Liefde in tijden van verandering: Frankrijk

Wee de sekte die nooit slaapt

De recente demonstraties tegen het homohuwelijk passen in de Franse reactionaire traditie. Angstige katholieken, rechtse politici en extreem-rechtse groeperingen vrezen de hel op aarde – en die hel, dat is de ander.

Medium 19242235

Toen Franck Chefdor eind vorig jaar de poort naderde van het Lycée Saint-Jean wist hij dat het een hete winter zou worden. ‘Wij staan pal tegen het homohuwelijk’, stond in grote witte letters op de stoep voor de entree van de katholieke privé-school gekalkt. Sinds 2006 doceert Chefdor er Franse taal en literatuur. Het Saint-Jean staat in de wijk Passy, in het hart van het deftige zestiende arrondissement te Parijs. Het lyceum staat bekend als oerconservatief, neigend naar het traditionalisme, de anti­modernistische stroming binnen de kerk. Op het schoolplein kregen de leerlingen stapels folders uitgedeeld. Toen Chefdor zijn klaslokaal betrad, was er een traktaat tegen het homohuwelijk op het schoolbord bevestigd. Een provocatie van de leerlingen. Sinds een paar maanden ging op school het gerucht dat hij homo was. Dat was ook zo, maar zelf had hij daar steeds heel bewust over gezwegen. ‘Ouders, maar ook leraren zijn ervan overtuigd dat het homohuwelijk de deur wijd open zet voor incest en polygamie’, zo verduidelijkte Chefdor die beslissing toen ik hem voor het eerst sprak, in november vorig jaar. ‘Het verraadt een wereldbeeld dat dermate reactionair is dat ik de discussie maar liever uit de weg ga.’

De school maakte zich op voor grootschalige mobilisatie tegen het ‘mariage pour tous’ van president François Hollande. Na maanden van felle protesten en geëmotioneerde debatten stemde het Franse parlement dit voorjaar in met de wet die het homostellen mogelijk maakt te trouwen en kinderen te adopteren. Op 29 mei werd in de Zuid-Franse stad Montpellier het eerste homohuwelijk voltrokken. De verwachting is dat er deze zomer vele duizenden zullen volgen. De heftigheid en de grootschaligheid van het verzet wekten verbazing. Tegenstanders defileerden met honderdduizenden tegelijk door de straten van Parijs. In de Assemblée Nationale, de Franse Tweede Kamer, ging het hard tegen hard. Franck Chefdor: ‘Een priester bij ons op school zei op een gegeven moment: “We laten ons niet in onze reet neuken door dat stelletje nichten.” Dat was niet in de docentenkamer, maar voor de klas.’

Het is midden juni en we zitten in een sober ingericht tweekamerappartement in het Parijse dertiende arrondissement. Het behoort toe aan Romain Durand-LeGoff, Francks partner. Een paar maanden eerder is hij er ingetrokken. Hiervoor woonde Franck in Le Pecq, een kleine gemeente in het departement Yvelines, even ten westen van Parijs. Toen ik Franck en Romain daar opzocht, vertelde Franck dat hoegenaamd niemand in de gemeente op de hoogte was van zijn homoseksualiteit. Dat had een reden. Franck zat er in de gemeenteraad voor de udi, een rechtse middenpartij. Le Pecq staat bekend als een conservatieve gemeente en Franck was ervan overtuigd dat hij zijn politieke carrière wel kon schudden als bekend werd dat hij homoseksueel was. Zelfs als het homohuwelijk het in Frankrijk zou gaan redden, en niemand twijfelde daar serieus aan, dachten Franck en Romain zelf nog niet aan trouwen. ‘Ooit misschien’, zei Romain me. Een datum is nog niet geprikt, maar dat ‘ooit’ blijkt inmiddels een stuk concreter. Ergens volgend jaar zou de ceremonie moeten plaatsvinden.

De twee ontmoetten elkaar in de tandenbleekkliniek waar Romain op dat moment werkzaam was als receptionist. Franck kwam informeren naar een behandeling, Romain raadde dat af. ‘Ik zei hem dat ik dacht dat het oplichterij was.’ De twee wisselden telefoonnummers uit. In de weken die volgden gingen tientallen sms’jes heen en weer. ‘Aanvankelijk had onze relatie vooral een epistolair karakter’, zegt Franck. Inmiddels zijn ze verloofd. ‘Niet officieel’, benadrukt Romain vanaf het balkon waar hij een sigaret rookt. ‘We organiseerden onze eigen ceremonie, hier thuis, met ringen en champagne.’ Franck steekt zijn rechterhand uit en toont een sierlijke gouden ring. Hoe gaat dat op zijn school? Worden daar nooit vragen over gesteld? ‘Een keer vroeg een collega hem of ze Parisienne was’, zegt Romain op spottende toon. ‘En wat zei je toen, Franck?’ Franck kijkt wat bedremmeld. Romain schudt het hoofd.

Franck groeide op in de Parijse voorstad Saint-Denis in een milieu dat hij als ‘petit bourgeois’ omschrijft. Zijn vader was werkzaam als gendarme, zijn moeder deed het huishouden. Speciaal homofoob was het gezin niet. Toch weigerde Franck zijn homoseksualiteit lange tijd onder ogen te zien, laat staan ervoor uit te komen. ‘Noem het het Cahuzac-syndroom’, zegt hij onder verwijzing naar Jerôme Cahuzac, de Franse ex-minister van Begroting die eerder dit jaar verstrikt raakte in een web van leugens over een geheime bankrekening in Zwitserland. ‘De meisjes vielen bij bosjes voor me. Ik liet me dat aanleunen. Dat was pure gemakzucht.’ Op zijn 21ste bezwangerde hij zijn toenmalige vriendin. Zij wilde het kind houden en overtuigde hem met haar te trouwen. Toen de relatie een paar jaar later in zwaar weer terechtkwam, besloten ze een tweede kind te nemen. ‘Het kind dat alles goed zou maken’, zegt Franck. Dat lukte niet. In 2009 verliet ze hem en verhuisde met de kinderen naar Bordeaux. Zijn kinderen ziet hij in weekends en tijdens schoolvakanties. Een jaar na de scheiding kwam Franck uit de kast, zij het in kleine kring. Hij bleef werken op de school in Passy. ‘Het niveau is hoog en het geld is goed’, zo motiveert hij die beslissing. ‘En zonder mij zijn de leerlingen geheel en al overgeleverd aan de onzinpraatjes van hun ouders en de overige docenten.’ Maar als hij op een minder conservatieve school aan de slag kan, zal hij dat zeker overwegen.

Romain had aanzienlijk minder gêne over zijn homoseksualiteit. Toch had ook hij het niet gemakkelijk. ‘Op mijn dertiende wist ik het en kwam ik er direct openlijk voor uit. Mijn moeder pakte het meteen heel goed op. Maar in het dorpje Gréoux-les-bains waar ik opgroeide, even ten noordoosten van Aix-en-Provence, moest men er weinig van hebben. Op straat werd ik bespuugd.’ Romain wijst op de populariteit van het Front National in de regio, de nationaal-populistische partij van Marine Le Pen. Na zijn eindexamen vertrok hij naar Parijs om te gaan werken als model. Momenteel werkt hij in een kledingzaak in de modieuze wijk Le Marais. In september begint hij aan een opleiding tot dierenartsassistent.

Of het nu door de verhuizing naar het dertiende komt of door zijn ergernis over de toon die de tegenstanders van het homohuwelijk de afgelopen maanden aansloegen, weet Franck niet. Feit is dat hij zijn homoseksualiteit steeds openlijker durft te beleven. Toen ik hem leerde kennen moest ik beloven dat ik zijn achternaam geheim gehield. Van een portretfoto zou al helemaal geen sprake zijn. Is hij niet bang dat ze er op zijn katholieke school via-via weet van zullen krijgen en hem daarop zullen aanspreken? Hij steekt zijn rechter onderarm naar voren, legt zijn linkerpols eroverheen en grijnst. Fuck it!

Maar hand in hand over straat lopen doen Franck en Romain niet. Zelfs niet in het dertiende arrondissement. Te riskant. Dat ervoer Wilfred de Bruijn. Eerder dit voorjaar zorgde de in Parijs residerende Nederlander tot ver buiten Frankrijk voor een golf van verontwaardiging toen hij een foto van zijn zwaar mishandelde gezicht op Facebook plaatste, begeleid door de tekst: ‘Sorry to show you this. It’s the face of Homophobia.’ Na afloop van een etentje bij vrienden in een Parijse volksbuurt liep De Bruijn met zijn Franse vriend gearmd naar huis. Het was laat, ze hadden het nodige gedronken en ze zongen. Het volgende moment dat De Bruijn zich herinnerde was dat hij bijkwam in een ambulance, zijn gezicht bont en blauw geslagen en een voortand armer. Ook zijn vriend kreeg klappen. De foto van De Bruijn werd binnen een paar dagen meer dan zesduizend keer gedeeld. Hij verscheen in talloze Franse televisieshows. De Franse homobeweging had zich geen betere woordvoerder kunnen wensen. In Nederland noemde Matthijs van Nieuwkerk, in wiens show De Bruijn dit jaar drie keer optrad, hem ‘de ontdekking van het seizoen’.

Het incident vond plaats op het moment dat de verzetsbeweging tegen het homohuwelijk zich opmaakte voor de laatste grote slag. ‘Het was een belangrijk moment’, zegt De Bruijn in een restaurant niet ver van de door de Nederlandse kunstverzamelaar Fritz Lugt opgerichte Fondation Custodia, waar hij werkzaam is als bibliothecaris. ‘Het felle verzet had de Parti Socialiste verrast. Maar door de enorme verontwaardiging die de mishandeling in het land losmaakte, was de partij in staat het momentum naar zich toe te trekken en de stemmingsprocedure te versnellen.’ De Bruijns mishandeling en de aandacht die hij daarvoor wist te genereren bracht de leiders van het verzet in grote verlegenheid. Frigide Barjot, de aanvoerster van de Manif’ pour tous, een collectief van in hoofdzaak katholieke organisaties, distantieerde zich onmiddellijk van het geweld en reikte De Bruijn de hand. Als fervent katholiek beschouwt zij het huwelijk als een exclusieve aangelegenheid voor hetero’s. Daarom stelt Barjot zich op het standpunt dat het bestaande samenlevings­contract (het in 1999 ingevoerde Pacs) voor homo’s volstaat. De Bruin hield Barjot af, maar zocht op zijn beurt contact met André Vingt-Trois, kardinaal van Parijs en voorzitter van het Franse college van bisschoppen. Hij stelde voor een gezamenlijke verklaring te doen uitgaan waarin het geweld tegen homo’s werd veroordeeld. Nu gaf Vingt-Trois niet thuis.

Acht maanden eerder gaf de kardinaal het startsein voor wat zou uitgroeien tot de grootste rechtse protestbeweging sinds de Mouvement pour l’école libre in 1984. Dat jaar maakten de kerk en politiek rechts gemene zaak tegen het voornemen het (katholieke) privé-onderwijs op te heffen. Ze wisten een miljoen mensen op de been te krijgen en onder druk van de straat besloot toenmalig president François Mitterrand de hervorming af te blazen. Op 15 augustus 2012 riep Vingt-Trois in een schrijven aan alle Franse bisdommen op tot een gebed voor de familie en de man/vrouw-relatie. Het initiatief zorgde binnen de kerk direct voor polemiek. ‘Dat was een ongekend brutale actie’, zegt Christine Pedotti op een Parijs terras. De hoofdredacteur van het katholieke tijdschrift Témoignage Chrétien deed zich afgelopen jaar gelden als een uitgesproken voorstander van het homohuwelijk. ‘Vingt-Trois gebruikte het gebed om een politieke boodschap te verkondigen. Veel katholieken, waaronder ikzelf, hebben zich daar bijzonder aan gestoord.’

Zelfs daarbij liet de kardinaal het niet. Op 3 november 2012 riep hij katholieken in bedekte termen op de straat op te gaan uit protest tegen het wetsvoorstel van François Hollande. In het weekend van 17/18 november was het land het toneel van de eerste straatprotesten; op 13 januari vond de eerste grote demonstratie plaats. Volgens de organisatoren waren er die dag achthonderdduizend mensen op de been (de politie hield het op 350.000). Steeds nieuwe protestmarsen volgden (24 maart, 21 april, 26 mei), zelfs nadat het wetsvoorstel was goedgekeurd door het parlement. En nog steeds weten de aanvoerders van de Manif’ pour tous van geen wijken. Momenteel voert het collectief actie voor het recht van burgemeesters om zich op gewetensbezwaren te beroepen. Volgens de nieuwe wet kunnen burgemeesters die weigeren een homohuwelijk te sluiten een boete van zeventigduizend euro tegemoet zien. Idee is om de beweging op den duur om te vormen tot een Tea Party à la Française. Op gezette tijden zijn er prikacties. Zo werd president Hollande tijdens de viering van Quatorze Juillet, tijdens het traditionele défilé op de Champs Elysées, uitgefloten. En tijdens de Tour de France had de regie de grootste moeite de kenmerkende roze en blauwe spandoeken uit beeld te houden.

Het is verleidelijk om het verzet tegen het homohuwelijk te zien als de zoveelste uitingsvorm van een krampachtig en conservatief Frankrijk dat weigert zich te hervormen en moeite heeft zijn plaats te vinden in de geglobaliseerde wereld. Zeker, dat Frankrijk bestaat. Toch is het goed om te beseffen dat het in het geval van het homohuwelijk niet gaat om een recht dat op de tocht staat. Het recht om op je zestigste met pensioen te gaan bijvoorbeeld (dat in 2010 onder massaal protest werd opgerekt naar 62 jaar). Of het stakingsrecht. Kortom, de zogeheten acquis sociaux die de Fransen met hand en tand zullen verdedigen. ‘Het wonderbaarlijkste aan de verzetsbeweging tegen het homohuwelijk is dat zij erin slaagde te doen alsof ze een massabeweging was’, zegt Pedotti. ‘In werkelijkheid was het een zeer goed georganiseerde minderheidsbeweging.’ Ze wijst erop dat nog slechts twee procent van de Fransen praktiserend katholiek is. ‘Als daarvan een kwart de straat op gaat, heb je de driehonderdduizend betogers die de politie telde op de Champs de Mars (het park onder de Eiffeltoren – mk).’

De verzetsbeweging kon rekenen op actieve steun van het netwerk van Franse bisschoppen en een reeks (anonieme) donoren. Zij enthousiasmeerden de troepen en zorgden dat er geld was voor vervoer vanuit de provincie naar Parijs. En voor de flyers, T-shirts, spandoeken en uitgekiende internetcampagnes. Aanvankelijk zal menige katholiek gegromd hebben toen de trashy Barjot zich opwierp als hét gezicht van de beweging. In 2004, tijdens een pelgrimstocht naar Lourdes, werd ze fervent katholiek. Maar dat verhinderde haar niet een liedje op te nemen met als titel Fais-moi l’amour avec deux doigts (vrij vertaald: ‘vinger me’). Het bleek een gouden greep. Barjot toonde zich mediageniek, monter, goed gebekt en was daarmee een verademing vergeleken bij de vrouw van wie aanvankelijk werd gedacht dat zij het verzet zou gaan aanvoeren, de verongelijkte Christine Boutin. In 1999, tijdens de parlementsdebatten over de Pacs, maakte ze zich onsterfelijk door met de bijbel in de hand het woord te voeren. Een jaar eerder had ze zich afgevraagd waar de scheidslijn lag tussen homoseksualiteit en pedofilie.

Nee, dan Barjot. Met haar strakke topjes, haar vette lach en fluorescerende pakjes zou ze kunnen doorgaan voor een homo-icoon à la Grace Jones. ‘Zonder haar zou de beweging veel minder aandacht hebben weten te genereren’, zegt Pedotti. Acties van de Manif’ pour tous waren steeds ludiek, kleurrijk en speels. Pedotti wijst in dat verband op de iconografie van de affiches die de demonstranten meedroegen. Vaak in de stijl van de (communistische) arbeidersbeweging met gebalde vuisten, rokende schoorstenen en stugge arbeiderskoppen, met slogans als ‘La priorité c’est Aulnay, pas le mariage gay’ – onder verwijzing naar de gesloten Peugeot-fabriek in de Parijse voorstad Aulnay-sous-Bois. Of: ‘Touche pas au mariage. Occupes-toi du chomâge’ (weer zo’n sneer naar Hollande die te weinig zou doen tegen de werkloosheid).

Wie namen deel aan de demonstraties tegen het homohuwelijk? In grote meerderheid waren dat katholieken in het nauw. ‘Ze hebben het gevoel dat hun wereld, gefundeerd op de christelijke beschaving, zal instorten wanneer zij deze wet laten passeren’, stelde godsdienstsocioloog Philippe Portier in Le Monde. ‘Ze verdedigen de orde die zij superieur achten. Homofobie ligt diep verankerd binnen het katholicisme. Maar wat nu speelt is niet zozeer homofobie, latent of niet, als wel de angst voor het verlies van eigen identiteit. Veel katholieken hebben het gevoel dat zij zich in een belegerde burcht bevinden. Wat zal volgen? Euthanasie?’

Ook prominente rechtse politici gingen vooraan in de cortèges, van het Front National, maar vooral van de gematigd rechtse ump. Partijsecretaris Jean-François Copé en oud-premier François Fillon, verwikkeld in een verbeten strijd om het partijvoorzitterschap, bleken al te graag bereid hun meningsverschillen aan de kant te zetten toen de kans zich voordeed om François Hollande te kunnen dwarsbomen. Daarmee heeft de Franse situatie wel iets weg van de Spaanse van destijds. Toen katholiek Spanje in 2005 te hoop liep tegen de invoering van het homohuwelijk – een initiatief van de socialist José Zapatero – was de Partido Popular er ook als de kippen bij. De drijfveren waren ideologisch, maar bepaald ook politiek. Zo ook nu in Frankrijk, waar de rechtse oppositie het verlies van Sarkozy in 2012 nog lang niet te boven is.

En dan waren er nog de traditionalisten (katholieken die de hervormingen van het Tweede Vaticaans Concillie afwijzen) van Civitas en het collectief van schimmige rechtse en uiterst rechtse groeperinkjes die opereren onder de vlag van Le Printemps Français. Het uitgelaten karakter van de Manif’ pour tous van Barjot ontbrak bij hen; dit was het grimmige gezicht van de beweging. Le Printemps Français wordt geleid door Béatrice Bourges. Met haar klassieke gezicht en haar beige regenjas zou zij een maman kunnen zijn die haar kinderen staat op te wachten voor een katholieke privé-school in het zestiende arrondissement. Barjot kon zich er nog op beroepen dat zij destijds voorstander was van het samenlevingscontract voor homo’s. Niets daarvan bij Bourges. Het homohuwelijk noemt zij een bijproduct van uit de VS geïmporteerde genderstudies dat het verschil tussen mannen en vrouwen beoogt op te heffen en ons allemaal tracht te reduceren tot ‘geslachtloze, linkse, ontwortelde, amorele, mondiale consumenten’. Tegen elke journalist die het wil horen stelt ze dat ‘de menselijke waarden en deugden’ worden bedreigd door een brede coalitie van ‘socialisten en andere linksigen, feministen, homo’s, vrijmetselaars en internationale kapitalisten’.

Dit soort retoriek lijkt veel op het rijtje dat de grote contrarevolutionair Joseph de Maistre (1753-1821) graag mocht aanhalen en dat hij aanduidde als ‘la secte detestable qui ne dors jamais’ (de verachtelijke sekte die nooit slaapt). Socialisten, liberalen, wetenschappers, protestanten, joden, vrijmetselaars, atheïsten, vrijdenkers – kortom, degenen die Franse Revolutie mogelijk hadden gemaakt. ‘Deze hele voorraad eloquentie, waarin het heilige en de scheldpartij elkaar afwisselen, vormt een van de meest duurzame ideologieën in ons politieke universum’, zucht Michel Winock in zijn zitkamer met uitzicht op de kastanjes van de Bulgaarse ambassade, een steenworp van de Eiffeltoren. Winock geldt als een van de prominentste Franse historici en publiceerde diverse studies over extreem-rechts. Hij wijst op de lange Franse traditie van reactionaire denkers, van De Maistre tot Pierre Drieu de la Rochelle (1893-1945).

‘Bij Charles Maurras (1886-1952) waren het de joden, de vrijmetselaars, de protestanten en de vreemdelingen die het moesten ontgelden. Steeds is er dat wantrouwen jegens de ander. De hel is de ander, de niet-gelijke, de vreemdeling, degene die afwijkt. Steeds is er de vrees voor de decadentie die la maison France ondermijnt. Heel nadrukkelijk vind je dat bij het Vichy van maarschalk Pétain. De notie van decadentie behoort tot de diepst verankerde overtuigingen van de Franse reactionaire traditie. Van tijd tot tijd keert zij terug, vaak in een periode van economische malaise en politieke onzekerheid.’ Winock bladert door de pocketeditie van zijn eigen Nationalisme antisémitisme et fascisme en France en citeert Drieu de la Rochelle. In de bekende roman Gilles (1939) schetst deze Parijs als een poel des verderfs waar de schilderkunst van Picasso en populaire muziek domineren en waar joden, vrijmetselaars en intellectuelen van bedenkelijk allooi de toon zetten. Aan homo’s ergert GiIles zich in het bijzonder. Winock: ‘Samen met drugs zijn homo’s de ziekte die Parijs volgens Gilles het meest verscheurde.’

Winock benadrukt dat de groeperingen die zich op dergelijke denkbeelden beroepen sterk in de minderheid zijn, óók binnen de verzets­beweging tegen het homohuwelijk. ‘Het zijn de lui die tegen het einde van de demonstratie rotzooi gaan trappen en slaags raken met de politie. Maar toch zie je dat rechtse politieke partijen, van het fn tot de ump, hun retoriek erop aanpassen. Een zorgelijke ontwikkeling.’

Pedotti gaat verder, zij ziet de extreem-rechtse groeperingen als teken des tijds, als een ‘autoritaire verleiding’. Tegelijk maakt zij zich ongerust over de ideeënarmoede bij de twee grote parlementaire formaties (de ump op rechts en de ps op links). ‘Ze onderschatten het kristalliserend vermogen van verzetsbewegingen zoals die tegen het homohuwelijk. Het is de taak van de politiek om een gemeenschappelijk doel te formuleren. Maar tot dusver gaf zij vooral blijk van onvermogen.’

Franck Chefdor had verwacht dat het er hard aan zou toegaan, maar zó hard? ‘Ik ben geschrokken van de intolerantie. Het is een teken dat het niet goed gaat met Frankrijk.’ Toch voorziet hij wat het homohuwelijk aangaat in de toekomst geen problemen. ‘Nu er eenmaal voor is gestemd zal het geleidelijk indalen, onderdeel worden van de samenleving.’ Romain is daar minder zeker over: ‘Hollande staat er slecht voor in de peilingen. Het is maar zeer de vraag of hij in 2017 zal worden herkozen. Rechts heeft al laten weten de wet te zullen terugdraaien. Ik vrees dat ze woord zullen houden.’


Liefde in tijden van verandering

Deze zomer buigen onze correspondenten zich over de liefde wereldwijd. De manier waarop mensen verliefd worden, waarop relaties worden aangegaan, de liefde wordt bedreven – het heeft alles te maken met de maatschappelijke omstandigheden. Liefde als spiegel van de toestand van een land, daar gaat het om. Van de seksuele revolutie die zich in Egypte aan het voltrekken is tot het rumoer rond het homohuwelijk in Frankrijk tot de liefdesmoraal in Oeganda.