‘we zullen je vinden’

FAISOL REZA (25): ‘Op 25 april 1998 kwam ik vrij. Ik had toen zes weken in een ondergrondse cel gezeten. De cel was twee bij tweeëneenhalve meter. Overal zaten tralies tegen de betonnen muren, zelfs tegen het plafond. In mijn cel had ik een toiletemmer, een deken en een stromatras, geen kussen. In de hoek hing een camera. Er waren zes van deze cellen naast elkaar; in de andere vijf zaten ook activisten, ontdekte ik al gauw. Altijd stond er een radio aan, zo hard dat we niet konden slapen. Om twee uur ’s nachts deden onze bewakers de radio uit, maar om vijf uur ’s ochtends ging hij alweer aan. Op zondag bleef hij het hele etmaal aan.

Twee dagen voor ik werd vrijgelaten moest ik een contract tekenen. Daarin stond dat ik aan niemand mocht vertellen wat ik had meegemaakt. Ze zeiden me: “Als je ook maar iets zegt aan je omgeving of aan de pers, gaan we op je jagen. Dan zul je misschien nog een dag of een week of een maand op vrije voeten zijn, maar niet voor lang. Wij hebben duizend mensen die jou in de gaten houden. Je kunt hulp vragen aan wie dan ook, je kunt je in een ijzeren kluis verbergen, maar we zullen je vinden. Je weet dat we je al twee jaar in de gaten hielden. Wij zijn geduldig. Dat is een deel van onze professionaliteit.”
Ik werd ontvoerd op 12 maart 1998, de dag nadat Soeharto zijn nieuwe termijn als president had bekendgemaakt. Samen met mijn vriend Waluyo had ik publiekelijk geprotesteerd tegen de verlenging van zijn ambtstermijn en gezegd dat wij die niet zouden erkennen. We spraken namens de PRD, de toen nog verboden democratische volkspartij. Waarschijnlijk zijn we meegenomen omdat ieder protest tegen Soeharto in de kiem moest worden gesmoord.
Toen we na de demonstratie naar huis wilden lopen, kwam er een rode jeep achter ons aan. We renden zo hard als we konden, maar we werden klemgereden en naar binnen gesleurd. De jeep reed ons naar een plek die we niet konden thuisbrengen. Het blijkt nu Cijantung geweest te zijn, het hoofdkwartier van Kopassus (de elite-eenheid van het leger - eb). Ik werd opgesloten in een kleine ruimte, geblinddoekt en met handboeien om. Ergens in het gebouw hoorde ik Waluyo gillen en kermen. Toen begon mijn ondervraging. Het waren zes mannen. Ze vroegen: “Wat is de relatie tussen de PRD en andere organisaties? Wie zijn hun leiders? Waarom willen zij Soeharto ten val brengen?” Toen ik antwoordde dat ik het niet wist, gaven ze me elektrische schokken over mijn hele lichaam. Dat ging door tot middernacht.
’s Ochtends vroeg ging de ondervraging verder met meer gedetailleerde vragen: “Waar zijn de PRD-leden nu; welke relatie heeft de PRD met Megawati, en met Amien Rais?” Ik zei weer dat ik het niet wist, dat ik alleen demonstraties organiseerde. Wat voor demonstraties, vroegen ze. Tegen Soeharto’s bewind, antwoordde ik. Waarop ze me begonnen te slaan en te schoppen met hun laarzen. Toen ik bleef weigeren om informatie te geven over de PRD, trokken ze al mijn kleren uit en legden me op een groot blok ijs. Ze zetten een tafel op mijn benen en gingen daar op zitten.
De martelingen duurden drie dagen. Ik kreeg telkens weer elektrische schokken. Ik was vreselijk bang; ik dacht dat ik gek werd. Ze martelden heel professioneel, want ze maakten weinig littekens. De wonden op mijn handen zijn keurig dicht gegaan. Ik heb nu alleen nog een grote bruine plek op mijn dij. Alsof daar een ader bevroren is.
Toen ik ondervraagd werd, was ik steeds geblinddoekt. Daarna, toen ik opgesloten zat, hadden mijn bewakers hun gezicht bedekt. Maar ik weet zeker dat het militairen zijn geweest. Sinds Soeharto’s Nieuwe Orde is er geen andere, civiele organisatie in Indonesië die de faciliteiten en de professionaliteit heeft voor dit soort ontvoeringen, martelingen en opsluitingen.’
‘SOEHARTO WAS een dictator. Een dictator die grof geweld heeft gebruikt in Atjeh, Oost-Timor, Irian Jaya, Lampung etcetera. We wisten van het begin af aan dat we het opnamen tegen iemand die zo machtswellustig was dat hij alles zou doen om zijn macht te behouden.
Ik kom niet bepaald uit een activistisch gezin. Mijn vader is boer; hij heeft een klein, eigen rijstveld. In mijn jeugd kende ik veel boeren en arbeiders, en ik zag hoe zij vaak maar één keer per dag konden eten. Het economische systeem in dit land bevoordeelt maar een heel kleine groep mensen. Ik zag hoe moeilijk het was voor mijn ouders om mijn opleiding te betalen, en begon me af te vragen waarom educatie voor het volk nauwelijks is weggelegd. Gewone mensen moeten vaak hun vee en hun rijstveld verkopen om hun kinderen te laten studeren.
Toch komt het niet zozeer door gebrek aan scholing dat het Indonesische volk altijd weinig geneigd was om in opstand te komen. Dat komt door 1965. Er is nog altijd een groot, collectief trauma van de slachtingen die toen onder de bevolking zijn aangericht. Soeharto heeft handig ingespeeld op die angst door systematisch en met veel propaganda een enge sfeer te creëren. Nu hij is weggejaagd blijkt dat mijn volk wel degelijk politiek bewust is en verandering wil.
Ik ben sinds mijn eerste dag aan de universiteit in Jogjakarta, waar ik geschiedenis ging studeren, politiek actief geweest. We richtten een studentenparlement op en een nationale studentenbeweging, de SMID, die ik voor Jogjakarta aanvoerde. Later ging die samen met de PRD. We eisten inspraak in het studieprogramma, en vrijheid van meningsuiting en van demonstratie. We probeerden ook een brug te slaan naar de samenleving buiten de campus. Naar de arbeiders bijvoorbeeld; wij studenten eisten een beter loon voor hen. En samen met de boeren protesteerden we tegen de brute wijze waarop zij van hun land werden verjaagd als corrupte regeringsfunctionarissen daar een andere bestemming voor hadden bedacht.
Vanaf het begin werden de leden van de SMID en de PRD door Soeharto’s regime verketterd als communisten, omdat we het voor het gewone volk opnamen. We waren al eens eerder opgepakt en in elkaar geslagen door militairen. Dat was in Situbondo, waar we de boeren probeerden te steunen. We werden toen achterna gezeten door een tank en een helikopter. We waren doodsbang dat ze ons zouden vermoorden, want dat gebied was heel stil, zonder getuigen of journalisten. De boeren hebben ons toen beschermd. Dat motiveerde ons om door te gaan. De boeren waren niet bang, dus wilden wij het ook niet zijn.
Toen ik in die donkere cel zat, hield ik me voor dat ik bereid moest zijn dit te doorstaan. Maar het was zo zwaar, en ik was zo machteloos. Ze konden alles met me doen; niemand had gezien dat ik was ontvoerd. Ik was bang dat ze me zouden ombrengen, en ik probeerde te bedenken of ik niet beter zelfmoord kon plegen. ’s Nachts droomde ik dat ik bevrijd was, maar als ik mijn ogen opendeed, zag ik weer die tralies. Als de radio uit was, fluisterde ik met de andere gevangen activisten en ik hoorde van Yani Avri in de cel naast mij dat hij daar al een jaar zat. Hij is nog altijd niet teruggekeerd.
Ik moet nog leren met mijn trauma te leven. Ik probeer het te overwinnen met een soort oefeningen. Zoals alleen over straat lopen, of zelfs langs een militaire barak lopen. Kort na mijn vrijlating, toen ik aan het eten was in de stad, kwamen er plotseling twintig soldaten voor me staan. Wel tien minuten bleven ze me strak staan aankijken. Ik was doodsbang, maar ik wist me te beheersen. Er gebeurde niets; ze liepen door.
Mijn ouders zijn dolblij dat ik levend ben teruggekeerd, maar ze vinden het vreselijk dat ik nu weer politiek actief ben. Ik heb geen keus. Er zijn nog altijd veertien activisten vermist, en het leger zal ze zonder pressie niet bevrijden. Het is heel goed mogelijk dat ze nog leven; Yani Avri had het immers ook al een jaar volgehouden. We zullen doorgaan aandacht te vragen voor hun zaak, ook in het buitenland. Ik probeer mijn ouders steeds uit te leggen dat ik dit móet doen. Ik moet helpen mijn vrienden terug te vinden, levend of dood. Het is mijn morele plicht.’