Het permanente feest op de Wallen

Weeïge wafels en een blote smurf

Dag in, dag uit trekt een feestvierende massa door de historische binnenstad van Amsterdam. Het eindeloze bacchanaal, gespeend van enige realiteitszin, zorgt voor onhoudbare chaos.

James Ensor, Carnaval en Flandre, 1929-30. Olieverf op linnen, 54,5 x 73 cm © World History Archive / HH

In het kleine jaar dat ik in het Wallengebied woonde keek ik uit op de etalage van een winkel zonder naam. De eigenaar schikte zijn assortiment een aantal keer per week, ruimde dan de schappen leeg en stofte zijn producten met zorg af: de pijpen, shotglaasjes en asbakken gedecoreerd met wietbladeren, de peper-en-zoutstellen in fallusvorm, rood met de kruizen van de stad of Delfts blauw met een molen, het kartonnen doosje met daarin de eetbare string. En ook de rij met blikken bier, de muur van emmers gevuld met cannabiskoekjes, de doos met Cola Boobs, de flesjes Spaanse vlieg, de beeldjes van allerhande boerderijdieren die elkaar bespringen, de teddybeer met de hand in zijn onderbroek, de grijnzende schedel, het Hollandse meisje in klederdracht met haar klompen wijd uit elkaar en een dikke joint tussen haar lippen. Stuk voor stuk liet hij ze door zijn handen gaan, de boxershort met stonede smiley, de sokken met paddestoelen en fietswielen en het T-shirt met de tekst ‘Keep calm and have sex’ aan hangers boven zijn hoofd. Zijn winkel omvatte de historische binnenstad van Amsterdam in het klein: seks en drugs onder het mom van Hollandse glorie.

Pronkstuk van de etalage, omringd door alle prullaria, was het kale, witte hoofd van een mannequin. Ze droeg alleen een nerdy bril, zwart met ronde glazen met op de rand zwarte wenkbrauwen geplakt, en op de plek voor de neus een enorme roze fallus die recht naar voren stak. Met haar stond ik dagelijks op, met het gelach van de eerste toeristen van de dag die hun oog op haar lieten vallen. Als de bril werd verkocht, kreeg de pop van de eigenaar tijdelijk een hoge hoed op haar hoofd, de voorkant versierd met gekleurde sterren, de platte bovenkant voorzien van kleine stoffen piemels, als kaarsjes op een verjaardagstaart. Let’s party, stond erop.

Op de Wallen is het permanent feest. De straten worden bevolkt door een feestvierende massa waarvan de samenstelling zich gedurende de week ongemerkt ververst. Er zijn de gezinnen uit Italië en de groepen uit Azië, maar bovenal de vrijgezellenfeesten uit Engeland, Duitsland en Frankrijk, gelegenheidsvrienden die uit zijn op het weekend van hun leven. Ze arriveren met de vroege vluchten op vrijdagochtend, de vrijgezel dan uitbundig verkleed, opgetuigd door vrienden die zelf T-shirts dragen met teksten die verwijzen naar episodes uit The Hangover of versierd zijn met een roze sjerp voor een missverkiezing. Zodra ze voet zetten in het Wallengebied gaan hun handen in de lucht en de kelen wijd open.

Wie bekend is met de stadsgezichten van de Belgische schilder James Ensor herkent een zeker straatbeeld. In zijn universum verpozen de mensen zich met verkleedpartijen en gaan dan op in een optocht, in een menigte die, als je goed kijkt, weer uiteenvalt in onderonsjes en schermutselingen. Hun monden staan open, de koppen verwrongen van de drank: eens per jaar vieren de Belgen van Ensor, tijdens het carnaval, het groteske op een manier die doet denken aan het feest dat het hele jaar door gaande is in de binnenstad van Amsterdam. Op zijn straten van Oostende kun je lopen over de hoofden, zoals dat langs onze grachten kan. Al dragen de hoeden op zijn schilderijen nog geen piemels, maar een veer.

Het was maar wat verleidelijk om aan te sluiten en mee te doen. Dezelfde avond dat we ons huis in het Wallengebied betrokken, namen we plaats op het terras, dronken van het bier en rekenden zoals gevraagd na iedere ronde af met contanten. Een bittergarnituur stond niet op de kaart, maar het was geen probleem om dat bij de snackbar aan de overkant te halen. Terrasgenoten vroegen om tips bij het rollen van rookwaar, wij keken geamuseerd toe bij het gepiel met zojuist aangeschafte wietpijpjes. Binnen een week kenden we de bediening en kenden zij onze smaak, de serveerster, de man van de rookwarenwinkel, de jongen van de supermarkt, de mensen van het muziekcafé. Het is echt een buurtje, zeiden we nog.

Maar, kort gezegd, het feest viel wat tegen. De buurt heette ons welkom en de bewoners vinden het jammer dat we nu al weer gaan, op zoek naar meer ruimte, maar ook naar rust en veiligheid. Maar het werd tijd. Ik zag de terrasstoelen de straat in vliegen, ik zag voetbalsupporters flessen bier naar politie te paard gooien. Ik aanschouwde alle facetten van dealen op een hoek. Ik was getuige van tal van opstootjes en doelwit van provocaties. Ik zag een blauw geschminkte vrijgezel als blote smurf een van zijn vrienden met een ketting om zijn hals de straat door begeleiden. Ik hoorde een groep Duitsers bij het Tibetaanse restaurant naar binnen roepen of ze ook aan een happy ending deden. Ik luisterde lange tijd naar een zingende Belg – een vrijgezel in roze tutu boven op het paaltje op de hoek van de straat, een roze strik op zijn kale hoofd. De mannen die over de Wallen schuimen willen maar wat graag een vies liedje voor je zingen en dat jij ze dan een muntje toewerpt. Doe je niet mee, dan ben je een spelbreker. En dan kan de feestvreugde zomaar omslaan. Want als je niet meedoet, wat doe je hier dan?

De mannen die over de Wallen schuimen willen graag een vies liedje voor je zingen en dat jij ze dan een muntje toewerpt

Of, zoals het onlangs met zwarte stift op onze voordeur stond geschreven: ‘Pleur op dan!’ De tekst was geschreven in het voorhoofd van de man op de grote poster die door de verhuurder op de deur was aangebracht. De poster was onderdeel van de ‘I live here’-campagne die de toerist bewust wil maken van de aanwezigheid van bewoners in het gebied. ‘I live here’, stond er onder poserende buurtbewoners. ‘Enjoy it like you would in your own neighbourhood.’

Als onderdeel van de campagne werd een informatiecentrum ingericht dat nu een paar dagen per week gerund wordt door bewoners. Op een tafeltje op de stoep ligt dan een stapel folders voor de toerist. Daarin staan drie harde feiten. Eén: er wonen 3750 mensen in deze buurt. Twee: 245 van hen zijn kinderen. Drie: daaronder 93 baby’s en peuters in de leeftijd van 0 tot 4 jaar. Dan volgen vier simpele regels. Eén: ‘Lokale mensen gebruiken openbare toiletten of toiletten in cafés. Anders krijgen ze een boete.’ Twee: ‘Lokale mensen nuttigen alcoholische dranken in cafés of op een terras, niet op straat. Dat bespaart hen ook een boete.’ Drie: ‘De lokale mensen hier respecteren bovendien de buurtbewoners en sekswerkers. Ze staan niet stil om te staren, ze schreeuwen niet en nemen geen foto’s van mensen zonder toestemming – deze dingen kunnen hen in de problemen brengen.’ Regel vier is een verzoek. ‘Please, act like you would do in your own neighbourhood.’

‘I live here’ is een van de vele initiatieven voor en vanuit de buurt die over de leefbaarheid waken. Het is een sympathieke campagne, ontwikkeld in samenhang met de campagne Enjoy & Respect van Amsterdam Marketing, de club die de stad met de slogan ‘I Amsterdam’ internationaal zo lekker liet bekken, om niet te zeggen aan iedere bezoeker uit handen gaf. Een vergelijkbaar succes voor ‘I live here’ waag ik te betreuren. Overtredingen van de ‘simpele’ regels is wat de klok slaat en men begaat ze met trots. In een filmpje op de website van The Voice of 1012 geeft een man op het Oudekerksplein uitleg over het veldonderzoek dat hij in de aanloop naar de ‘I live here’-campagne in opdracht van de gemeente uitvoert. Er passeert een vrijgezellengroep en een vriend van de vadsige vrijgezel, met bloot bovenlijf in een krappe bh, komt op de camera af en interrumpeert. Met twee duimen omhoog en vier gevleugelde Nederlandse woorden: ‘Neuken in de keuken!’

Op de Wallen is het permanent feest en gaat iedere realiteitszin verloren. In de donkere coffeeshops bestaat geen verschil tussen dag en nacht. Op straat klinkt onophoudelijk gejoel en een dreunende beat, afkomstig uit winkels, vanaf boten of uit speakers die bezoekers zelf met zich meedragen. Het feest slokt de omgeving in zich op, van de weeïge geur van wafels in de lucht tot aan de kieren tussen de klinkers op straat, steeds verder gevuld met de zilverkleurige capsules van genuttigd lachgas. Volwassen mensen lopen rond met een ballon aan hun mond en genieten van de rush van het spul, met recht een partydrug.

Tijdens carnaval knijpt het gezag een oogje toe, maar op de Wallen kun je elke dag proeven van die vrijheid, verkleed en gemaskerd, in een roes van drank en drugs. Burgemeester Halsema wil dat ritme nu doorbreken. In de eerste maand van haar aantreden bracht zij een bezoek aan het gebied, ze dronk er een jenever en trok een kroket uit de muur, maar was gealarmeerd door de chaos die ze aantrof. Een serie maatregelen moet deze maand nog ingaan: een betere crowd control door vroegtijdiger ingrijpen bij drukte, mobiele pinapparaten voor handhavers waarmee boetes direct kunnen worden voldaan, meer controle op het water. En er komen zogenoemde ‘dweilpauzes’, waarin delen van de Wallen worden afgesloten om de straat te reinigen.

Dat is nodig, want de optocht is niet onschuldig. Dat liet Ensor al zien. Op Carnaval en Flandre (1929-‘30), in de collectie van het Stedelijk Museum, dragen de mensen hun kostuums. Ze dansen en spelen muziek, de stemming is uitgelaten, handen in de lucht. De vreugde lijkt niet te worden gehinderd door het grimmige tafereel dat plaats heeft op de voorgrond: twee katten die azen op de bloedende vogel die aan ze probeert te ontkomen. Hun gezichten vertrokken tot maskers maken de mensen enorm plezier.

De straat waar ik tot vorige week in woonde is een van de oudste van Amsterdam, aangelegd in de veertiende eeuw, en telt zeventien rijksmonumenten. Binnenstadkenner Minne Dijkstra noemde het in een AT5-uitzending van Straten van Amsterdam ‘de Herengracht van de Middeleeuwen’. Hier woonden de rijkste kooplieden, later ook belangrijke burgemeesters, tot ze verhuisden naar de echte Herengracht toen die gereed was. Nu kun je er terecht voor pornofilms in de categorie minderjarig, of ten minste voor dvd’s met titels die zich in dat genre voordoen, of voor een stel siliconen billen, een hele etalage ingericht met uitvoeringen in wit en zwart, voorzien van gaten waar iets puntigs van plastic of een pluizige staart uitsteekt.

Een pretpark is het, ja, een festivalterrein, ook. Een urban jungle, zoals ombudsman Arre Zuurmond het gebied onlangs duidde, zeker. Maar vanuit het perspectief van de bewoner voelt het ook als een reservaat, compleet met informatiecentrum, waar je onder de voet wordt gelopen door het vele bezoek dat vaak niet komt voor wat er te zien is, maar voor een ervaring van de vrijheid die er huist. Hoe eenzijdig die vrijheid is, heb ik ervaren: de optocht veilig voor hen die meelopen, een ondoorzichtige massa voor de mensen eromheen.

Ik kom binnenkort nog eens terug voor een ultiem souvenir.