Deze week

Week 1

ANJERS IN OORLOG
GEEN LANDBOUW MEER IN GAZA
JERUZALEM – ‘In een grote ontploffing gingen onze dromen in rook op.’ Zo beschrijft Abdelkarim Aashour de oorlogssituatie in Gaza tijdens ons telefonisch contact op oudejaarsdag; onze geplande ontmoeting ging niet door omdat Israël journalisten de toegang tot Gaza ontzegt.
Anderhalf jaar geleden bezocht ik met deze adjunct-directeur van Agricultural Developement Association PARC, een non-profitorganisatie die tot doel heeft de vernielde landbouwgronden in de Gazastrook te herstellen, enkele agrarische ontwikkelingsprojecten in de Gazastrook die werkgelegenheid voor kleine boeren zouden creëren. Het project was opgezet buiten de Palestijnse Autoriteit en de Hamas-regering om. Nederland speelde een belangrijke rol in de wederopstanding van de boeren. Met een Nederlands fonds van drie miljoen euro werden ze gestimuleerd om hun verwaarloosde kassen opnieuw in te richten en weer te gaan planten. Ruim vijftig boeren participeerden en verschaften werk aan vijftienhonderd arbeiders. Vernietigd en braakliggend land werd ontgonnen, de watervoorziening werd verbeterd en met de technische steun van PARC werden 7,5 miljoen anjerzaailingen geplant en paprika’s en kerstomaten geteeld.
De eerste anjers die in samenwerking met Israëlische toeleveranciers en exportbedrijven naar Nederland werden geëxporteerd, haalden de Nederlandse krantenkoppen. Voor het eerst hadden de boeren weer een perspectief en konden ze na rampjaren eindelijk geld verdienen.
Het project ging niet over rozen. De Karni-checkpost – de enige grenspost waar Israël goederenverkeer toestaat en dus de levensader voor de anderhalf miljoen Palestijnen in Gaza – ging na de Qassam-raketbeschietingen door Hamas op Israël langdurig op slot. De groente-export stokte en de prijs op de lokale markt kelderde. Dankzij het project ‘From poor farmers to poor families’, waarvoor Nederland nog eens achthonderdduizend euro beschikbaar stelde, werd de resterende groente opgekocht en uitgedeeld aan behoeftige gezinnen.
Tegenslagen behoren tot het dagelijks leven van de gemiddelde boer in Gaza en dus plantte en teelde hij ook dit jaar voort. Maar de recente Israëlische luchtaanvallen deden hem de das om. Aashour legt uit waarom: ‘De straten van de Gazastrook zijn uitgestorven, niemand durft nog buiten te komen. Toen het huis van mijn vriend – een professor aan de universiteit van Gazastad – door een bom werd getroffen, heb ik mijn vrouw en vijf kinderen bij mijn broer in het zuiden van de stad gebracht. Er zijn hier geen schuilkelders. We kunnen niet vluchten, want Gaza is volledig van de buitenwereld afgesloten door veiligheidsmuren en checkposten. Er is geen veilige plaats in de Gazastrook en het relatief rustigere zuidelijke deel kunnen we niet bereiken, omdat het Israëlische leger elk voertuig op de Salah a Din straat – de vijftig kilometer lange hoofdweg die de noordelijke Gazastrook met het zuiden verbindt – beschiet. Onze boeren kunnen dus niet bij hun land komen. Er is onvoldoende water en elektriciteit voor de irrigatie en verwarming van de kassen en landbouwgronden werden door raketaanvallen getroffen. Als de oogst faalt, betekent dat een catastrofe voor Gaza. Zo’n 75 procent van ons inkomen is afhankelijk van de landbouw en de export van bloemen, groente en fruit. Het zal ons enkele jaren kosten om de vernietigde landbouwgrond te herontginnen en opnieuw te beplanten.’
Aashour is geen aanhanger van Hamas en vindt het te gemakkelijk om de oorzaak van de oorlog en al het kwaad uitsluitend bij de Israëliërs te zoeken. De Palestijnen moeten ook de hand in eigen boezem steken. Maar Israël is wel verantwoordelijk voor de gevolgen en het leed dat het de gewone burgers met de zware luchtaanvallen op Gaza aandoet. ‘Israël wil Hamas een lesje leren, maar treft alleen de armsten onder ons. Niemand weet hoe lang de straf duurt die wij hier uitzitten.’
SIMONE KORKUS

VLAMMEND KREDIET
RUSSEN VREZEN BONNENSYSTEEM
MOSKOU – ‘Hoe kan ik mijn leningen nu terugbetalen?’ vraagt Vladimir zich tijdens een rit door Moskou hardop af. De taxichauffeur kreeg van de bank een krediet van dertigduizend dollar om een dienstwagen aan te schaffen. Dat bedrag zou hij met de dagelijks ritten à vijftig euro gemakkelijk terugverdienen. Het royale inkomen bood hem de mogelijkheid om er tevens een lening van ongeveer een miljoen roebel bij te nemen voor ‘iets anders’. Jarenlang groeide de Russische economie en met een door de hoge olieprijzen rijkelijk gevuld stabiliteitsfonds leek er geen vuiltje aan de lucht. Totdat de crisis kwam. Vladimir ziet het aantal klanten snel afnemen, maar de dollarkoers stijgt en daarmee ook het bedrag dat de alleenstaande taxichauffeur moet terugbetalen. ‘Als het kan, ga ik naar markten in buitenwijken voor goedkope boodschappen of eet ik bij mijn oude moeder die op het platteland woont en een moestuin heeft.’
Vladimir is lang niet de enige Rus die zijn op krediet gebouwde droomleventje ziet vervallen in een nachtmerrie vol schuldeisers. Ruim tien jaar eerder – in augustus 1998 – werd Rusland zwaar getroffen door een bankencrisis. Weg spaarcenten en weg vertrouwen in de economie. Het land krabbelde op en burgers begonnen weer te geloven in de toekomst. Gesteund door de dagelijkse portie goed nieuws op de televisie en de verleidelijke reclames van banken die gunstige leningen aanboden, gingen Russen op krediet leven.
Wie niet aan de officiële inkomenseisen voldoet, kan altijd nog met een omweg aan een felbegeerd krediet komen. ‘Russen krijgen vaak officieel een laag loon uitbetaald dat wordt aangevuld met zwart, contant geld of bonussen. Als leners het inkomen dat zij claimen bij een bank niet kunnen bevestigen, vraagt de bank bijvoorbeeld om een maandelijkse telefoonrekening of stelt de vraag waar de kredietnemer zijn zomervakanties doorbrengt om zo het inkomen te taxeren’, zegt professor Alya Guseva, die het boek Into the Red schreef over de Russische creditcardmarkt.
De fatalistische (of realistische?) doemdenkers onder de Russen zien de bui al hangen. Als het zo doorgaat, maken de roebels plaats voor het bonnensysteem dat de oudere generatie nog kent uit de Sovjet-Unie. Zo’n vaart zal het wel niet lopen, maar het vertrouwen neemt geleidelijk af. Dat politici op de staatstelevisie de boel sussen wil niet langer helpen. ‘De propaganda gaat maar door’, verzucht de dertigjarige Aleksej. Onlangs kocht hij met zijn vrouw een appartement in Moskou. Grote zorgen over het terugbetalen van zijn krediet bij de bank heeft hij niet. De Moskoviet van Oekraïense komaf heeft een stabiele, goedbetaalde baan als artdirector en een ontslaggolf zal hem niet treffen, stelt Aleksej zelfverzekerd.
Taxichauffeur Vladimir is minder gerust op de toekomst. Eén ding weet hij zeker: nooit zal hij als wanbetaler in de gevangenis eindigen. ‘Dat gebeurt niet. Als zo’n situatie dreigt, steek ik mijn auto in de fik. Het voertuig is uitstekend verzekerd.’
IVO PERTIJS
HELD VAN BEROEP
HELEN SUZMAN, 1917-2008
JOHANNESBURG – Tot de laatste snik bleef Helen Suzman heerlijk eigenzinnig. Nee, liet haar familie weten nadat de anti-apartheidsactiviste op nieuwjaarsdag op 91-jarige leeftijd was overleden: geen staatsbegrafenis voor Helen. Ze gaf de voorkeur aan een besloten ceremonie, zonder bombarie. Natuurlijk kwam interim-president Kgalema Motlanthe toch opdagen, evenals oppositieleidster Helen Zille. Maar het bleef een ingetogen affaire, daar op de joodse begraafplaats in Johannesburg.
Suzman had een mooi moment uitgekozen om te sterven. Het hele land was nog met vakantie. De kranten moesten in paniek hun topschrijvers uit hun strandstoelen jagen om necrologieën neer te pennen en Suzman bij te zetten in het pantheon van Zuid-Afrikaanse heiligen, waar ook haar generatiegenoten Nelson Mandela, Desmond Tutu en Nadine Gordimer een plaats zullen krijgen.
De media waren unaniem: Suzman, dochter van joodse migranten uit Litouwen, was zo’n dode over wie niets dan goeds te melden is: moedig, gevat, slim, onversaagd, integer, onvermoeibaar, een liberaal en democraat in hart en nieren. Held van beroep. Ze was de eerste parlementariër die openlijk apartheid veroordeelde, nadat ze in 1953 de politieke arena had betreden. Van 1961 tot 1974 was ze de enige vertegenwoordiger van de liberale Progressive Party – een eenzame maar vlijmscherpe stem in het hol van de leeuw. In die periode stelde ze 2262 kamervragen. Toen een gebelgde collega van de Nationale Partij haar voor de voeten wierp dat haar vragen het imago van Zuid-Afrika besmeurden, riposteerde ze: ‘Het zijn niet de vragen, het zijn de antwoorden die besmeuren.’
De lijst heldendaden is lang. Zo vertegenwoordigde ze de enige (blanke) partij die stemrecht voor iedereen eiste. Ze was de eerste volksvertegenwoordiger die voet op Robbeneiland zette om daar in 1967 de gevangen Nelson Mandela te bezoeken en te pleiten voor zijn vrijlating. Ze nam het op voor politieke gevangenen, slachtoffers van marteling, zwarte stemlozen, de underdog in het algemeen. Ze gebruikte haar status als parlementslid om toegang te krijgen tot politiecellen en geheime dossiers.
In 1989 trok ze zich na 36 jaar terug uit de politiek, maar bleef uitermate kritisch over de machthebbers, of dat nu het blanke minderheidsbewind was of de zwarte ANC-regering. ‘That president of ours’, schamperde ze over ex-staatshoofd Thabo Mbeki, wiens desastreuze aidsbeleid haar veel pijn deed. Ook nam ze het op voor spelers van het Zuid-Afrikaanse cricketteam die waren betrapt op marihuanagebruik. Zelfs nadat ze haar laatste adem had uitgeblazen, lukte het Suzman om hypocrisie uit te lichten. Pik Botha, die als minister van Buitenlandse Zaken jarenlang het apartheidsbeleid aan de buitenwereld verkocht, noemde haar ‘een ware strijder voor gelijkheid, vrijheid van meningsuiting en rasseloosheid’. En ex-president FW de Klerk die Suzman na haar veroordeling van het geweld tijdens de Soweto-opstand van 1976 ‘een saboteur van de politie’ noemde, stond nu vroom kijkend vooraan bij haar begrafenis.
FRED DE VRIES

ANGLICAANS OFFENSIEF
DE GELOOFSCRISIS VAN GORDON BROWN
LONDEN – Teneinde zijn imago als vertrouwenwekkende staatsman kracht bij te zetten, portretteert Gordon Brown zichzelf graag als zoon van een presbyteriaanse dominee. De anglicaanse kerkvaders zien weinig christelijke principes terug in de manier waarop de Britse premier omgaat met de economische crisis. Vanuit alle hoeken van het land werd Brown aangevallen door bisschoppen, van wie enkelen als ‘spiritual lords’ zetelen in het Hogerhuis. Zo verweet de bisschop van Londen de domineeszoon dat hij de Britten jarenlang valse hoop heeft gegeven met zijn belofte dat New Labour recessie had afgeschaft en dat de economische groei oneindig zal zijn. De bisschop van Manchester noemde de regeringspartij ‘moreel corrupt’. Vanuit het bisdom van Winchester kwam de eufemistisch geformuleerde kritiek dat Brown moeite heeft een balans te vinden tussen zijn geweten en zijn wil om de volgende verkiezingen te winnen.
Het salvo van kritiek werd ingeleid door aartsbisschop Rowan Williams, die zich heeft ontpopt tot een publieke intellectueel. Onlangs verscheen zijn boek Wrestling with Angels. Daarin legt hij onder meer uit waarom het denken van de Duitse filosoof Hegel zo belangrijk is voor theologen, bijvoorbeeld op het punt van de dialoog met God of de essentie van een rationeel bestaan. Voor meer publiciteit zorgde zijn opmerking dat Browns economische herstelwerkzaamheden, die zijn gebaseerd op een verdere opeenhoping van schulden, te vergelijken zijn met het geven van drugs aan een verslaafde. Niet alleen de Britse overheid steekt zich nog meer in de schulden, als het aan Brown ligt ook de burgers. ‘Koop de winkels leeg’, zo luidde zijn advies, een echo van Bush’ oproep na de WTC-aanslagen. Brown verweerde zich met het bijbelse verhaal van de barmhartige Samaritaan, zonder eraan toe te voegen dat deze zijn eigen geld schonk in plaats van andermans. Williams sloeg terug met een artikel waarin hij de regering verweet vast te houden aan de kapitalistische principes die weinig ruimte laten voor medemenselijkheid, liefde en moreel bewustzijn. Hij zette de zaak op scherp door te refereren aan de theoloog Karl Barth, die in de jaren dertig tegen de tirannieke principes van het nazisme preekte.
Het anglicaanse offensief deed denken aan de kritiek die Margaret Thatcher een kwart eeuw geleden kreeg op haar grotestedenbeleid, of het ontbreken daarvan. Indertijd werden de kerkleiders door ministers beschuldigd van theologisch marxisme, terwijl nu het verwijt klinkt dat ze te veel glühwein hebben gedronken. Vanuit de Labour-hoek gaan bovendien stemmen op om tot een scheiding van anglicaanse kerk (bijgenaamd ‘de Conservatieve Partij in gebed’) en staat te komen.
Gezien de hysterische taferelen in de winkelstraten hebben niet alle Britten waardering voor Williams’ oproep tot bezinning. Terwijl zwervers zochten naar een warme plek, stonden honderden koopverslaafden in de ochtend van Tweede Kerstdag zes uur lang in de rij voor de uitverkoop.
PATRICK VAN IJZENDOORN