Media

Web 3.0: The Internet of Things

Langzamerhand is het internet zo oud en belangrijk dat zijn geschiedenis een vak op zich is geworden. Klop maar eens ‘geschiedenis van het internet’ of de Engelse variant hiervan in bij Google of YouTube en je krijgt een massa hits.

De meeste daarvan vertellen braaf het verhaal van de Amerikaanse pogingen in de jaren vijftig om de Russen voor te zijn, onder meer door hun knowhow aan elkaar te koppelen, de eerste succesjes op dat gebied in de jaren zestig, de langzame groei van een netwerk in de decennia daarop, het besef bij steeds meer mensen, ook in Nederland (voor het eerst in 1984, in NRC Handelsblad), dat een wereld zonder netwerk ondenkbaar was en uiteindelijk, gedurende de jaren negentig, de bevestiging van de ontwikkelingen. Over het doorslaggevende moment bestaat wel verschil van mening. Volgens mij is dat wat Nederland betreft de beslissing van KPN in 1998 om voor het gebruik van het internet alleen nog telefoonkosten te rekenen. Maar je zou ook andere momenten kunnen aanwijzen: het ontstaan van de eerste zoekmachines (Lycos, 1993), de opkomst van het internetbankieren (1999) en zelfs de penetratie van breedband (begin 21ste eeuw).
Interessanter nog dan dit overwegend technische verhaal zijn de pogingen de inhoudelijke ontwikkeling van het internet in kaart te brengen, met hierbij expliciet de vraag naar de toekomst. Ook hierover is onder specialisten redelijk wat consensus, veelal uitgedrukt met de cijfers 1.0, 2.0 en 3.0. De verschillen zijn vrij helder. Web 1.0 is het aanbodgerichte internet met Google als successtory. 2.0 is de fase waarin we op dit moment verkeren, met als meest opvallende verschijningsvormen Hyves, Facebook, Twitter en andere sociale media. In deze fase is het internet in de eerste plaats een ontmoetingsplek die ook nog eens ontelbare gegevens bevat. In tegenstelling tot bij 1.0 worden die gegevens echter grotendeels door de gebruiker geleverd en zijn dus ook vooral voor hem en zijn groep geschikt. Internet, c'est moi, zou je met een moderne variant op de beroemde woorden van Lodewijk XIV kunnen zeggen.
Sinds kort wordt steeds vaker en luider over een volgende fase gesproken: 3.0, oftewel ‘the Internet of Things’. Dat is het internet dat niet langer door mensen maar door apparaten van data wordt voorzien. Door auto’s die met hun navigatiesysteem de kaart bijhouden, verwarmingsinstallaties die communiceren met de barometer, wekkers die in verbinding staan met het koffiezetapparaat, openbaar vervoer dat in real time de beweging bijhoudt en deze per direct naar de reiziger stuurt, mobiele telefoons die als scanners functioneren. YouTube heeft over dit internet al een paar aardige filmpjes en Google vermeldt de uitdrukking ontelbare keren.
Een aansprekend voorbeeld ervan was vorige week zowel in Braunschweig, Duitsland als op diverse plekken in de VS te zien: auto’s die zich zonder bestuurder door het verkeer bewogen, op tijd remden, netjes optrokken en de maximumsnelheid niet overschreden zie :

en deze link naar The New York Times. De werkwijze is simpel. Het voertuig is verbonden met satellieten die in real time de beweging van het verkeer in de gaten houden en data naar de boordcomputer sturen. De auto is uitgerust met laserscanners en radarsensoren. Tezamen en via een computer besturen zij het voertuig. Er zijn nog wel problemen. In Duitsland de stoplichten bijvoorbeeld. Maar in de VS worden de signalen daarvan wel al aan de boordcomputer doorgegeven. Zoiets werkt gebrekkig zolang het om slechts één voertuig gaat, maar naarmate meer auto’s op deze wijze uitgerust worden zal het steeds beter gaan - tot het moment natuurlijk dat, net als in Forsters magistrale sciencefictionverhaal uit 1909, The Machine Stops.
Het Internet of Things is dan ook een voor de hand liggende stap en technisch gezien een fluitje van een cent, om niet te zeggen eigenlijk al werkelijkheid. Het functioneert alleen nog gebrekkig en, belangrijker, de verschillende informatiestromen zijn nog niet aan elkaar en aan de apparaten gekoppeld. Maar dat zal niet lang meer duren. Wanneer de informatie van al die apparaten vervolgens ook nog in overeenstemming wordt gebracht met persoonlijke variabelen zoals de (elektronische) agenda, via Facebook bekend gemaakte hobby’s, via YouTube, Uitzendinggemist of Amazon bekende belangstelling en de sinds lang bij het reisbureau geregistreerde vakantiewensen, nadert het internet de fase waarvan de pioniers lang geleden al droomden. Dat zal wel 4.0 heten.
Eenmaal zo ver wordt het hoog tijd voor internetfilosofie c.q. -sociologie, bezinning op de betekenis van dit alles voor het dagelijks leven. Het antwoord daarop zal vermoedelijk hetzelfde zijn als in andere gevallen van grote technologische vinding: dat ze de zaak vereenvoudigen, versnellen, vergroten, leuker en mooier maken maar dat alles went en apparaten toch gewoon apparaten zijn én blijven. De kern der dingen is dezelfde. Plus ça change, plus c'est la même chose.