Zeventig jaar Israël: De strijd om een open samenleving

‘We zitten in een morele crisis’

Israël wordt volgende week zeventig. Het land krijgt steeds meer aansluiting bij landen in de regio en steeds minder kritiek om de behandeling van de Palestijnen. Maar de angst verschuift naar het binnenland.

Medium 1.anp 5336954
14 mei 1948, Tel Aviv © AFP / ANP

Israël bestaat volgende week zeventig jaar, maar vierde die verjaardag (omdat die op de joodse kalender eerder viel) al in april. Het was een herdenking in stijl. Een Israëlische minister met de bijnaam ‘Trump op hoge hakken’ was al maanden in de weer met de voorbereidingen, maar toch waren het vooral ruzies die de aandacht trokken. Premier Benjamin Netanyahu eiste een grotere rol op dan de traditie voorschrijft, en ruziede wekenlang openlijk met andere politici. Een Amerikaanse actrice die een hoofdgast moest zijn werd te laat uitgenodigd en kon niet komen. Een reeks staatshoofden werd uitgenodigd en weer ‘ontnodigd’, waarna de president van Honduras een hoofdrol toebedeeld kreeg, die hij na een storm van kritiek weer naast zich neerlegde. Nogal wat commentatoren vonden de rommelige, met ruzie omlijste verjaardag een metafoor voor het Israël van nu.

Verjaardagen zijn voor Israël altijd tijd om terug te kijken, naar de stichting van het land in 1948 en het geweld dat daarmee gepaard ging. Naar de pioniersmaatschappij daarna, de oorlogen met de Arabische buren. De bezetting van de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever. De ontwikkeling van de democratie en samenleving sindsdien. Er wordt ook naar de toekomst gekeken. Een grote rol daarbij ligt traditioneel bij veiligheid, en een belangrijk deel van Israëls veiligheid ligt in de relaties met de landen in de regio. En in dat opzicht, zo kan iedereen vaststellen, gaat het Israël voor de wind.

Er zijn zowel steeds warmere banden van Israël met Saoedi-Arabië en de Golfstaten, en afnemende kritiek van landen in de regio. In het afgelopen jaar plande Israël honderdduizenden wooneenheden in bezette gebieden, omarmde het de geplande verhuizing van de Amerikaanse ambassade naar Jeruzalem, en schoten Israëlische soldaten 44 Palestijnse demonstranten dood aan de grens met Gaza. De kritiek in de regio was telkens opvallend lauw en plichtmatig.

Toch waren er rondom deze verjaardag genoeg kritische en bezorgde beschouwingen over de staat van het land. Die betroffen meestal niet de veiligheid, en maar deels de bezetting van Palestijnse gebieden. Des te meer ging het over de staat van de Israëlische democratie en samenleving. ‘Ik ben ambivalent’, zegt Avishai Margalit, een Israëlische filosoof die al decennia als commentator en vredesactivist bij de Israëlische politiek betrokken is, in een telefonisch gesprek. ‘Dat geruzie rondom de verjaardag? Dat is triviaal. Anekdotisch. Het symboliseert niet iets groters. Maar de progressief ingestelde mensen, de mensen die een open samenleving willen, die voelen dat er iets groters op het spel staat in het Israël van vandaag.’

‘Het is geen teleurstelling die ik voel’, vervolgt Margalit. ‘Israël blijft een mirakel. Zeventig jaar geleden absorbeerde een natie van 650.000 mensen bijna een miljoen mensen in vier jaar. Met alle moeilijkheden die daarmee gepaard gingen, de prijs van de Palestijnen die werden verdreven; toch was het een monumentale prestatie. En er was een gevoel van hoop, dat de dingen beter zouden worden. Nu geloof ik dat de grote belofte aan het verdwijnen is. Dan kan iemand alleen maar ambivalent zijn over het hele project.’

Eenzelfde sentiment leeft bij Yehuda Bauer, een gerespecteerd historicus van de holocaust aan de Hebreeuwse Universiteit en het Yad Vashem-instituut. ‘Ik ben geboren in 1926, ik ben een heel oude man’, zegt hij in een telefonisch gesprek. ‘Ik was lid van de joodse ondergrondse voor Israël werd gesticht. Soldaat in de onafhankelijkheidsoorlog. 41 jaar was ik deel van een linkse kibboets. Uiteraard ben ik daarmee iemand van het establishment van de staat Israël en ik identificeer me sterk met het joodse volk. Tegelijk ben ik kritisch over wat er nu gebeurt, wat is gebeurd in het verleden. Ik was deel van een generatie waar er nog maar weinig van over zijn. Wij dachten aan een politiek lichaam, een staat die sociaal zou zijn en burgers vooruit zou helpen, joods of Arabier. Maar de samenleving en de politiek van Israël hebben een negatieve wending genomen. Ik blijf positief en hoopvol voor een betere tijd. Maar we zitten in een morele crisis en ik heb geen sleutel voor de toekomst.’

De onafhankelijkheidsverklaring van 14 mei 1948 was ook geen onbezorgd moment. ‘Vandaag dansen de mensen, morgen vloeit er bloed’, vertrouwde David Ben-Goerion, de eerste premier, toe aan zijn kompaan Shimon Peres. In de maanden daarvoor hadden joodse milities in het door Groot-Brittannië beheerde Mandaatgebied Palestina een burgeroorlog gewonnen van Arabische strijdgroepen. Meteen de dag na de onafhankelijkheidsverklaring vielen Egypte, Jordanië, Syrië en Irak het nieuwe land Israël aan. Tot verbijstering van vriend en vijand had Israël nog voor het einde van dat jaar al die legers verslagen. Het land zette zich aan het opbouwen van een nieuwe samenleving, en het opnemen van joodse immigranten die soms met duizenden per dag uit Europa toestroomden.

‘Er is in het Midden-Oosten een ongelooflijke vermoeidheid over de Palestijnse zaak’

De gewelddadige geboorte van Israël was voor de in het Mandaatgebied wonende Arabieren de nakba, de catastrofe. Meer dan zevenhonderdduizend Palestijnen werden uit Israël verdreven of vluchtten voor de oorlog. Voor hen werd geen nieuwe staat gesticht en Israël liet hen nooit meer terugkomen; twee zaken die hun samenleving nog altijd domineren. In 1967 werd de situatie voor hen nog slechter. Israël viel de legers van drie buurlanden tegelijk aan, versloeg ze binnen zes dagen en bezette alle Palestijnse gebieden die het in 1948 nog niet veroverd had, inclusief heel Jeruzalem. In 1974 vielen die buren Israël binnen, in een oorlog die Israël even dodelijk leek te bedreigen, maar die uitliep op een bestendiging van de situatie die in 1967 was ontstaan.

Israël is het gewend omgeven te zijn door onverzoenlijke vijanden, en gehaat te worden door landen die Israël de omgang met de Palestijnen niet willen vergeven. Maar daarin komt verandering, zegt Aaron David Miller. Miller werkte 24 jaar als Midden-Oosten-specialist voor het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, van Reagan tot Bush jr., en was betrokken bij verschillende onderhandelingen tussen Israël, buurlanden en de Palestijnen. De weerzin tegen Israël neemt af, zegt Miller in een telefonisch gesprek. ‘Dat komt vooral doordat er in het Midden-Oosten een ongelooflijke vermoeidheid is over de Palestijnse zaak’, zegt hij. ‘De nieuwe koning van Saoedi-Arabië was net in de VS, een man die vijftig jaar kan regeren, en hij zei in drie weken vrijwel geen woord over Gaza of de Westoever. Daarbij komt dat Israël niet zo slecht afsteekt tegen zijn buren: Assad, Hamas, Hezbollah, IS, en nu Egypte, waar vele duizenden mensen in de gevangenis zijn verdwenen.’

Belangrijker is dat de belangen van veel landen in het Midden-Oosten steeds meer samenvallen met die van Israël. ‘Ten eerste de opkomst van Iran’, zegt Miller. ‘Israël is een gezworen vijand van Iran, en andere vijanden van Iran drijven nu naar Israël toe, met name Saoedi-Arabië. Het is lastig te voorspellen of de alliantie met Saoedi-Arabië doorzet, maar het begin is er. Ten tweede de dreiging van jihadisme. Daar kampen alle landen mee, en dat heeft veel informele samenwerking in gang gezet van de Israëlische regering en veiligheidsdiensten met anderen. Zo ontstaat er een nieuwe realiteit voor Israël, ondanks de voortgaande bezetting van Palestijnse gebieden en een heel rechtse regering onder Netanyahu. Israël heeft nu diplomatieke betrekkingen met 140 landen en een groeiend web van informele banden in het Midden-Oosten. Het is Israëls nieuwe normaal.’

Die samenwerking blijft discreet, want de ‘straat’ in Arabische landen blijft fel tegen Israël gekant. Zeker sinds de Arabische lente in 2011 denken regimes wel twee keer na voor ze het volk negeren. Maar even goed is veiligheid een Israëlisch exportproduct geworden in het Midden-Oosten: inlichtingen, surveillance-apparatuur, trainingen en andere veiligheidsproducten. Onlangs onthulde The New York Times dat Israël al twee jaar in stilte luchtaanvallen uitvoert op extremistische strijders in de Sinaï-woestijn, met zwijgende toestemming van Egypte.

Sommige analisten koppelen de groeiende invloed van Israël aan de dalende invloed van de VS. ‘De neergang van Amerikaanse macht in het Midden-Oosten leidt ertoe dat Israël de gaten vult die de VS voorheen zouden hebben gevuld’, zei de Palestijnse politicoloog Khalil Shaheen tegen Al Jazeera. ‘De Arabische regimes willen overleven, en dat drijft hen naar de sterkste staat in de regio.’ In die visie willen de heersende families en elites vooral zichzelf beschermen, met name tegen interne vijanden, door met Israël aan te pappen. Kind van de rekening zijn de Palestijnen.

Inderdaad neemt de Amerikaanse invloed en interesse in het Midden-Oosten af, al kan dat zomaar keren als president Trump volgende week besluit om de nucleaire overeenkomst met Iran te schrappen. Dat stelt Europese landen voor nieuwe vragen. Ook Nederland. ‘Nederlandse politici, vooral die met een Atlantische oriëntatie, vinden traditioneel dat Nederland te klein is voor een eigen Midden-Oosten-politiek, en vinden dat we ons bij de VS moeten aansluiten’, zegt historicus Peter Malcontent van de Universiteit Utrecht. Maar als die er niet meer is, moet Nederland iets anders. Overigens ligt de voorkeur in het Palestijns-Israëlisch conflict al bij voorbaat vast. ‘Nederland is, al sinds de Zesdaagse Oorlog in 1967, een uitgesproken pro-Israëlisch land’, stelt Malcontent.

Malcontent presenteerde deze week zijn boek Een open zenuw, waarin hij het Nederlandse beleid en de publieke opinie reconstrueert ten opzichte van Israël en de Palestijnen. ‘In 1948 was Nederland nog terughoudend naar Israël, vanwege de islamitische bevolking van Nederlands-Indië’, zegt Malcontent. ‘De regering wilde de islamieten in het Midden-Oosten niet op de tenen trappen. Maar al snel groeide in Nederland een pro-Israëlische houding, onder meer bij de pvda, die dicht tegen de Arbeiderspartij aan zat die Israël in die tijd opbouwde. Toen kwam de Zesdaagse Oorlog, en die viel precies in de periode dat Nederland zijn eigen oorlogsverleden ging verwerken. Voor veel Nederlanders werd actieve steun voor Israël een soort uitlaatklep. Nederland ontpopte zich – tot totale verrassing van de Israëliërs zelf – tot een enthousiast, bijna zelotisch land als het gaat om Israël.’

‘Nederland ontpopte zich na 1967 tot een bijna zelotisch land wat Israël betreft’

Er kwam een kentering in de jaren tachtig. Het Israëlische leger was in 1982 Libanon binnengevallen, had in Beiroet de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila omsingeld, en lokale christelijke milities toegelaten die er honderden, misschien wel duizenden mensen ombrachten. ‘Het aura van Israël werd in Nederland aangetast’, zegt Malcontent. ‘Sabra en Shatila waren een keerpunt. Maar er kwamen ook Nederlandse VN-militairen kritisch over Israël terug uit Libanon. De Eerste Intifada, later in de jaren tachtig, versterkte de trend, al maakte die in Nederland relatief weinig indruk. De Tweede Intifada, vanaf 2000, juist des te meer, omdat die zo duidelijk was uitgelokt door een verkiezingsstunt van Ariel Sharon. Hoe disproportioneler en zichtbaarder het Israëlische geweld, hoe meer scepsis er over Israël ontstond.’

Politieke gevolgen had dit niet. ‘In de Nederlandse politiek is er al zeventig jaar vrijwel continu een pro-Israëlische politieke meerderheid’, stelt Malcontent. ‘Sinds de jaren zeventig valt die samen met links-rechts, alles rechts van d66 is pro-Israël. Er kwamen na 2000 wel grotere demonstraties en meer scepsis over Israël. Het politieke debat raakte vervuild. Je ziet dat het verwijt van antisemitisme regelmatig werd gebruikt om de mening en protesten van nieuwe, islamitische Nederlanders weg te zetten als irrelevant. Hun mening werd weggedrukt. Maar in opiniepeilingen zag je dat de steun voor de Palestijnse zaak nauwelijks steeg. Daarom zag de rechtse meerderheid geen noodzaak om het beleid aan te passen. Ik zie dat in de toekomst ook niet snel veranderen.’

Kort geleden onderzocht het Israëlische Instituut voor Veiligheidsstudies wat Israëliërs zelf bezighoudt. In een opiniepeiling vroeg het instituut welk toekomstvisioen voor Israël zij het liefst wilden. ‘Een staat met een joodse meerderheid’, antwoordde ongeveer de helft van de respondenten. ‘Groot-Israël’, antwoordde één op de zes (annexatie van alle bezette gebieden). Ook één op de zes koos voor ‘vrede’, en nog eens één op de zes verkoos ‘een democratische staat met gelijkheid voor iedereen’.

Die prioriteiten zijn duidelijk merkbaar in de Israëlische samenleving en politiek, die worden gedomineerd door nationalistische sentimenten en partijen. De huidige regering wordt geleid door Benjamin Netanyahu, Israëls langst zittende premier op David Ben-Goerion na, de ‘founding father’ van Israël. Netanyahu zit diep in de juridische problemen: al drie voormalige medewerkers zijn staatsgetuigen geworden in een uitdijende corruptiezaak tegen hem. Toch kan geen enkele politicus qua populariteit aan hem tippen. Zijn aanhang woont vaak in perifere ‘ontwikkelingssteden’ en heeft vaak een grote hekel aan de oorspronkelijk Europese zionisten die Israël als hun creatie zien. Netanyahu concurreert om hun stemmen met het radicaal-rechtse Joods Huis, waarmee hij in een religieus-nationalistische regeringscoalitie zit. Hij heeft al aangekondigd dat hij weer aan de volgende verkiezingen wil meedoen.

Netanyahu’s aanhangers zien hem als een door progressieve media opgejaagde politieke gigant. Zijn critici zien hem als een wandelend gevaar voor de Israëlische democratie. ‘De hoogopgeleide leiders van Israëls rechterlijke macht, leger, universiteiten, bedrijven en media – inclusief president Rivlin – spreken nu over de noodzaak voor herstel van mamlachtiyut’, schreef The New Yorker, een onvertaalbaar begrip dat zoiets betekent als ‘het primaat van eenheid en nationaal belang’. ‘Er is een impuls onder de oude elite om de religieuze chantage en het bureaucratisch gemanoeuvreer van de regering te bespotten in de hoop dat gezond verstand overwint en de waarden van de stichtende generatie terugkeren.’

In deze context moet de kritiek van intellectuelen als Avishai Margalit en Yehuda Bauer worden gezien. ‘Het verschil links-rechts stond decennialang centraal in de Israëlische samenleving en politiek, maar dat onderscheid wordt vaag’, zegt historicus Yehuda Bauer. ‘De vraag is nu vooral hoe we de democratie kunnen behouden. Dat is een groot gevecht. Israël is duidelijk een van de landen waar een antiliberale aanval op de democratie plaatsvindt. Het is een wereldwijde trend.’

Bauer moet lachen om de vraag of Israël meer een normaal Midden-Oosters land wordt, nu het betere relaties krijgt in de regio. ‘Opgenomen worden in het normale Midden-Oosten kan niet, want dat bestaat niet. Ik ken geen normaal land in de hele regio. Ik hoop wel dat Israël een plek vindt waar het geaccepteerd wordt. Dat project met de Saoedi’s: ik denk dat het nergens toe leidt, maar ik hoop dat ik ongelijk heb.’

Avishai Margalit ziet de zaken net zo. ‘Wat in Israël gebeurt, is deel van een bijna universeel fenomeen: de aanval op de liberale staat’, zegt de filosoof. ‘Voor Israël betekent dat een aanval op het idee dat burgerschap alle burgers toekomt, een beperking van dat concept tot je eigen etnische, religieuze of politieke groep. Er zit in het hart van de Israëlische samenleving een morele smet, namelijk de bezetting en de kolonisering van de Westoever. Ik heb het gevoel dat we niet ver meer weg zitten van annexatie en één staat, die waarschijnlijk een Apartheidsstaat zal zijn. Het debat daarover gaat niet meer tussen links en rechts, maar tussen mensen die voor een open en mensen die voor een gesloten samenleving zijn, een open versus een tribale samenleving.’

In het Midden-Oosten ziet Margalit een schuivende situatie, veroorzaakt door afnemende macht van de sterkste staten, Egypte en Saoedi-Arabië: ‘In dat gat stappen twee landen met een lange imperiale traditie: Turkije en Iran. Zij willen een leidende rol, maar dat blijft voorlopig bij ambities. Onze verborgen alliantie met Saoedi-Arabië is nu openlijk, maar ik geloof niet dat het tot iets serieus gaat komen. Het is ook een wankele zaak, uiteindelijk is “Saoedi-Arabië” een rijke familie van vijfduizend mensen. Het is angstaanjagend nu, met binnenslands een gevecht om een open samenleving en in het buitenland een krachtmeting met Rusland en Iran en de vernietiging in Syrië. Maar er is geen reden om pessimistisch te zijn. Niemand verwachtte vrede met Egypte, niemand verwachtte de Zesdaagse Oorlog. Dus hoe het gaat uitpakken voor Israël – wie weet?’