Interview: Lisette Pelsers over ‘haar’ museum

‘We zitten hier op goud’

Lisette Pelsers is ruim anderhalf jaar directeur van het Kröller-Müller. Ze legt de lat hoog, maar is wars van verheven taal over kunst. ‘Ik wil vooral dat mensen genieten.’

Medium lisette

De Natuur komt naar binnen in haar werkkamer. En de Kunst, in het Kröller-Müller, komt naar buiten. Door de grote ramen van vloer tot plafond kijkt museumdirecteur Lisette Pelsers (Zutphen, 1956) uit op de gigantische sculpturen buiten in de beeldentuin – een van de grootste van Europa. Een buitenzaal van 25 hectare met Auguste Rodin en Henry Moore en Joep van Lieshout die ongemerkt overgaat in de dennenbossen en zandverstuivingen van het Nationale Park De Hoge Veluwe. ‘Absoluut, ik ga iedere dag juichend naar m’n werk’, zegt ze, ‘ik ben erg bevoorrecht.’

Vanaf Otterlo (of Hoenderloo of Schaarsbergen, de drie ingangen van De Hoge Veluwe) wordt het een soort van safari-in-eigen-land. Het is herfst en de edelherten burlen. Bij het ‘rustgebied voor het grofwild – streng verboden toegang’, staat een rij wildspotters, jeeps met de laadbakken open, camera’s en verrekijkers op het statief. Bij het museum staan tientallen witte fietsen; gratis verkrijgbaar voor wie niet met de auto kan of wil. Voor de ingang loofhout en nog meer beelden; de parmantige Meneer Jacques van Oswald Wenckebach en metershoge staalconstructies. En opvallend veel bordjes ‘niet aanraken’. ‘Haha’, lacht Pelsers, ‘klopt! We zijn toch een soort verlengde van een park, alles wat buiten staat is een beetje vogelvrij. Er wordt hier wel iets meer op dingen geklommen en in dingen gehangen dan in een normaal museum.’

Toen ze vorig jaar aantrad, was Lisette Pelsers de tweede vrouwelijke directeur van het museum, na de illustere grondlegger zelve, Helene Kröller-Müller. ‘Een stoere vrouw’, vindt Pelsers. ‘Maar dat ik de tweede vrouw ben, houdt me helemaal niet bezig. Ik projecteer dat niet op mezelf.’ Onder de 11.500 kunstwerken die Helene Kröller-Müller verzamelde, zijn 88 schilderijen van Vincent van Gogh – de op één na grootste collectie ter wereld, daar tussen Otterlo en Hoenderloo; je zou het bijna vergeten zijn, als je niet, bij toverslag, in de met zonnebloemengeel tapijt getooide zalen, ineens de wereldberoemde De zaaier zag, de Vier uitgebloeide zonnebloemen, de Landweg in de Provence bij nacht, de Brug te Arles en het weergaloze Caféterras bij nacht. Groepen Japanners en Italianen, die het allerminst zijn vergeten, lopen feilloos op hun doel af.

‘Ja, die collectie is natuurlijk waanzinnig’, zegt Pelsers. ‘Al onze Van Goghs tegelijkertijd ophangen is uitgesloten, dan hangt het museum vol. Maar op dit moment hangen er ongeveer vijftig, dat is ook niet weinig, hè? Naast die 88 schilderijen hebben we ook nog 180 tekeningen van Van Gogh; die hang je vanwege de lichtgevoeligheid sowieso maar heel beperkt op. Maar als we bijvoorbeeld zo’n Caféterras hier niet hebben hangen, hebben we huilende mensen op de stoep, en dat wil je ook niet.’

Huilende mensen?

‘Echt. Daar is geen woord van overdreven. We hadden dichte schotten toen we vorig jaar aan het inrichten waren. Er kwamen mensen uit Japan of Amerika die zeiden: “Ik kom hier met m’n oma, die voor het laatst…” Natuurlijk hebben we ter plekke gezorgd dat die mensen toch even iets konden zien – en de dichte schotten hebben we meteen vervangen door zo’n bandje – maar dat gebeurt ons geen tweede keer.’

Ik was glad vergeten dat hier die cipressen hingen en dat caféterras bij nacht

‘Je bent de enige niet. Wat betreft de Van Goghs hebben we een enorme reputatie in het buitenland, maar ik denk dat als je het aan de gemiddelde Nederlander vraagt hij dat niet allemaal meteen zal oplepelen. Dus hebben we hier nu een soort hoger doel geformuleerd: dit museum is zo bijzonder dat we op z’n minst vinden dat elke Nederlander hier minimaal één keer geweest zou moeten zijn. We hebben per jaar 300.000 bezoekers en dat is niet mis, maar met touroperators, marketing en propaganda gaan we nu stevig inzetten op meer. De drempel ligt hier niet hoog: ook de niet doorgewinterde museumbezoeker weet het museum te waarderen, ook vanwege de ligging, inderdaad, en die voortdurende relatie met de natuur. Het blijkt ook als je kijkt naar onze bezoekersopbouw: die is wat atypisch ten opzichte van het traditionele museumbezoek; het is veel breder dan de heavy users. Voor heel veel mensen is dit het eerste museum waar ze komen. Het Kröller-Müller is onderdeel van een dagje uit. Ikzelf ben hier als kind met mijn ouders geweest, zoals zoveel mensen dat als kind hebben gedaan. Mijn ouders vonden dat je Nederland moest leren kennen, dus waar gingen we naar toe? Naar de hunebedden, naar de Afsluitdijk en naar de Veluwe en het Kröller-Müller.’

‘Voor heel veel mensen is dit het eerste museum waar ze komen. Het Kröller-Müller is onderdeel van een dagje uit’

Een kapitale collectie, bijeengebracht door een verwoede verzamelaar. In zijn folders noemt het Kröller-Müller zich zonder gêne ‘de mooiste schatkamer die Nederland rijk is’. En als je van Brancusi houdt – in een vitrine ligt, bijna achteloos, het misschien wel allermooiste exemplaar van zijn beroemde ei – of van Giacometti (Lopende man II), ben je geneigd dat te onderschrijven. Naast de Van Goghs en een enkel uitgekiend heel vroeg schilderij als Lucas Cranach de Oude’s Venus met Amor als honingdief, kocht Helene destijds eveneens contemporaine kunst, waaronder ook het allernieuwste zoals Mondriaan en Van der Leck. En nog steeds is het Kröller-Müller een ‘museum voor moderne en hedendaagse kunst’ – maar niet van de meest hippe avant-gardekunst van morgen. ‘Van Vincent tot vandaag’, zeggen ze zelf. Daar lag, door de jaren heen, een even uitgekiend als spaarzaam aankoopbeleid aan ten grondslag.

‘Nee, we zijn geen eerstelijnsinstelling’, lacht Pelsers. ‘We gaan in ons aankoopbeleid uit van iets dat al meer “bezonken” is, dat zich al heeft uitgekristalliseerd. Helene Kröller-Müller heeft destijds geen troep gekocht. Ze had echt een missie. Ze vond, vrijwel vanaf het begin, dat ze niet voor zichzelf moest verzamelen, maar voor de gemeenschap. Er waren een tijd lang onbeperkte middelen en ze hoefde zich niet te verantwoorden tegenover wie dan ook, maar ze heeft toch steeds als doel gehad dat het een keer de samenleving in zou gaan. Ze heeft sterke keuzes gemaakt en zichzelf de opdracht gesteld: ik wil de ontwikkelingen van de kunst in mijn tijd in beeld brengen – en daarin heeft ze de lat behoorlijk hoog gelegd.

Toen ze in 1907 begon te verzamelen was het al een vrij unieke mix. Van Gogh was toen zeker bij het grote publiek nog niet doorgebroken, maar ook niet helemaal uit de goot; dat ze hem op grote schaal aankocht, was absoluut bijzonder. Als je het vergelijkt met negen van de tien particuliere collecties van die tijd is het heel vooruitstrevend, zeker als je kijkt wat er in Nederland werd gekocht: dan had je de Breitners en alle Haagse School’ers, dat werk, en misschien nog een keer iets Frans erbij, maar veel minder kubisten, of Picasso of Mondriaan. Op een gegeven moment vond ze, terugblikkend, Seurat erg belangrijk voor de ontwikkeling in de moderne kunst en daarom heeft ze met terugwerkende kracht Seurat gekocht. Dat paste in haar opvatting: hoe heeft de moderne kunst zich ontwikkeld en wat moet ik daarin laten zien?

De kwaliteit van de collectie betekent voor mij, zeker wat betreft nieuwe aankopen, dat de lat wel heel hoog moet liggen. Dat is ook wel een geruststelling: het betekent dat je een heleboel dingen niet hoeft. Die hoge kwaliteit komt niet dagelijks tien keer voorbij. Als ik op de Documenta in Kassel vier, vijf dingen tegenkom waar ik iets mee zou kunnen, heeft de Documenta voor mij z’n zin bewezen.’

Dus?

‘Dus kijk ik in het hedendaagse veld toch naar min of meer prominente kunstenaars. Mensen die heel actief bezig zijn en echt in het nu staan, maar waarvan je het werk toch kan relateren aan deze collectie. Dat klinkt natuurlijk heel vaag, en ik kan je wel een paar namen noemen, maar dat zegt niet zoveel. Je probeert te zoeken naar de mensen die hier passen, die voortkomen uit de lijnen van de collectie. De conceptuele kunst is hier heel sterk, de relatie met de natuur ook, en dus zoek je naar hedendaagse kunstenaars die die relatie op een nieuwe manier leggen, bijvoorbeeld Arte Povera-_kunstenaars als Michelangelo Pistoletto, van wie we de _Venus van de vodden, een omgedraaid klassiek Venusbeeld van polyurethaanschuim en polyester met haar neus in een enorme berg lappen, in de collectie hebben. En daarnaast, een enkele keer als de kans zich voordoet, kan ik mij voorstellen dat je een heel goed retrospectief stuk koopt, een ontbrekende schakel waarvan je denkt: dat zou heel mooi zijn om de dingen nog nét even iets beter op z’n plaats te doen vallen. We zijn nu bezig met het futurisme, dat Helene Kröller-Müller ook echt een omissie vond in haar eigen opvatting. En ik kan me voorstellen dat je nog eens een keer een heel mooie sculptuur van Picasso koopt, ik zeg maar iets…’

Wat ga je jezelf cadeau geven voor dit 75-jarig bestaan?

‘Dat kan ik nu niet zeggen.’

‘We zijn nu bezig met het futurisme, dat Helene Kröller-Müller ook echt een omissie vond in haar eigen opvatting’

In augustus kreeg het museum misschien wel de grootste schenking in zijn bestaan. Tweehonderd beelden van de meest vooraanstaande kunstenaars van de tweede helft van de twintigste eeuw, samen miljoenen waard. De collectie is in veertig jaar opgebouwd door de galeriehouders Geert van Beijeren en Adriaan van Ravesteijn van de ooit toonaangevende avant-gardegalerie Art Project. Zelf veegt ze het een beetje onder tafel, maar dat het Kröller-Müller de gigantische gift ontving, heeft wel degelijk te maken met de kwaliteiten van Pelsers persoonlijk. Eerder kreeg het Rijksmuseum Twente al delen van de collectie cadeau – het museum waar Pelsers 26 (!) jaar gewerkt heeft en van vrijwilliger is opgeklommen tot directeur. ‘We zagen hoe goed zij met het werk omging’, zei Van Ravesteijn toen. ‘Pelsers heeft altijd innig contact met ons gehouden – en dat levert iets op.’ De grote gift, zegt Pelsers, ‘moet ook weer even neerdalen en zich voegen in de collectie. Maar dat gaat vrij smoothly.’

Van burgerzin, van giften en het genereren van eigen kapitaal moet het Kröller-Müller het in toenemende mate hebben. Zoals alle musea, sinds de beroemde en beruchte cultuurnota van staatssecretaris Halbe Zijlstra, twee jaar geleden. Op de totale kunstbegroting van negenhonderd miljoen moest tweehonderd miljoen bezuinigd worden. ‘Niemand is veilig’, zei de staatssecretaris. ‘Het subsidie-infuus van de overheid moet minder vanzelfsprekend worden.’

‘We weten allemaal dat de overheid zich terugtrekt’, zegt Pelsers, ‘maar even los van de noodzaak van bezuinigingen: ik vind dat er ten onrechte een te negatief beeld is geschapen van de cultuursector – een beeld dat natuurlijk niet ontbloot is van enige neiging tot populisme. Het overschakelen naar minder steun van de overheid is niet iets wat van vandaag op morgen kan, en om dan ineens van de ene op de andere dag een hele sector weg te zetten als subsidieverslaafden vind ik gewoon veel te kort door de bocht. Je doet daar de cultuur en ook de mensen die daar werken geen recht mee.’

Heeft de kunstelite zichzelf niet een slechte naam bezorgd met een soort opgepimpt gezever over het verhevene van kunst, waarbij de gewone man zegt: dat gaat boven m’n pet?

‘Ik zeg niet dat ik het nooit gedaan heb, maar ik probeer mezelf in ieder geval niet te bezondigen aan al te verheven taalgebruik over kunst. Ik vind dat eigenlijk ook helemaal niet nodig. Van mij hoeft niet iedereen iets te leren; je wilt vooral dat mensen genieten. Als je hier naartoe gaat, dan ben je er even helemaal uit, dan krijg je even een andere mindset – dat vind ik het belangrijkste. Misschien moet je je erbij neerleggen dat kunst, zeker als het om modern of hedendaags werk gaat, soms maar een beperkte groep aanspreekt. Een elite, als je het heel scherp stelt. Wellicht een brede elite, die ook wel door allerlei maatschappelijke lagen heen kan lopen, maar een elite niettemin. Toch is het fijne aan dit museum dat je ook veel niet heavy users hier geweldig ziet genieten. Oók van de abstracte kunst van Van der Leck en Mondriaan. Oók van Brancusi. Deze werken zitten voor heel veel mensen toch al in de canon van de kunst.’

Nu de overheid zich terugtrekt, komt het mecenaat weer in zicht. De burgerij – en het zakenleven – als sponsor van de kunst; is dat juist niet heel verfrissend?

‘Tja… Die medaille heeft twee kanten. Onze collectie is van de overheid, dus er moet heel wat gebeuren, wil je die band volledig doorsnijden. Maar een museum als het onze dat daar de potentie toe heeft, moet, vind ik, ook andere geldstromen genereren – en die zijn er dus ook. Dat geld is nodig: dit museum is het aan z’n statuur verplicht om af en toe een tentoonstelling van importantie te maken, van hoge kwaliteit, die ook een hoog publiekspotentieel heeft. Daar heb je echt geld voor nodig. Dat geld is er niet. Maar we zitten met onze collectie op goud, we kunnen af en toe een contingent werken uitlenen aan de internationale producenten van tentoonstellingen en daar krijg je geld voor.

Dit museum heeft een lange traditie op het gebied van het commerciële bruikleenverkeer. Helene Kröller-Müller stuurde de Van Goghs al naar Amerika, dus dat zit in de genen. En wat die particulieren betreft: ik vind zeker dat je mensen erop mag aanspreken, maar je moet je wél realiseren dat het in Nederland nog niet tot de cultuur behoort, dus dat moet groeien, dat heeft tijd nodig. Nederland heeft ook veel minder grote verzamelaars dan bijvoorbeeld buurland België.

‘Misschien moet je je erbij neerleggen dat kunst, zeker als het om modern of hedendaags werk gaat, soms maar een beperkte groep aanspreekt’

We hebben ter gelegenheid van onze verjaardag een fonds opgericht, je raadt het al: het Helene Kröller-Müller Fonds, juist voor de kers op de taart. Het fonds is voor bedrijven en particulieren, maar je ziet dat die particulieren nu van alle kanten worden besprongen. En daar komt nog de politieke wind bij. Als de overheid zich aan de ene kant terugtrekt en de bal richting particulieren schuift, en tegelijkertijd de hele branche wegzet als een waardeloze sector – dat helpt niet mee, natuurlijk.’

Je gelooft niet in een shocktherapie?

‘Misschien in zekere zin wel. Dat zag je in Enschede, het Rijksmuseum Twente, waar ik jarenlang werkte. Dat was in heel zwaar weer gekomen. De middelen liepen zo ver terug dat sluiting de consequentie zou zijn en dan zie je: dan komt er van alles op de been. Dan zijn er heel veel mensen die zeggen: maar dát gaat niet gebeuren! De minister heeft de bezuiniging nu deels teruggedraaid en de gemeente en provincie dragen nu bij; het museum lijkt gered. Maar aan de andere kant: er is dertig procent van het personeel ontslagen. Dat is niet niks.’

Ze droomt stiekem van uitbreiding. ‘Ja, als dat zou kunnen…!’ Want eigenlijk, als je erop let, is het gebouw verrassend klein. ‘De uitstraling is veel groter dan de oppervlakte, dat is helemaal waar.’ Er is ooit een schets gemaakt door de vorige Rijksbouwmeester, maar die ligt voorlopig in een la. ‘Dit is natuurlijk ook niet de allerbeste tijd om daarvan te dromen.’

Harder zet ze in op de grote tentoonstelling van de pointillist George Seurat, die ontbrekende schakel van Helene, die voor volgend jaar staat gepland. Wereldwijd zijn er zo’n zestig werken aangevraagd, vaak moeilijk in bruikleen te krijgen. Ze mikt op de helft, een grote klus. ‘Het zijn mooie, aansprekende voorstellingen. Dat soort tentoonstellingen wil ik maken: met inhoud en kwaliteit, maar wel met een groots publiekbereik.’ Het wordt, zegt ze, ‘een tentoonstelling van wereldklasse’.

‘Nee, ik ben niet bescheiden als het om dit museum gaat. Vergeleken met verwante musea als het Orsay zijn wij een soort Madurodam. Er werken hier alles bij elkaar zo’n honderd mensen, waarvan een groot contingent bewaking en beveiliging, maar de staf is heel klein. We hebben geen reeks conservatoren die dingen kunnen doen, we hebben er maar één. In verhouding tot de naam en faam van het museum is dat natuurlijk niets.’

Dus kent ze alle mensen. Tot en met de spreekwoordelijke wc-juffrouw. ‘Er zijn erbij die ik heel weinig zie, bijvoorbeeld de bewakers die ’s nachts of in het weekend werken, maar ik ken ze wel allemaal van naam. Honderd man, dat is me eigenlijk meegevallen.’ Sommige suppoosten werken er al veertig jaar; het museum is één grote familie. Dus gaat ze juichend naar het werk. ‘Maar weet je, ik doe ook niks anders. Je bent zó verbonden. Als je ’s avonds thuis op de bank zit, denk je: zouden we niet eens dit of zullen we niet eens dat?’

Haar partner zit ook in de kunst, is conservator. ‘Dat is niet zo toevallig, daar is-ie bij wijze van spreken op geselecteerd.’ Zelfs tijdens het tandenpoetsen spreken ze over kunst. Daar wordt ze niet gek van, zegt ze. ‘Integendeel, dat is de enige manier waarop je het kan doen, denk ik.’


Beeld: Kröller-Müller Museum