Om de tafel met de kinderen van de Roemeense revolutie

We zullen sterven en vrij zijn!

Dertig jaar geleden kwam bij een volksopstand in Roemenië dictator Ceausescu ten val. Gerechtigheid is er voor de velen die tijdens de opstand stierven of gewond raakten nog steeds niet. In gesprek met vier jonge revolutionairen. ‘De staat vernedert ons.’

Roemenen boeit het vandaag de dag niet meer waaróm ze vrij zijn en wat de prijs was die voor de vrijheid is betaald’, zegt Mihai Dodu. ‘Er heerst nu onwetendheid. Nakomelingen van de slachtoffers van de revolutie worden vernederd, het systeem heeft hun laten zien dat het systeem de controle heeft.’ Je hoort de tranen in zijn stem.

De Roemeense revolutie, die een eind maakte aan het regime van dictator Ceausescu, vormde het bloedige slot van een reeks omwentelingen in toenmalig Oost-Europa. De communistische regimes vielen als dominostenen. Om te beginnen was er de opening van het IJzeren Gordijn door Hongarije in mei 1989, vlak daarna waren er de eerste vrije verkiezingen in Polen en de val van de Berlijnse Muur in november. In december 1989 volgde de Roemeense revolutie. Daarbij vielen honderden doden. De daders zijn nog altijd niet gestraft, maar een nieuwe rechtszaak biedt de nakomelingen nu een heel klein beetje hoop.

Mihai Dodu is de eerste van vier ‘kinderen van de revolutie’ die ik spreek in de hal van een advocatenkantoor in een verre wijk van Boekarest. De drie andere jonge mensen zitten nederig op hun beurt te wachten. Buiten is het zonnig en licht, maar binnen voel je daar niets van. Degene die hen heeft opgetrommeld heeft veel snacks op de tafel gelegd. Op z’n Roemeens, van alles wat. Tijdens de interviews zal ik begrijpen dat de snacks een bijzondere functie hebben. Geen tussendoortjes zoals bij ons, maar een soort brandstof die de kou van de opgehaalde geschiedenis tegengaat.

Mihai is historicus en slachtoffer van de revolutie. Een van de tweeduizend ‘kinderen van de revolutie’: dertigers of veertigers die tijdens de opstand van 1989 als kind werden gearresteerd, gewond raakten, werden gedood of familie verloren.

Hoewel de Roemeense revolutie in Timisoara in het westen van het land begon, aanvankelijk als wake rond het huis van de opstandige dominee László Tökés, die al snel uitgroeide tot volksopstand, vielen ook in andere Roemeense steden veel doden toen daar de vlam in de pan sloeg. Zo ook in de hoofdstad Boekarest, waar het stedelijk comité van de Roemeense Communistische Partij op 20 december een ‘volksmeeting’ organiseerde om de aanhoudende protesten in Timisoara door het volk te laten veroordelen en steun aan het regime te betuigen. Dictator Ceausescu zou de menigte toespreken, maar tot zijn verbijstering werd zijn toespraak onderbroken door spreekkoren en gefluit van spontaan ontstane groepen demonstranten in de menigte.

Toen Nicolae Ceausescu in 1965 als secretaris-generaal van de Roemeense Communistische Partij aan de macht kwam, zette hij de al voorzichtig door zijn voorganger Gheorghe Gheorghiu-Dej ingezette politieke ontspanning voort. Hij stelde zich onafhankelijker op tegenover de Sovjet-Unie, trok westerse investeringen aan en ging diplomatieke banden aan die ingingen tegen het beleid van het Warschaupact. Zijn eigenzinnige koers en de economische groei van Roemenië eind jaren zestig leverden hem veel populariteit op, in eigen land en in het Westen, vooral na zijn openlijke veroordeling van de door Moskou geleide inval in Tsjechoslowakije (1968), die een einde aan de Praagse lente maakte.

Maar geïnspireerd door wat hij tijdens bezoeken aan China, Noord-Korea en andere communistische landen in Oost-Azië had gezien, ontwikkelde Ceausescu in de jaren tachtig een totalitaire heerschappij en een cultus rondom zijn persoon die de regimes in andere Oostbloklanden in de schaduw stelden. Roemenië en zijn bevolking raakten in een isolement; de censuur en de repressie namen enorme proporties aan, evenals het apparaat van de gevreesde geheime dienst Securitate. Volgens een recente studie was in 1989 één op de drie Roemenen verklikker voor de Securitate.

De economie draaide vanaf eind jaren zeventig hoofdzakelijk nog voor aflossing van de staatsschuld en de reusachtige projecten: het Donau-Zwarte Zeekanaal, de kerncentrale van Cernavodă, een metro- en gangenstelsel onder Boekarest en vooral Ceausescu’s ‘Paleis van het Volk’, terwijl de bevolking steeds meer met schaarste te kampen had. Stadswijken en hele dorpen werden weggevaagd onder het mom van ‘systematisering’; de staatstelevisie zond doordeweeks nog slechts twee uur per dag uit, voornamelijk propaganda; basislevensmiddelen waren op de bon of helemaal niet meer te krijgen, net als benzine; de gemiddelde temperatuur in de huizen daalde ’s winters tot onder de tien graden en de elektriciteitsvoorziening in heel het land werd dagelijks onderbroken. Dit was de Roemeense werkelijkheid, die totaal werd genegeerd door het in luxe levende echtpaar Ceausescu, toen halverwege december 1989 de revolutie uitbrak.

Duizenden mensen demonstreerden ineens voor democratie en tegen de dictatuur, waarop Ceausescu met een helikopter vluchtte. In de loop van de avond verzamelden de demonstranten zich in de buurt van Hotel Intercontinental aan het Universiteitsplein. Ordetroepen kregen het bevel om het gebied ‘schoon te vegen’ en die nacht werd er op de demonstranten geschoten. Er vielen doden en gewonden.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Mira Feticu over de kinderen van de Roemeense revolutie.
Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

De vader van Mihai werd op 21 december doodgeschoten. Dat gebeurde nadat Teodor Brates, de communistische adjunct-hoofdredacteur van de Roemeense televisie tvr, de bevolking had opgeroepen om het televisiegebouw te komen beschermen. Brates was tijdens de revolutie bijna non-stop op tv. Hij berichtte over zogenaamde terroristen en over vergiftiging van het drinkwater in de hoofdstad en zaaide paniek. In de daaropvolgende chaos rondom het televisiegebouw vielen veel doden. Recentelijk is de nu 86-jarige Brates als verdachte aangemerkt in de befaamde Revolutie-strafzaak, waarin de hoofdverantwoordelijken voor het vele bloedvergieten in 1989 terecht moeten staan.

Mihai’s vader werd neergeschoten naast zijn moeder. Ze waren naar het televisiegebouw gegaan om het te beschermen, ‘met blote borst’, zoals Mihai het formuleert. Dicht bij het gebouw van de televisie zei zijn vader trots tegen de vriend met wie hij samen liep: ‘Laat mij maar voorop gaan, ik ken deze straat, ik ben hier opgegroeid.’ Op dat moment hoorden ze geluiden vanuit een voortuin en zagen ze mensen in het zwart met bivakmutsen die schoten. Mihai’s vader viel. Zijn moeder dacht eerst nog dat hij flauwviel. De vriend werd ook geraakt en zou zes maanden in het ziekenhuis liggen.

Een jongen die bekend stond als autodief bracht hen in een gestolen Dacia ijlings naar het ziekenhuis, maar de vader kon niet meer worden gered. De directeur van het ziekenhuis weigerde aanvankelijk om een overlijdensverklaring uit te schrijven, omdat hij bang was, hij wist niet zeker of het regime daadwerkelijk zou veranderen. Maar Mihai’s moeder wilde de kamer van de arts niet verlaten zolang deze niet ‘doodgeschoten’ op het formulier invulde. Redelijk kalm vertelt Mihai dat in het mortuarium ook het geld uit de zakken van zijn vader werd gestolen. ‘Als er geld uit de zakken van een dode wordt gestolen, betekent dat dat we slechts honden waren.’

De vrouw die Mihai Dodu en de andere drie revolutiekinderen hier bijeen heeft gebracht, Nicoleta Giurcanu, vertelt dat een van de twee dochtertjes van Mihai de afgelopen nacht koorts had en dat hij snel naar huis wil. ‘Het gaat wel al beter’, zegt Mihai. ‘Ik heb net een sms gehad dat het beter gaat.’ Voordat hij vertrekt laat hij me trots de tattoo op zijn rechterschouder zien: ‘Vom muri si vom fi liberi’ (‘We zullen sterven en we zullen vrij zijn’), het motto van de revolutie. Ik ga met hem op de foto. Nicoleta trekt snel een vlag uit haar tas: ‘Libertate!’ ‘Ik heb hem al dertig jaar in mijn tas.’

In de nacht van 22 op 23 december werd er op meerdere plekken in Boekarest weer geschoten, waarbij er slachtoffers vielen onder zowel de soldaten als de bevolking. Het leger koos al snel de zijde van de bevolking, maar speciale eenheden van de geheime dienst bleven het regime trouw en maakten talloze slachtoffers. Ook de collectie van het Nationaal Kunstmuseum moest het ontgelden en de Centrale Universiteitsbibliotheek ging in vlammen op. Op 24 december kondigde de ad-hoc regering, de zogenaamde Raad van het Front voor Nationale Redding (cfsn), vanuit de televisiestudio een algemeen staakt-het-vuren voor het hele land af, maar pas op 28 december werd dat overal gerespecteerd.

Wie degenen waren die bleven schieten op burgers, waarom dat gebeurde en door wie ze werden aangestuurd is nog altijd onbekend. Duidelijk is wel dat het Front voor Nationale Redding in die dagen zijn machtspositie nadrukkelijk consolideerde. Er zijn zelfs aanwijzingen dat er al een ‘draaiboek’ voor een revolutie gereed lag en dat het Kremlin de in Moskou geschoolde Ion Iliescu al als opvolger van dictator Ceausescu achter de hand had gehouden.

Alina Bodo, Cătălin Giurcanu, Nicoleta Giurcanu – gezeten om de tafel wringen ze hun handen in hun schoot. Mihai Dodu is vertrokken. Op zijn plek gaat nu Alina Bodo zitten. Ze praten niet vanaf hun eigen stoel, om beurten nemen ze plaats op de spreekstoel, alsof ze kinderen zijn die een vaccin krijgen. Alina is de jongste van ons allemaal, econoom, en ze straalt een bedrieglijke rust uit. Dat ze geen vrouw van woorden is, wist ik meteen; wat ik niet wist is dat een gruwelijk verhaal niet eens veel woorden nodig heeft.

Wie degenen waren die bleven schieten op burgers, waarom dat gebeurde en door wie ze werden aangestuurd is nog altijd onbekend

Alina was dertien, haar twee broers waren vijftien en twaalf toen de revolutie uitbrak. Ze waren wees – hun vader was vijf jaar eerder overleden, hun moeder twee jaar eerder – en ze woonden bij hun grootouders, waar ze het niet breed hadden. De oudste van het stel, Marius, beschermde zijn jongere zusje en broertje als een leeuw.

Op 21 december zat Marius op school toen hij de geruchten hoorde dat er een revolte aan de gang was. Hij haastte zich daarop naar het Universiteitsplein, ‘La Baricade’ genoemd omdat de eersten die daar arriveerden stoelen, tafels en auto’s plaatsten om een soort barricade op te werpen tegen degenen die op de menigte schoten. Ook de jongste broer verliet de les en ging naar de barricades.

Bij het vallen van de avond begon het schieten, het jongste broertje werd bang en vluchtte naar huis. Vanaf dat moment wist niemand meer iets van Marius. Hij kwam die avond niet thuis, ook op de 22ste niet. ‘Op de 23ste zijn we naar krantenredacties gegaan om zijn vermissing op te geven’, zegt Alina zacht. ‘We zijn ook ziekenhuizen langsgegaan. Op de 24ste kregen we een telefoontje: Marius! Dat het goed met hem ging, dat hij in een ziekenhuis was, gewond aan een been, maar dat hij naar huis zou komen. In z’n eentje was hij gewond naar het ziekenhuis gegaan. In het nabijgelegen stadsziekenhuis Coltea hadden ze hem niet willen opnemen omdat het geen kinderziekenhuis was, en daarom was hij zelf naar het Grigore Alexandrescu-kinderziekenhuis gelopen. Tussen 23 en 25 december was hij daar ingeschreven.’ De woorden van Alina zijn licht en moeilijk te horen.

Ze spreekt alsof ze het voor de miljoenste maal in zichzelf zegt. ‘Kerst verstreek, maar Marius kwam niet thuis. Opnieuw gingen we overal zoeken. Op een gegeven moment zei een oom dat we hem ook in het mortuarium moesten gaan zoeken. En zo gingen we naar het Instituut voor Forensische Geneeskunde, op 13 januari. Naakte lichamen op de vloer, je moest er tussendoor lopen om bij lijk nummer zoveel te komen.’

Ze identificeerden hem aan de hand van een moedervlek. ‘Nadat we hem hadden begraven, konden we nachtenlang niet slapen, we dachten dat we iemand anders hadden begraven.’ Ze veegt een traan weg. ‘Maar die huidvlek had hij vanaf zijn geboorte.’

Er valt een stilte. Iemand achter mij huilt zacht, om de stilte niet te verstoren. Ik draai me om en zie dat het Cătălin is. Hij is groot, een reus die huilt. Ik draai me terug naar Alina, want ik begrijp haar woorden niet echt. Ik hoor ze wel, maar ik begrijp ze niet.

‘Hij is doodgeschoten in het ziekenhuis’, zegt Alina.

Het advocatenkantoor is gevestigd in een souterrain, als je naar het enige raam loopt, zie je de voeten van voetgangers buiten. Ik haat kelders. ‘Wie heeft hem doodgeschoten?’ vraag ik.

‘De autoriteiten hebben geen enkele verklaring gegeven. Hij is doodgeschoten door “de terroristen”. Er zijn nog meer gevallen van kinderen die zijn doodgeschoten in het ziekenhuis, in het Floreasca-ziekenhuis.’

De theorie van de terroristen is een van de antwoorden die de autoriteiten ook na de revolutie aan de bevolking bleven geven. Maar wie waren die terroristen? ‘Cine a tras în noi pe 22?’ (‘Wie heeft er op de 22ste op ons geschoten?’) is de vraag die na dertig jaar nog steeds geen antwoord heeft. Wie heeft de vader van Mihai Dodu vermoord?

‘Het huis en de tuin van waaruit werd geschoten, waren van de Securitate’, had Mihai verteld. De Roemeense geheime dienst Securitate bleef dictator Ceausescu trouw toen het leger tijdens de revolutie de kant van het volk koos, en beschikte over veel van dit soort huizen in Boekarest, om Ceausescu te kunnen dekken wanneer hij zich buiten zijn paleis bevond. Maar niemand van deze gevreesde dienst is ter verantwoording geroepen en ook niet degene die de bevelen gaf. Welgeteld drie mensen werden eerder dit jaar, dertig jaar na dato, in staat van beschuldiging gesteld in de Revolutie-zaak.

Een week voor zijn pensionering maakte voormalig procureur-generaal Augustin Lazăr het dossier van de revolutie (opnieuw) aanhangig. De drie verdachten: ex-president Ion Iliescu (die de macht kreeg tijdens de revolutie en die vervolgens jarenlang behield), Gelu Voican Voiculescu (die vicepremier was in het provisorische kabinet na de revolutie) en Iosif Rus (voormalig commandant van de luchtmacht). De beschuldiging: misdaden tegen de menselijkheid. Het requisitoir vermeldt onder meer dat de terroristenpsychose opzettelijk zou zijn gecreëerd als onderdeel van afleidingsmanoeuvres, nepnieuws en desinformatie, en dat deze ná de vlucht van dictator Ceausescu op 22 december 1989, nog tot 862 doden, 2150 gewonden, ernstige vrijheidsberoving van honderden personen en psychische schade heeft geleid.

Wie heeft de vijftienjarige Marius doodgeschoten in het ziekenhuis? En van wie kwam het bevel? Voor Alina Bodo was het verhaal van haar oudste broer tot drie jaar geleden taboe. 27 jaar lang heeft ze niet over zijn dood kunnen praten. Haar broertje ook niet. Bewijzen zijn er niet. Getuigen evenmin. Alina is partij in de Revolutie-zaak, een zaak die tot nu toe drie keer werd gesloten en dit jaar werd heropend. Maar het dossier kent in eerste instantie slechts drie verdachten. Waar zijn de andere verdachten? Sommigen zijn inmiddels dood, anderen zitten nog in functies vergelijkbaar met of zelfs beter dan die ze vóór de revolutie bekleedden. En anders hebben hun kinderen wel die functies. Hun kleinkinderen, ooms, familie.

Ja, er is een onderzoekscommissie voor de Roemeense revolutie in het leven geroepen. In 2004, door Ion Iliescu zelf, toen hij opnieuw tot president was gekozen, met een door hem benoemd bestuur: stuk voor stuk mensen die de revolutie hadden willen onderdrukken of als eigen machtsbasis hebben gebruikt. Of Ion Iliescu, nu verdachte in de Revolutie-zaak, beschuldigd van misdaden tegen de menselijkheid, ooit veroordeeld zal worden, vraag ik retorisch aan de mensen rondom de tafel in het souterrain. Ze zuchten allemaal.

Nicoleta Giurcanu, de vrouw van de reus, zit sinds 2018, toen de huidige president Klaus Iohannis tegen de zin van de ‘Iliescu-mannen’ zes nieuwe leden benoemde, ook in het bestuur van de onderzoekscommissie. Klein, dun, kort haar, blauwe ogen, ze lijkt een meisje van twaalf en is die dinosaurussen die alle revoluties zullen overleven een doorn in het oog. ‘Zij heeft mij gered’, zegt haar man, die vijfmaal zo groot is als zij. ‘We hebben elkaar gered’, corrigeert Nicoleta hem. ‘Wij, kinderen van de revolutie, of slachtoffers van de revolutie, moeten elkaar helpen en redden, want de staat helpt ons niet. Ieder van ons is gescheiden of single gebleven of hertrouwd, eenzaam. Niet iedereen begrijpt onze strijd van dertig jaar.’

‘De staat vernedert ons’, zegt Cătălin. Hij zit al op de zetel van Mihai. ‘Voor ons is de revolutie niet voorbij.’ Cătălin was zestien in 1989. Heel bewust van alles wat zich om hem heen afspeelde, ging hij naar La Baricade toen hij hoorde dat daar mensen waren die ‘Weg met dit regime!’ schreeuwden. Wanneer hij over die dagen begint te vertellen, herbeleeft hij alles. Hij herinnert zich alles in detail. Hij vecht letterlijk met de lucht om zich heen, alsof de lucht uit communisten bestaat. Dertig jaar na dato zit hij nog gevangen in de dagen dat zijn vader werd gedood. ‘Omdat hij mij kwam opzoeken. Hij wilde mij terughalen, maar ik wilde bij de revolutie blijven.’ Hij huilt onbedaarlijk. Zijn vrouw, Nicoleta, springt van haar stoel om hem te kalmeren.

‘Papa was me met de auto komen zoeken, samen met een vriend’, zegt hij. ‘Er werd op hen geschoten. Achttien kogels in de auto waar ze mee waren gekomen. Ik was bij het congrescentrum Sala Palatului, ik heb de helikopter van Ceausescu gezien toen die vertrok. Wat voor emotie ging er toen door me heen!’

Zijn vader vond hij dood op straat. Cătălin heeft hem zelf naar het washok van hun flat gesleept. Hij heeft zelf het bloed afgewassen en hem in een kist gelegd. De kist heeft hij versierd met de kerstboom die zijn vader voor Kerst had gekocht.

‘Veel nabestaanden nemen genoegen met een materiële compensatie. Maar de pijn, de vernedering, niemand kan die voor je compenseren’

Het meest pijn doet hem nog wel de lijdensweg van de afgelopen dertig jaar. ‘Veel nabestaanden nemen genoegen met een materiële compensatie. Maar de pijn, de vernedering, niemand kan die voor je compenseren. Mensen zijn zelf onderzoek gaan doen, omdat de staat niets doet. Toen officieren van justitie werd verweten dat ze niets deden om gerechtigheid voor de doden van de revolutie te bewerkstelligen, antwoordden ze: “Bij revoluties vallen er nu eenmaal ook doden.”’

Al dertig jaar verwijt Cătălins familie hem dat zijn vader door zijn toedoen dood is. ‘Waarom moest je zo nodig naar die revolutie?’ is de vraag die hem al dertig jaar als een mes in zijn hart steekt, vooral omdat hij ziet dat er sindsdien maar weinig is veranderd en dat de waarheid over de doden nog altijd zoek is. ‘Er zijn ook nabestaanden die weten wie hun naaste heeft gedood, maar niets kunnen doen, omdat de staat niets doet.’ Stilte. We horen allemaal de zware ademhaling van Cătălin. Ik bedenk dat zijn behoefte aan vrijheid, die hij met de dood van zijn vader heeft moeten bekopen, in dertig jaar niet is bevredigd.

Ik kijk naar deze mensen van mijn eigen leeftijd, dertig jaar geleden gingen zij de straat op om tegen het communisme te vechten. Dertig jaar later vechten ze nog steeds met een systeem dat de schuldigen beschermt. Helden die moe zijn, maar niet opgeven.

Omdat ik zelf uit een dorp afkomstig ben, is er van mijn familie of verre familie niemand bij de revolutie gedood. De revolutie vond plaats in de grote steden; het platteland zag haar alleen op tv of hoorde de berichten op de radio. Sommigen hebben er nooit iets van begrepen en hebben nog steeds heimwee naar vadertje dictator en stemmen nu op de ‘sociaal-democraten’, de meest corrupte politieke partij in het land, met precies dezelfde gewoonten als die van het oude systeem, van vóór de revolutie.

De laatste held van de middag is Cătălins vrouw Nicoleta Giurcanu. Op 21 december kwam haar vader thuis en vertelde dat er iets groots aan de hand was. Hij had de voering van zijn jas opengeknipt en volgepropt met sigaretten en appels om aan de soldaten te geven die hij bij het Piata Romană-plein had gezien. Het leger had de kant van de bevolking gekozen. Hij nam Nicoleta, die toen veertien was, en haar twee jaar jongere broertje mee ‘naar de revolutie’. ‘Om de geschiedenis te kennen.’

Om middernacht begon het schieten met fosforkogels en traangas. Iedereen scandeerde ‘Li-ber-ta-te!’. ‘Ik schrijf vrijheid al dertig jaar met een hoofdletter’, zegt Nicoleta. ‘Toen er een explosie was te horen, zijn we naar de metro gevlucht. Daar kwamen vier als patriottische gardisten geklede individuen op ons af en voelde ik de loop van een geweer in mijn rug. “Looppas!”, schreeuwden ze naar ons. Ze hebben tot het volgende metrostation achter ons aan gerend. Daar controleerde een ander met een lamp onze schoenen en kleding en of we schor waren. “We zijn ergens op visite geweest”, loog papa, maar we waren alle drie schor, dus wij hadden ook “Libertate!” geschreeuwd.’

Ze werden naar een politiebureau gebracht, waar veel mensen zoals zij waren; schor. ‘Ze sloegen ons tot we flauwvielen. Papa moest met zijn handen omhoog staan. Met hun laarzen schopten ze ons. “Jullie wilden vrijheid, hè? Nou, schreeuw dan: vrijheid!” Als we flauwvielen gooiden ze emmers water over ons. Ik keek even onder mijn oksel door en zag een man wiens hoofd was gescalpeerd; zijn scalp met haar hing aan de zijkant van zijn hoofd. Op een gegeven moment haalden ze een herdershond en lieten die op ons los. Ik lag het dichtst bij de deur, de hond keek me in de ogen, maar sprong niet. Jaren later heb ik me afgevraagd of hij misschien zo was afgericht dat hij niet op kinderen zou springen. Uiteindelijk stopten ze ons in busjes en brachten ons naar Jilava. Wie die nacht niet is doodgegaan en op straat was, werd naar Jilava gebracht. Er zijn die nacht meer dan duizend mensen naar Jilava gebracht. Ik zat daar in cel 89.’

Jilava was een van de meest beruchte politieke strafgevangenissen. Daar werden de demonstranten opnieuw geslagen. Als Nicoleta me vertelt hoe vlak voor haar een vrouw met een schaar werd gesneden en haar man de beul smeekte om het bij hem te doen, breekt haar stem. De ademhaling van Cătălin lijkt op het gegrom van een tijger.

Van daaruit werden Nicoleta en haar broer, samen met andere gearresteerde kinderen, teruggebracht naar het politiebureau, waar ze wc’s en gangen moesten poetsen. ‘Ze wisten niet wat ze met ons aan moesten, veel van ons, kinderen, vielen op de bankjes in slaap. Een van de jongens met kapotte ribben vernielde het schilderij van Ceausescu dat ergens hing. De politiemannen sloegen hem daarop tot hij niet meer kon ademen en iedereen moest op zijn knieën zitten.’

Daarvandaan werden ze naar een scoală de corectie gebracht, naar het centrum voor minderjarigen in de Aron Florian Straat dat volgens Nicoleta tot op vandaag de dag een dubieus centrum met dubieuze praktijken is. Daar kreeg Nicoleta een gynaecologisch onderzoek, werd ze geslagen en moest ze met blote handen uitwerpselen opruimen. Iemand vertelde haar dat ze zou worden verkracht door de arts van het centrum, zodat er een dossier tegen haar kon worden gefabriceerd waarin ze werd beschuldigd van prostitutie. Als gevolg van de gruwelijkheden die Nicoleta daar heeft gezien en meegemaakt slaapt ze al dertig jaar nauwelijks.

Twee dagen later werden Nicoleta en haar broertje door haar moeder gevonden en opgehaald, maar niet voordat de arts van de instelling hen had gedreigd dat ze zouden worden vermoord als ze iets zouden vertellen van wat ze in het centrum hadden meegemaakt. Door dit dreigement hebben ze hun mond tot een paar jaar geleden stijf dichtgehouden. Haar broer is inmiddels geëmigreerd, Nicoleta is gebleven, ze vecht elke dag tegen het systeem, ze zoekt naar de waarheid en gelooft in vrijheid. Hun vader is tien jaar geleden overleden, na jaren in ziekenhuizen te hebben gelegen als gevolg van de marteling in Jilava.

Diezelfde dag, ’s avonds, interview ik een van de bekendste dissidenten van Roemenië, Radu Filipescu, tegenstander van het communistische regime en deelnemer en organisator van meerdere protestacties. Hij was politiek gevangene vanwege ‘propaganda tegen de socialistische ordening’. Als ik naar het dossier van de revolutie vraag, zegt hij dat ‘er grote kans is dat het op de lange baan zal worden geschoven’. En dat het allerminst waarschijnlijk is dat er een conclusie zal worden getrokken.

De volgende ochtend rijd ik naar een buitenwijk van Boekarest. In een soort Roemeense Vinex-wijk woont Iancu Marin. Hij is nu 82 en bijna acht jaar van zijn leven heeft hij in politieke detentie doorgebracht. De reden maakt hem uniek in zijn soort: hij was de enige Securitate-medewerker die een brief naar Radio Free Europe stuurde, waarin hij klaagde over zijn eigen systeem en een aanklacht tegen het communistische regime formuleerde. Hij kijkt me met één oog aan, zijn rechteroog is voor altijd dicht. Over zijn lijdensweg zou je een boek kunnen schrijven.

Hij loopt moeilijk. We gaan aan tafel zitten. Een vrouw die voor hem zorgt, zet thee voor me neer. Tegenover me zit een man die in z’n eentje tegen het systeem inging, wetend wat hem daarna te wachten zou staan. Hij vertelt hoe ze hem gemarteld hebben. Hoe hij aan kettingen hing en geslagen werd. Hoe hij na nachtenlang slaan geen controle meer had over zijn urineblaas en het in zijn broek deed. Ik durf niets te zeggen, de kamer ruikt sterk naar urine. Maar niet dát is het drama van Iancu Marin, dat hij werd vervolgd, opgesloten en gemarteld door zijn eigen mensen. Zijn enige open oog drupt als hij naar een grote foto aan de muur wijst: ‘Mijn dochter.’

‘Hoe is het gebeurd?’ vraag ik hem.

‘Luiza begon het regime te haten, omdat ik gevangenzat. Ze wilde gerechtigheid. Op 21 december kwam ze thuis en zei tegen haar moeder dat ze eerst een bad zou nemen om ook “van buiten schoon” naar La Baricade te gaan. Ze was een van de eerste dertien doden die bij de barricades vielen. De kogel drong binnen in haar voorhoofd en verliet het hoofd via haar nek. Toen ik haar in het lijkhuis vond, hield ze een anjer in haar hand.’ Hij hoest en zijn stem breekt. ‘Ze was drie maanden zwanger.’

Vlak voor het ter perse gaan van dit artikel vroeg de interim-procureur-generaal van Roemenië, Bogdan Licu, de rechtbank om ook strafvervolging in te stellen tegen ex-premier Petre Roman en televisiehoofdredacteur Teodor Brates, wegens misdaden tegen de menselijkheid. In totaal zijn er nu dus vijf mensen die verantwoordelijk gehouden zouden kunnen worden voor de doden en de slachtoffers van de Roemeense revolutie. Maar in de afgelopen dertig jaar zijn er enorm veel bewijsmiddelen verloren gegaan, getuigen en daders zijn overleden of omgekocht en het dossier is al drie keer eerder gesloten. Gerechtigheid wordt steeds smaller. Een klap in het gezicht van een land waaraan talloze jonge mensen dertig jaar geleden in naam van de vrijheid hun leven hebben gegeven.


Mira Feticu (1973) is schrijver, performer en columnist. In haar geboorteland Roemenië werkte ze als programmamaker bij de nationale radio en als literair onderzoeker. Ze publiceerde er ook haar eerste boeken. Na haar verhuizing naar Nederland begon ze in het Nederlands te schrijven. Dit jaar verschenen van haar hand Picasso’s keerzijde: De zoektocht naar een verloren kunstwerk en de roman Al mijn vaders