H.J.A. Hofland

Wederopbouw van de oppositie

«In Nederland is een steeds kleinere laag geïnteresseerd in buitenlands beleid», zei oud-minister van Buitenlandse Zaken Jozias van Aartsen. «Het land neigt steeds meer naar provincialisme.» Dat zijn twee verschillende constateringen. Provincialisme kan gemakkelijk gepaard gaan met een grote betrokkenheid, maar in dat geval garandeert een combinatie van zelfoverschatting, gelijkhebberij en een beperkt wereldbeeld grote vergissingen. Een sterk voorbeeld van hardnekkig provincialisme is ons Indonesisch drama tussen 1945 en 1949, gevolgd door de Nieuw Guinea-crisis aan het einde van de jaren vijftig, toen het de beleidsmakers niet aan het verstand was te brengen dat ze zich voor een bij voorbaat verloren zaak inspanden. Wie daarentegen geen belangstelling heeft voor buitenlandse politiek denkt dat hij zich die onverschilligheid kan veroor loven en houdt zich ervan overtuigd dat er wel belangrijker dingen in het leven zijn.

Of Van Aartsen het zo heeft bedoeld, weet ik niet, maar hij heeft twee keer gelijk. Meer en meer mensen kan het niets schelen wat er in de rest van de wereld gebeurt zolang het niet over voetbal of showbizz gaat. En meer en meer mensen denken dat ze verstand hebben van alles, zoveel zelfs dat ze dit op hun weblog aan de rest van de wereld willen laten weten. Dat zijn twee trends die door de gevestigde media worden aangemoedigd. Dag- en weekbladen bekeren zich tot het rapporteren van het wel en wee in de eigen buurt en wat de sterren en de boeven van de dag beleven. Bloggers worden verheven tot «burgerjournalisten», on geacht de vraag of ze enig verstand van hun onderwerp hebben. Daar valt niets aan te doen, het zijn allemaal tekenen van de grote gelijkschakeling die al een halve eeuw in steeds hoger tempo aan de gang is.

Nu beleven we misschien het begin van een periode van kentering. Het imperium van het entertainment breidt zich nog gestaag uit, en wie zou de miljoenen hun fun misgunnen? Maar in de hele westelijke wereld steekt een nieuw wantrouwen tegen de politieke elite de kop op, meestal geïnspireerd door binnenlandse onvrede met vrijwel alles. In Amerika en in mindere mate in Engeland wordt de buitenlandse politiek herontdekt door wat we destijds «de massa» noemden. Voor de Amerikanen is het meer dan de buitenlandse politiek op zichzelf. Die is onderdeel van het complex van alzijdig wanbeheer dat in de nu vijf jaar van George W. Bush gegroeid is.

Een schandaal is in Amerika altijd groter dan bij ons. Daarbij komt dat het, als de doofpot heeft gefaald, met een ons onbekende genadeloosheid wordt aangepakt. Nu wordt het Amerikaanse publiek overweldigd door schandalen. Abu Ghraib was voor de openbare mening overkomelijk. Guantánamo zeurt door. En als dat gebeurt, raakt men eraan gewend. Tom Delay, leider van de meerderheid in het Huis van Afgevaardigden, wordt verdacht van corruptie en is «tijdelijk» afgetreden. Dat hakt er harder in. In de nasleep van Katrina wordt het duidelijk hoe nonchalant tot onverantwoordelijk tot stupide de betrokken autoriteiten zich hebben gedragen, vóór de ramp en niet minder daarna. Incompetentie, vriendjespolitiek en cynische geldzucht bepaalden de politiek.

Zo gaat het nu eenmaal: door de ene ramp wordt ook weer de aandacht gevestigd op alle andere. Irak verschijnt in een nieuwe context: die van endemisch bedrog, voorafgaand aan een kapitale mislukking. «Telkens als je weer een steen optilt, vind je meer ongedierte. Het hele complex stinkt, en dat doet het allang», schrijft Frank Rich in de International Herald Tribune (3 oktober). Deze week is in Nederland een essay in boekvorm verschenen: Een keerpunt in de vaderlandse geschiedenis van J.H. Sampiemon en Karel van Wolferen, waarin de wordingsgeschiedenis meeslepend en nauwkeurig gedocumenteerd wordt beschreven. In Amerika lijkt Katrina de oppositie definitief te hebben bevrijd van het taboe op kritiek dat Bush lang heeft beschermd. Het wordt in steeds ruimere kring beseft: de natie is vijf jaar geregeerd door een groep christelijke fundamentalisten, zakkenvullers en krachtpatsende toneelspelers.

Vier jaar na 9/11, gevolgd door de orkaan van patriottisme, is in Amerika het stadium van de openbare ontgoocheling bereikt. Tweederde denkt nu dat het land op de verkeerde weg is. Omringd door veelsoortige verwoestingen raken de kiezers ervan overtuigd dat het tijd wordt voor een werkelijke, doordachte politiek in plaats van ferme leuzen, gevolgd door schandalen. Maar Bush duurt nog ruim drie jaar. En de oppositie heeft zich laten overweldigen, is gedemoraliseerd en gedesorganiseerd en heeft geen overtuigend alternatief, niet in Amerika en niet in de rest van het Westen.

Nederland deelt niet meer in het wereldbeleid van Washington. Zonder fanfare hebben we onze troepen naar Irak gestuurd toen we dachten dat de echte oorlog was afgelopen. Met even weinig geruis hebben we ze teruggehaald toen we ontdekten dat de oorlog weer begonnen was. Per referendum hebben we met grote geestdrift Europa afgestemd, en daarna de zaak als afgedaan beschouwd. Van Aartsen heeft gelijk: hier is geen noemenswaardige buitenlandse politiek en verreweg de meesten kan dat niets schelen. De vraag is of hij daarin verandering wil brengen, en zo ja, hoe?

Om een wat grotere belangstelling te wekken, moet de buitenlandse politiek eerst duidelijk onder woorden worden gebracht, de rol van Nederland binnen Europa en in het grote verband van het Westen. Ik ben ervan overtuigd dat het dan onze plicht is een bijdrage te leveren tot reorganisatie van het verzet tegen het rampzalige beleid van Washington in het Midden-Oosten, en een poging te doen een alternatief te formuleren. Dat betekent: wederopbouw van de oppositie tegen de leidersrol van het Amerika van Bush. Dat is ingewikkeld, het duurt lang, en we zijn er nog niet eens aan begonnen.