terwijl ik pogingen onderneem om bij een van de prominente hoofdstedelijke Burschenschaften binnen te geraken, komen onvermijdelijk herinneringen boven aan mijn tijd bij het Utrechtsch Studenten Corps. Romantische ziel die ik was hoopte ik op verheven mannenvriendschappen en hoogstaande gesprekken over literatuur. De werkelijkheid was anders. Het usc is ongemengd en fysiek contact was toen nog toegestaan, zelfs slaan, zij het met de vlakke hand. De indringende geur van schoonmaakmiddel en verschaald bier, de zwiepende deur, de opgewonden gesprekken, de heftige onderlinge rivaliteit tussen huizen en jaarclubs, het was een andere wereld, zo intens dat het eigenlijk niet uit te leggen viel.

Bij het usc werd gebrast en geslagen; in Duitsland en Oostenrijk geduelleerd. Ik herinner me een lid van schermclub Olympia, een subvereniging van het usc, dat was langs geweest bij een zogeheten schlagende Burschenschaft ergens in Duitsland, en het aura dat hem dat bij terugkeer op ‘de kroeg’ verschafte. Hij vertelde over de Mensur die hij had bijgewoond, het befaamde initiatieritueel. Duelleren net zo lang tot je een degenslag in het gezicht krijgt, liefst op de wang, vlak onder het afgeschermde oog. Het onvermijdelijke litteken geeft extra prestige, want het laat zien dat je je hoofd niet in een angstreflex hebt afgewend. Ook de jonge Nietzsche was gevoelig voor deze mannelijkheidscultus, zoals Sue Prideaux laat zien in haar recent verschenen biografie. De filosoof hield er een litteken op zijn neus aan over.

Nederlandse studentencorpora hebben nooit gegolden als linkse bolwerken. Maar in vergelijking met de Burschenschaften, en helemaal de Oostenrijkse, zijn het wonderen van progressiviteit. ‘In Duitsland is het nog mogelijk om liberaal conservatief te zijn; in Oostenrijk gaat het spectrum van rechts-conservatief tot extreem-rechts’, zegt de historicus Bernhard Weidinger, die promoveerde op de Burschenschaften. We zitten in een zaaltje met lugubere schilderijen. Het is onderdeel van het Documentatiecentrum van de Oostenrijkse verzetsbeweging, verscholen op een binnenplaats in de Weense Innenstadt. De zwart en rood getoonzette schilderijen drukken de verwoesting en vervolging van de Tweede Wereldoorlog uit.

Tot de affaire-Waldheim (1986), rond presidentskandidaat Kurt Waldheim die zijn naziverleden bagatelliseerde, had Oostenrijk zich kunnen verschuilen achter het stempel van ‘het eerste slachtoffer van de nazi’s’ dat de geallieerden het land hadden opgeplakt. De werkelijkheid was dat Hitler massale steun genoot. In een stad als Graz, de tweede van het land, was hij door een uitzinnige menigte verwelkomd. Volgens Weidinger zijn de Burschenschaften die pijnlijke confrontatie nimmer aangegaan. ‘Ze hebben nooit kritisch naar zichzelf gekeken, dat wil zeggen, naar hun ideologie.’ Hij wijst op onderzoek in de stad Innsbruck waaruit bleek dat tachtig procent van de Burschenschaftler tevens lid van de nsdap was geweest.

Volgens Weidinger willen de disputen niet onder ogen zien dat dit een logische stap was, dat de kern van hun ideologie Duits nationalisme en antisemitisme is, en dat dat tevens was waar het in het nazisme om draaide. Hij wijst op Die Aula, het officieuze clubblad van de Burschenschaften (en tot 1999 van de fpö – dat jaar zag de partij zich wegens negationisme genoodzaakt afstand te nemen). Twee jaar geleden toonde Weidinger aan dat het blad bol staat van het antisemitisme. De commotie was dusdanig dat Die Aula genoodzaakt was van naam te veranderen.

Afgelopen jaar was er weer een schandaal toen het weekblad Falter stuitte op zwaar antisemitische teksten in een liedboek van Germania, een van de meest prominente Burschenschaften. ‘Geeft gas, gij oude Germanen, wij zorgen voor dat zevende miljoen’, stond er onder andere te lezen. Een prominent lid was fpö-politicus Udo Landbauer, die op dat moment campagne voerde voor het deelparlement van Niederösterreich. Hij ontkende kennis te hebben van de tekst en zegde later onder grote druk zijn lidmaatschap op. Maar Landbauers positie bleek onhoudbaar en hij trok zich terug uit de campagne.

Afgezet tegen de Oostenrijkse bevolking zijn de Burschenschaften totaal niet representatief. Weidinger schat het aantal leden, inclusief studentencorpora, op vierduizend. Maar dankzij de hoge dichtheid van Burschenschaftler in de gelederen van de fpö zijn ze zwaar oververtegenwoordigd in de wereld van politiek, openbaar bestuur en rechtspraak. Meer dan de helft van het 37 leden tellende federale bestuur van de partij is lid van een Burschenschaft. Veertig procent van de fractie in het nationale parlement is lid. In de top van de ambtelijke macht en de rechtspraak regent het momenteel benoemingen vanuit de Burschenschaften.

Tegelijk zegt het volgens Weidinger weinig over het succes van de partij. Want als het de fpö de laatste jaren zo voor de wind gaat, is dat eerder ondanks dan dankzij de Burschenschaften, denkt hij. ‘Het is niet het Deutschnationalismus of het antisemitisme dat kiezers naar de fpö trekt, integendeel. Maar dat de partijleiding er niets aan hoeft te doen is veelzeggend.’

Verkiezingsposter met Heinz-Christian Strache, leider van de FPÖ, in de straten van Wenen, 2017 © Sean Gallup / Getty Images

Toen de FPÖ in 2000 voor het eerst regeringsmacht verwierf was dat anders. De druk vanuit de samenleving was zo groot dat toenmalig partijleider Jörg Haider besloot de Burschenschaftler op afstand te houden. Maar zijn opvolger Strache bracht ze juist terug, en daarmee de ideologie. Zelfs de passage dat Oostenrijk deel is van de Duitse Volksgemeinschaft (onder Haider geschrapt) keerde terug in het partijprogramma. Weidinger: ‘Uiteindelijk komt de boodschap van de Burschenschaften en de fpö op hetzelfde neer: “Gooi die bruine mensen en die moslims eruit en we zullen weer meester in eigen huis zijn.”’

Voorheen lieten Burschenschaften nog wel eens journalisten toe. Maar sinds de onthullingen van afgelopen jaar zijn ze gesloten als een oester. Van de tien die ik in Wenen aanschreef reageerde er niet één. Het deed een gecoördineerd mediabeleid vermoeden. Mijn laatste hoop was Norbert Nemeth, de fractieleider van de fpö in het nationale parlement, auteur van in gotische letter gezette romans én vooraanstaand lid van Olympia, een van de meer prominente schlagende Burschenschaften. Hij antwoordde hoffelijk dat hij mijn verzoek zou doorsturen naar de Wiener Korporationsring, de koepelorganisatie van Burschenschaften. Daar eindigde het spoor.

Wie wél wilde praten was Andreas Mölzer, oud-europarlementariër namens de fpö en officieus partij-ideoloog. Op het hoogtepunt van de door Falter ontketende affaire had Mölzer een ‘schoonmaak in eigen huis’ bepleit, zelfs al was hij jarenlang medewerker van Die Aula geweest. De Europese Unie had hij een ‘negerconglomeraat’ genoemd, hetgeen hem in 2014 zijn plaats op de lijst had gekost. Net als Nemeth bleek ook Mölzer een bescheiden romanoeuvre op zijn naam te hebben, zoals Der Graue: Eine apokalyptische Erzählung, over een jongeman die ronddoolt na een nucleaire fall-out. Het boek is getekend door gewelddadige verkrachtingsscènes.

Mölzer woont in Karinthië, de traditionele machtsbasis van de fpö. Zijn voorouders vochten tegen de Mongolen; de familiestamboom kent prinsen en pausen. Wanneer ik Mölzer spreek, in de bar van Hotel Imperial, op een steenworp van de Wiener Staatsoper, lacht hij vragen over zijn romans besmuikt weg. Hij beschikt over de ontspannen en zelfverzekerde manier van bewegen van de man die overal thuis is. Een grijs baardje verhult de talrijke littekens in zijn gezicht. Het Deutschnationalismus van de Burschenschaften en de fpö noemt Mölzer ‘iets cultureels’. Al stond het tevens onder druk. Dankzij het vluchtelingenbeleid van Frau Merkel is de liefde voor Duitsland de afgelopen jaren bekoeld.

‘De crisis van 2015 markeert echt een scheiding van de wegen’, zegt hij, verwijzend naar de harde lijn die Oostenrijk toen koos. ‘Hier in Oostenrijk hebben wij niet langer een Willkommenskultur maar een Abschiedskultur.’ Partijgenoot Herbert Kickl, de huidige minister van Binnenlandse Zaken, stelde onlangs voor om ‘opvangcentra’ voortaan ‘vertrekcentra’ te noemen. Mölzer grijnst: ‘De marxisten wisten al dat wie de terminologie beheerst ook de inhoud bepaalt.’

In plaats van naar Duitsland kijkt de fpö tegenwoordig liever naar Rusland. De partij heeft een vriendschapsverband met Verenigd Rusland, de partij van president Poetin. Vorige week onthulde de krant Der Standard dat Britse en Nederlandse inlichtingendiensten sinds de toetreding van de fpö tot de regering nog amper informatie met hun Oostenrijkse collega’s delen. ‘Misschien is Poetin geen voorbeeldige democraat, hij komt wél voor zijn land op’, zegt Mölzer, ‘en bepaalde opvattingen, zoals over het homohuwelijk, delen wij ook. Dat Europa decadent is, valt lastig te ontkennen.’ Hém zouden ze niet snel zien op het Life Ball, het jaarlijkse liefdadigheidsbal ter bestrijding van aids, of op een parade van party people, aangevoerd door drag queen en Songfestival-winnaar Conchita (v/h Conchita Würst).

‘Het is verleidelijk te denken dat het wel om een Oostenrijkse uitzondering zal gaan. Maar wat we hier zien is overal in Europa gaande’

De vluchtelingencrisis zette ook de verhouding met de katholieke kerk op scherp. Traditioneel is de fpö een antiklerikale partij. Maar onder Strache, een laat-veertiger met priemende blauwe ogen en een verleden als neonazi, maakt de notie van het ‘christelijke Avondland’ school, belangrijk in de fanatieke strijd die de fpö voert tegen ‘islamisering’. Zo protesteerde Strache eens met een groot wit kruis in de hand tegen de bouw van een moskee. Maar sinds de kerk de kant van de vluchtelingen en migranten koos is de traditionele animositeit met Rome aangewakkerd. ‘De fpö is een identitaire partij’, zegt Mölzer. ‘Zij is er voor de autochtone bevolking. Wij zijn christelijk noch socialistisch. We zijn voor vrijheid, maar wel voor ónze vrijheid.’

De ‘turquoise-blauwe coalitie’ die de fpö sinds eind 2017 vormt met de conservatieve Österreichische Volkspartei (övp) van Sebastian Kurz, kan vanuit Europa op warme belangstelling rekening. Met name pro-Europese conservatief-liberalen zien een belofte en een rolmodel in de 32-jarige kanselier. Vanuit een ogenschijnlijk kansloze positie was Kurz er tijdens de verkiezingen in geslaagd om de fpö de pas af te snijden. Nu beteugelt hij de partij vanuit de regering, althans, zo menen zijn fans. Kurz is pro-Europees, sociaal-liberaal, pakt het immigratievraagstuk aan en houdt de rechtsstaat hoog, zeggen zijn voorstanders. Daarmee zou hij hét antwoord zijn op de autoritaire en illiberale Hongaarse premier Viktor Orbán.

Florian Wenninger, als historicus verbonden aan de Universiteit van Wenen, deelt deze visie niet. ‘Kurz heeft zijn ziel aan de duivel verkocht’, zegt hij in zijn werkkamer. ‘Wat betreft immigratie heeft hij gewoon alles van de fpö overgenomen.’ Wenninger, die actief is binnen de Sozialdemokratische Partei Österreichs (spö), ontmoette Kurz naar eigen zeggen meermalen. ‘Ik verzeker je, hij heeft geen agenda anders dan die van hemzelf. Hij heeft geen grens op rechts en schuift zo ver op als nodig.’

Lothar Höbelt, eveneens als historicus verbonden aan de Universiteit van Wenen, maar sympathiserend met de fpö, beaamt dat. ‘De fpö en de övp voeren in grote lijnen dezelfde politiek uit’, zegt hij. ‘Alleen de toonaarden zijn anders: Strache hard en schril, Kurz meer zoetgevooisd.’

Vriend en vijand bewonderen Kurz’ politieke timing, maar huiveren voor zijn ogenschijnlijke principeloosheid. Zo introduceerde Kurz in 2014 de term Willkommenskultur, maar blokkeerde hij een jaar later, op het hoogtepunt van de vluchtelingencrisis, de westelijke Balkanroute. ‘Een krokodil is geen alternatief voor een draak’, zegt de schrijver Robert Menasse in een van de restaurants waar de Weense politieke en intellectuele elite samenklontert. ‘Kurz bedrijft dezelfde politiek als uiterst rechts, maar doet dat alleen niet zo agressief en vuil. Dáárom wordt hij als een alternatief voor Orbán gezien.’

Volgens Menasse, auteur van De hoofdstad, een alom bejubelde roman die zich afspeelt in het institutionele radarwerk van de Europese Unie, is de onberispelijk geklede en gekapte Kurz bij uitstek een representant van wat hij ‘slim-fit modernity’ noemt. ‘Als je aan Kurz’ voorgangers vroeg: wat zijn de plannen met de industrie?, dan zouden zij antwoorden: die gaan we privatiseren, en dat gaan we heel grondig doen, en de vakbonden zoeken het maar uit. Maar als je dat aan Kurz zou vragen, zou hij zeggen: dank u voor deze vraag, het is een belangrijke vraag, we zien het probleem, we moeten een oplossing vinden, en daar werken we aan.’

De coalitie mag zich in aanhoudende populariteit verheugen. Ergens valt dat wel te begrijpen: na jaren van stroeve samenwerking tussen conservatieven en sociaaldemocraten zijn kiezers blij met een regering die niet in oorlog is met zichzelf. Maar je zou toch ook spanningen verwachten, zeker gezien de rechts-liberale agenda die de övp uitvoert: uitkeringen worden gekort, huren van sociale woningen stijgen, zorg wordt duurder en er is de mogelijkheid van een twaalfurige werkdag. Dit raakt direct aan de belangen van de kleine man waar de fpö zich sterk voor zegt te maken. De tientallen fpö-stemmers die ik sprak in de Triestersiedlung, een arbeiderswijk in Graz en voorheen een bastion van de sociaaldemocraten, bleken er goed mee te kunnen leven. Hun prioriteit waren de asielzoekers en de immigranten en zolang de regering daar iets aan deed klaagden ze niet.

De voornaamste bron van spanning tussen de regeringspartners was het rookverbod in cafés en restaurants dat fpö-leider Strache, zelf een verstokt roker, ongedaan wenste te maken. Pas nadat recent aan het licht kwam dat de rechts-extremist die in het Nieuw-Zeelandse Christchurch meer dan vijftig mensen doodschoot in het verleden geld doneerde aan de Oostenrijkse Identitären is er sprake van enige frictie. De Identitären zijn een extreem-rechtse beweging met vertakkingen overal in Europa. Ook de Franse Identitaires kregen geld uit Nieuw-Zeeland. Kurz eist nu dat de fpö zich distantieert. Waarom nu? vragen critici zich af. Is het vanwege de naderende Europese verkiezingen? Als Kurz zich zo bewust is van het radicaal-rechtse gevaar, waarom liet hij dan afgelopen jaar alles passeren waarmee Kickl de oppositie de gordijnen in joeg? Het leverde Kurz de bijnaam Der Schweigekanzler op, de stille kanselier.

Kickl, een atletisch gebouwde vijftiger met een eeuwige driedagenbaard, is de bête noire van de huidige regering. Hij zorgde voor onrust toen hij eerder opdracht gaf tot inbeslagname van gevoelige dossiers bij de Oostenrijkse geheime dienst, nota bene met betrekking tot de Oostenrijke Identitären. Later kwamen daar maatregelen bij gericht op de inperking van rechten van immigranten en vluchtelingen, zoals een avondklok en de mogelijkheid om gevaarlijk geachte vluchtelingen zonder tussenkomst van de rechter te detineren. Sicherheitshaft noemde Kickl dat, een zeer beladen term omdat ze herinnert aan de Schutzhaft waarmee de nazi’s zich van ongewenste personen plachten te ontdoen. Daarbij bleef het niet, want op de vraag of hij zich door het Europees Gerechtshof zou laten tegenhouden stelde Kickl kortweg dat ‘het recht de politiek moet volgen’ in plaats van andersom, een uitspraak die volgens juristen lijnrecht indruist tegen de beginselen van de rechtsstaat.

De van oorsprong Duitse historicus en auteur Philipp Blom maakt zich grote zorgen. Als ik hem spreek in het beroemde Café Korb in het hart van Wenen heeft hij het over de ‘salamitactiek’ waarmee de rechtsstaat zou worden ontmanteld, beetje voor beetje, en niet alleen in Oostenrijk, maar op tal van plekken in Europa. Blom, die vloeiend Nederlands spreekt, publiceerde recent Wat op het spel staat, een inventarisatie van de bedreigingen van onze democratische rechtsorde. Hij heeft een wekelijkse radioshow, goed beluisterd in kringen van de Weense intelligentsia. ‘Het is verleidelijk te denken dat het wel om een Oostenrijkse uitzondering zal gaan’, zegt hij. ‘Dat zeiden ze met Haider ook, dat Oostenrijk nu eenmaal gedrenkt is in rechts-nationalisme, dat het land besmet is vanwege het verleden. Maar wat we hier zien is overal in Europa gaande.’

Sebastian Kurz, leider van de ÖVP, groet aanhangers tijdens zijn verkiezingscampagne in Wenen, Oostenrijk, 2017 © Lisi Niesner / Bloomberg / Getty Images

Wenen is een welvarende en kosmopolitische stad van zo’n twee miljoen inwoners. De stad herbergt tal van internationale organisaties, een erfenis van haar neutrale positie tijdens de Koude Oorlog. Het Internationaal Atoomagentschap zit er, maar ook de Opec. De bevolking is divers met arbeidsimmigranten uit Tsjechië, Hongarije, Slowakije en voormalig Joegoslavië. Ook is er een grote Turkse gemeenschap. Daarnaast zijn er veel Duitse studenten, die de numerus fixus in eigen land omzeilen. De stad heeft een sociaaldemocratische burgemeester. Toeristen scheren op gemotoriseerde leenstepjes langs de monumentale negentiende-eeuwse gevels en vanaf het voorjaar transformeert de oever van de Donau zich tot een quasi-permanent festivalterrein.

Sinds het aantreden van de nieuwe regering, eind 2017, schuifelt er iedere donderdag een bescheiden protestmars door de stad, linkse intellectuelen spreken zich uit en publicaties als Falter en Der Standard voeren de druk op. Maar van een massale protestbeweging is geen sprake. In 2000, toen de fpö voor het eerst ging meeregeren, was dat anders. Het straatprotest was zelfs zo hevig dat de ministers de beëdigingsceremonie in het presidentieel paleis alleen via een ondergrondse tunnel konden bereiken in plaats van over de Ballhausplatz. Vanuit de Europese Unie werden sancties afgekondigd, iets waar nu geen enkele sprake van is. Het zegt iets over hoezeer het rechtspopulisme in Europa is genormaliseerd.

De zegetocht van de fpö begon midden jaren tachtig, nadat Haider via een interne coup de macht in de in 1955 gestichte partij had gegrepen. Traditioneel steunde ze op een divers electoraat van ex-nazi’s, monarchisten, antikerkelijke conservatieven en kleine zelfstandigen. Het getroebleerde Oostenrijkse verleden hing altijd als een donkere schaduw over de fpö, maar Haider, die in 2008 omkwam bij een eenzijdig auto-ongeluk na roekeloos rijgedrag, had wat hijzelf ‘die Gnade der späten Geburt’ noemde, het geluk van een late geboorte. Hij was uit 1950 en daarmee te jong om verantwoordelijkheid te dragen voor dat verleden. Zijn ouders waren overtuigde nazi’s, maar zelf was hij minstens evenveel gevormd door 1968. Los in de omgang, charismatisch en zonnebankbruin, maar wel in traditionele Lederhosen. Haider betuigde eer aan nazi-veteranen, maar begreep tegelijk dat er met nostalgie naar het Derde Rijk niet veel te winnen was. In plaats daarvan richtte hij zich op immigratie, een thema waar de grote establishmentpartijen, net als elders in Europa, eigenlijk niet goed raad mee wisten.

‘Onder Haider ging het nog nauwelijks over de islam of criminele vluchtelingen’, zegt de bekende linguïste Ruth Wodak, auteur van Politik mit der Angst, een studie naar de werking van het rechtspopulistisch discours in Europa en de Verenigde Staten, in de bibliotheek van het Institut für die Wissenschaften vom Menschen. ‘Mikpunt van kritiek was de grote stroom immigranten uit de voormalige Sovjet-Unie. Waarom komen ze hier naartoe, zei Haider dan, er is immers geen communisme meer, ze hebben geen noodzaak te komen, ze pikken onze banen in.’ Onder Haider voerde de fpö campagne tegen drugs verkopende Afrikanen in Wenen. Maar volgens Wodak was die niet speciaal gericht tegen vluchtelingen. ‘Oostenrijk nam in die tijd 90.000 Bosniërs op. Dat was geen issue, dat deden we gewoon.’

Pas nadat Strache in 2005 de partij had overgenomen werd de islam een thema. De fpö profileerde zich nu als Heimat-partij. Er was de notie van een ‘christelijk Europa’ en er volgde een serie felle anti-islamcampagnes. Volgens de stichting SOS Mitmensch voert de partij sinds enige tijd ‘op systematische wijze een racistische campagne tegen moslims’. Wodak is beducht voor de verharding van het discours de afgelopen jaren, vooral jegens vluchtelingen en moslims. ‘Retoriek draagt altijd bij aan het scheppen van werkelijkheden’, zegt ze.

‘De mensen stemmen hier FPÖ omdat ze niet willen dat er een neger komt en in het zwembad springt’

Ik proef het sentiment wanneer ik een bezoek breng aan het fpö-partijkantoor in Graz. ‘Ah, je komt uit het Kalifaat’, zegt een medewerker als hij op mijn perskaart ziet dat ik in Parijs woon. Het blijkt geen grapje. De stad was ‘erg veranderd’ sinds hij er in de jaren negentig voor het laatst was, vervolgt de man, sportief gebouwd, donker haar, spijkerjack. En niet ten goede. Alles draait om ‘identiteit’, begint hij even later, ‘om de Volksgemeinschaft’. Daarop kun je ‘wolkenkrabbers’ bouwen.

Wie zich verdiept in de FPÖ leest aldoor dat haar opkomst, zelfs als de partij appelleert aan sentimenten die overal in Europa in gelijke mate leven, niet los gezien kan worden van de specifiek Oostenrijkse context. Gewezen wordt dan op de gebrekkige verwerking van het fascistische verleden en de verstikkende werking van de Proporz, het systeem waarbij de twee grote establishmentpartijen övp en spö de belangrijke beslissingen uitbesteedden aan de sociale partners.

Nu is het zeker zo dat het Austro-fascisme in veel opzichten karakterbepalend is voor de fpö. Maar je kunt je afvragen of het uiteindelijk geen graduele verschillen zijn. Neem Frankrijk, waar het tot diep in de jaren zeventig duurde eer het Vichy-verleden onder ogen kon worden gezien. Om over Polen nog maar te zwijgen. In Italië en Spanje is het fascisme nooit helemaal verdwenen. Alleen Duitsland heeft een serieuze poging tot Vergangenheitsbewältigung gedaan. Het kon eenvoudig niet anders, de misdaden waren te groot, er was geen mogelijkheid om ze te verhullen. Maar zelfs daar werd weggekeken; talloze nazi’s glipten door het net.

Wat die Proporz betreft: die was er misschien niet in alle landen in dezelfde mate. Maar overal was sprake van een naoorlogse consensus, met een politiek establishment dat onderling afspraken maakte, zaken regelde, baantjes verdeelde. Vrijwel overal zijn de traditionele partijen inmiddels gereduceerd tot schimmen van de machtsbastions die ze ooit waren. Ook is het potentieel van de fpö niet per se groter dan dat van vergelijkbare partijen in Europa, blijkt keer op keer. Het is eerder aan het kiesstelsel te wijten dat dit niet overal vervuld wordt.

Europese verkiezingen, die proportioneel zijn, geven een helder beeld: Front National werd in 2014 met 24,8 procent de grootste Franse partij; het Britse Ukip kreeg 26,6 procent. Thuis in Oostenrijk was de fpö goed voor 26 procent. Waar je ook kijkt, steeds is ongeveer een kwart van de stemmen beschikbaar voor radicaal rechts. Als je zo kijkt komt zelfs het Austro-fascisme in een ander daglicht te staan. Want kende in de jaren dertig niet ieder Europees land zijn eigen unieke vorm van fascisme? En zien we momenteel niet overal bewegingen opgeld doen, die dat onder de naam ‘patriottisme’ in een nieuw jasje aan de man trachten te brengen?

De wortels van het Europese populisme

Wat jaagt het populisme aan? Voor zijn reportageserie over de onderstroom van het nationaalpopulisme reist Marijn Kruk door Europa. Zijn werkhypothese luidt dat het Europese populisme zijn wortels niet in de vluchtelingencrisis van 2015 heeft en zelfs niet in de financiële crisis van 2008, maar in de hegemonie van het liberalisme van de jaren tachtig en negentig. Niet altijd leken we te beseffen dat het vrije verkeer van goederen, diensten en personen ook nadelen had, dat er een prijs te betalen was, bijvoorbeeld (angst voor) het verlies van culturele eigenheid, of economische precariteit. Welke prijs en hoe dat zich politiek vertaalt verschilt per land en naar de omstandigheden. Is er desondanks een gemeenschappelijke noemer?

Eerder bezocht Marijn Kruk voor deze serie Groot-Brittannië. De volgende bestemming: Italië.

‘Het Austro-fascisme’, schrijft Robert Menasse, ‘is waar je uitkomt als je alle specifieke nazi-doelen opgeeft: de droom van een groot-Duits Rijk met “Anschluss” van Oostenrijk, de militaire bewapening ten dienste van veroveringsoorlogen en de fysieke vernietiging van joden, “andersoortigen” en politieke tegenstanders.’ Gedurende de jaren dertig waren Austro-fascisme en nazisme concurrenten op dezelfde politieke markt. Maar daar waar de nazi’s na de oorlog ‘heropgevoed’ moesten worden, konden Austro-fascisten volstaan met herformulering van de termen. Menasse, in Das war Österreich (2005): ‘Hun fascisme ging vanaf nu door het leven als “patriottisme”. Ze hoefden niet terug te grijpen op oude symbolen, omdat alles nu symbool kon worden, variërend van sentimentaliteit ten aanzien van de inheemse natuur tot uitsluiting van buitenlanders, sociaal gedeclasseerden en andere “klaplopers”.’

‘Het is de voortzetting van dezelfde mentaliteit’, zegt Menasse desgevraagd. ‘Het fascisme is in Oostenrijk volkomen salonfähig, zolang je maar geen concentratiekamp opent. Het probleem is dat kunstenaars en intellectuelen hier in Wenen bij iedere eruptie ervan “Nazi!, Nazi!” roepen. Daar worden ze bij de fpö dan op hun beurt razend om en dan zeggen ze: “Maar wij zíjn helemaal geen nazi’s!” En in zekere zin hebben ze gelijk, want die kunstenaars en intellectuelen voelen intuïtief aan dat het fascisten zijn, maar zeggen foutief “nazi’s”. En de rest van de wereld ziet het niet, want die heeft alleen woorden als “uiterst rechts” of “radicaal rechts”.’

Menasse, die zich nadrukkelijk Wener noemt en geen Oostenrijker, schuift zijn bord opzij, steekt een sigaret op en vertelt over het huis dat hij op het platteland bezit en de buurtkroeg die hij daar altijd even binnenloopt. ‘Ik zit dan aan de bar en vraag aan de aanwezigen: “Wat vinden jullie nou van die maatregelen van Kickl?” En dan zeggen die lui: “Dat is geen fascisme, dat is noodzakelijk”, en dan zeg ik: “Maar je kunt dat toch niet zomaar doen vanwege het enkele feit dat die mensen buitenlander zijn?” En dan antwoorden zij: “Ja, maar het is voor de veiligheid van ons land en we willen ze niet doodmaken, dus zijn we geen nazi’s, maar patriotten.” Begrijp je het verschil?’

De fpö was de eerste partij die de kracht van sociale media begreep. Kopstukken als Hofer en Strache hebben ieder honderdduizenden volgers op Facebook en Twitter. Er is een eigen YouTube-kanaal, FPÖ-TV. Tegen de achtergrond van besneeuwde bergen, groene weiden, Lederhosen en Dirndl en gelukzalig lachende witte jongens en meisjes is de boodschap steeds hetzelfde: wij bieden houvast in deze tijden van globalisering, robotisering, immigratie en terreur. Bij ons is de Oostenrijkse eigenheid in goede handen. De vluchtelingencrisis van 2015 hielp uiteraard een handje. Toch blijft het lastig te doorgronden hoe een partij als de fpö zo sterk kan zijn in een welvarend en veilig land als Oostenrijk (Oostenrijk staat in de top van rijkste landen van de EU; terroristische aanslagen zoals in Duitsland bleven tot dusver uit).

I n het plaatselijke café in Pinkafeld, een stadje in de regio Burgenland bij de Hongaarse grens, luisterde ik een dag lang geduldig naar allerlei klachten over ‘moslims’ en ‘zwarten’, zonder daar ook maar een spoor van te kunnen ontdekken. Florian Klenk, hoofdredacteur van Falter, heeft daar een theorie over. Hij ging op onderzoek uit nabij enkele grote sociale-woningbouwprojecten zoals je die her en der in Wenen vindt. Schitterende gebouwen vaak, zoals de Karl-Marx-Hof, een bakstenen monster met bogen en torens, vaak gebouwd in de jaren twintig en dertig en soms zelfs met een gemeenschappelijk zwembad.

Ze worden bevolkt door een hoofdzakelijk witte arbeidersbevolking. Voorheen stemden die allemaal op de sociaaldemocratische spö, nu vaak op de fpö. ‘Ik sprak zo links en rechts wat mensen aan’, zegt Klenk tijdens een lunch. ‘Maar ik kon er weinig van maken. Het was allemaal zo incoherent. Tot ik de huismeester sprak, een man van in de zestig. Die zei: “De mensen stemmen hier fpö omdat ze niet willen dat er een neger komt en in het zwembad springt.” Ze stemmen niet fpö omdat ze precair zijn, zoals de gele hesjes in Frankrijk, maar omdat ze Verlustangst hebben, ze zijn bang iets te verliezen.’

Daarnaast, zegt Klenk, zijn er ook reëel sociaal-economische problemen, want veel mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt zijn in concurrentie met mensen uit buurlanden als Tsjechië, Hongarije en Slovenië. ‘Maar je zou ook kunnen zeggen: het is de Europese wet, deze mensen komen hier, die werken voor ons, doen dat voor heel weinig, betalen belasting, en niemand anders zou dat werk in hun plaats doen.’

Het linkse antwoord laat intussen op zich wachten. De Groenen deden het in 2017 zo slecht dat ze niet boven de kiesdrempel uitkwamen; de spö heeft een leiderschapswissel achter de rug en moet zich duidelijk hervinden. Er klinken de bekende verwijten van ‘identiteitspolitiek’, waar met name de Weense afdeling van de spö zich schuldig aan zou hebben gemaakt, vooral vanuit de provincie. Kurt Maczek, de sociaaldemocratische burgemeester van Pinkafeld, hield me voor dat de partij niet langer de belangen van de arbeider behartigde. ‘De toelages die vluchtelingen en arbeidsmigranten krijgen wekken rancune op’, zei hij. Als de spö stemmen van de fpö wil terugwinnen moet ze volgens Maczek een veel scherper immigratiebeleid voeren. Daarin staat hij niet alleen, ook Hans Peter Doskozil, namens de spö gouverneur voor de regio Burgenland, is die mening toegaan. Daarbij bepleit hij een onderscheid tussen linkse en rechtse sociaaldemocraten, dat laatste in een poging cultureel conservatieve arbeiders die naar de fpö zijn overgelopen terug te winnen.

In Menasse’s kroeg stemden alle gasten ooit op de spö. Dat ze dat niet meer doen heeft volgens de schrijver twee redenen: ‘De eerste is dat de sociaaldemocraten de neoliberale agenda overnamen, dit was de basisfout van alle sociaaldemocratische partijen in Europa. Geconfronteerd met de economische puinhopen daarvan hebben de rechtse partijen een schuldige aangewezen: de immigrant. En in reactie daarop dreigen de sociaaldemocraten nu een tweede kapitale fout te maken. Ze zeggen: oké, als mensen willen geloven dat dat de reden is, dan zullen wij ook zeggen dat dat de reden is. Vanaf dat moment geloofde in mijn kroeg niemand ze meer.’


Deze serie komt mede tot stand dankzij steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (fondsbjp.nl)