Deze week

Week 28 en 29

Boevenpraat

Problemen voor George W. Bush. Waarom? Omdat Karl Rove problemen heeft.

WASHINGTON – Wist hij dat het niet mocht? «Ja, hij kent alle trucs», antwoordt een voormalig Republikeins campagnestrateeg. Juist daarom is het opvallend dat hij nu misschien valt. Karl Rove is de voornaamste adviseur van George W. Bush.. «W» noemt hem al jaren «de man met het plan».

Ook in juni 2003 had Rove een plan. De oud-ambassadeur Joseph Wilson moest eraan geloven. Die had verklapt dat Saddam Hoessein helemaal geen uranium uit Niger had gekocht, een theorie die onderdeel was van de bewijsvoering voor Iraakse massavernietigingswapens. Rove let op de kleintjes. Het moest voor iedereen duidelijk zijn dat dit soort acties worden bestraft. Vervolgens kwam columnist Robert Novak, die graag opschept over zijn goede contacten in het Witte Huis, met de mededeling dat Wilsons vrouw Valerie Plame geheim agente is van de cia.

Het verknallen van iemands dekmantel is sinds 1982 strafbaar. Vader Bush heeft het zelfs eens «het meest lafhartige wat een Amerikaan kan doen» genoemd. Dus kwam er een onderzoek. Zowel van Time Magazine als van The New York Times werd een journalist gedagvaard. Beiden weigerden aan de onderzoeksrechter te vertellen wie hun hetzelfde over mevrouw Wilson had gezegd. Die van Time, Matthew Cooper, was verbaasd over de dagvaarding, want hij had al wel de naam van Lewis Libby gegeven, de stafchef van vice-president Cheney. Nu moest hij ook een ander noemen, wat hij weigerde zolang hij geen vrijbrief kreeg van de bron in kwestie. De journalist van The New York Times volhardde in haar weigering namen te noemen en zit nu een gevangenisstraf uit.

Cooper zei dat lot niet te willen ondergaan. Nadat het hooggerechtshof had geweigerd het beroep van de journalisten in behandeling te nemen, verving Cooper zijn advocaat door een bekende Republikein, niet lang geleden nog werkzaam in het Witte Huis. Een begrijpelijke keuze: er moest immers een top-Republikein worden beschermd.

Toch knakte er iets bij Cooper, want op de dag van de rechtszaak verklaarde hij dat zijn bron hem plotseling toch toestond openheid van zaken te geven. De advocaat van Rove ontkent dat. In Coopers ogen had Rove’s advocaat zijn hand overspeeld toen hij op de ochtend van het proces tegen The Wall Street Journal verklaarde: «Als Cooper de bak in gaat, is het niet Karl die hij verdedigt.»

Het was dus wel Karl Rove. Cooper had de opmerking in The Wall Street Journal gelezen als een «persoonlijke uitnodiging» om zijn bron alsnog prijs te geven. Cooper is nu vrij man, een lafaard voor de stringente verdedigers van de persvrijheid, en tegelijk iemand die, ondanks zijn Republikeinse advocaat, de gekleineerde Democratische partijgangers een klein overwinninkje heeft bezorgd. Saillant detail: Cooper is getrouwd met een bekende campagnestrateeg van de Democraten.

Gaat Karl Rove nu terug naar af, via de gevangenis? Het is de vraag. Hij praat alleen nog via zijn advocaat. Die heeft vooralsnog aannemelijk kunnen maken dat Rove «bevestigde» dat Plame een geheim agente was, zonder haar naam te geven. Misschien heeft Rove alleen «de vrouw van Wilson» gezegd: hij wordt niet voor niets «Bush’ Brains» genoemd. Ook benadrukt zijn advocaat dat Rove niet «bewust» geheime informatie heeft onthuld.

Het is een merkwaardig ingewikkelde zaak, vol juridische haarkloverij, politieke spelletjes, cruciale grondrechten en koppensnellersjournalistiek. Niet gedagvaard is bijvoorbeeld de man die als eerste Plame’s identiteit onthulde. Robert Novak gaat vrijuit: hij schijnt het op een akkoordje met de aanklager te hebben gegooid. Maar zelfs dat weigert hij te bevestigen.

PIETER VAN OS

Een pijnlijke nederlaag

Ruim tien jaar slaagt het ministerie van Volksgezondheid er in vreemde artsen buiten de deur te houden. Met steun van de rechter. Tot voor kort.

De buitenlandse (tand)arts die in Nederland wil worden erkend, wordt sinds 1993 van het kastje naar de muur gestuurd. De vraag of deze arts van buiten de EU al dan niet vakbekwaam is, wordt beoordeeld door een speciale adviescommissie waarin Nederlandse ambtenaren en artsen zitting hebben. Zij baseren zich op hun beurt weer op de globale «diplomawaardering» van de Nuffic. Hoewel minister Hoogervorst van Volksgezondheid een ander systeem heeft aangekondigd, waarbij buitenlandse artsen niet worden getaxeerd op grond van de status van hun land van herkomst maar getoetst op hun individuele kennis en vaardigheden, is de medische wereld vooralsnog een ondoordringbaar bolwerk. Of beter, een omgekeerd labyrint. Want dankzij al die ministeries, commissies en organisaties die de vreemde arts met onbegrijpelijke en vaak tegenstrijdige adviezen opzadelen, is het niet zozeer de vraag waar de uitgang tot het medische gilde zich bevindt maar veeleer waar de ingang is. De eenzame vechtjas die daartegen ten strijde trekt, blijft uiteindelijk verdwaasd achter. Tot in hoogste instantie bij de Raad van State geeft de administratieve rechter de overheid altijd gelijk, waarbij steeds dubbele en driedubbele ontkenningen worden gebruikt om toch vooral welwillend over te komen.

Desondanks probeerde de Peruaanse tandarts Neyra Moreno het toch. Ze tekende beroep aan tegen de beschikking van het ministerie dat ze niet gelijkwaardig was aan haar Nederlandse collega’s. Het departement had, zoals gebruikelijk, van het dossier een potje gemaakt. Kort samengevat: alle Peruanen heten José en dus moest Moreno ook behandeld worden als een José ongeacht haar kwalificaties. De juristen van vws gingen op de automatische piloot naar de rechtbank in Haarlem waar de zaak diende.

Wat gebeurde er? De rechter nam de staat de maat. Het ministerie had onvoldoende onderzoek gedaan naar haar opleiding en werkervaring, was voorbijgegaan aan haar specifieke curriculum, had zich verscholen achter een lager gewaardeerde middelbare school zonder rekening te houden met het onvermijdelijke universitaire toelatingsexamen in Peru en had geen aparte «kennis- en vaardighedentoets» aangeboden.

Het zijn de klassieke argumenten van het bureaucratisch-medische complex in Den Haag, dat hiermee altijd wegkomt. Nu niet. De rechter in Haarlem concludeerde dat vws zich «onzorgvuldig»had gedragen en vernietigde de beschikking. Niks geen dubbele ontkenningen, dit keer, maar recht op het doel af. Het ministerie moest zelfs de kosten betalen.

Een mooie dag voor Morena en haar tientallen lotgenoten. Maar hoedt u voor de avond, als de Raad van State in hoger beroep de overheid een herkansing kan geven. Het hoogste college van staat is een meester in het disciplineren van ongehoorzame rechters.

HUBERT SMEETS

Hachelijke taalkwestie

Een Europese Babylonische spraakverwarring is op komst.

Ondergesneeuwd in de aanvankelijke euforie over de toetreding, een jaar geleden, van de tien nieuwe EU-lidstaten, is de kwestie van de kleinere Europese talen. Daarbij gaat het niet zozeer om het Ests (één miljoen sprekers) en zelfs niet om het Maltees (vierhonderdduizend sprekers) – dat zijn zelfbewuste talen, geworteld in een nationaal gevoel en ondersteund door onderwijs en literatuur – maar om het onthutsende aantal minderheidstalen die binnen de Europese staten om erkenning en steun vragen. Er is een Europees bureau, afgekort eblul (European Bureau for Lesser Used Languages), dat die minderheidstalen in kaart brengt en de sprekers middelen aanreikt om hun taal voor uitsterven te behoeden.

Grotere taalconcentraties, zoals het Welsh Gaelic, het Bretons, het Baskisch en het Reto-Romaans worden al langere tijd door hun eigen overheden erkend. Ook in Nederland. De lijst met Europese minderheidstalen bevat bijvoorbeeld het Westelijk Fries, zoals gesproken in Friesland, te onderscheiden van het Oost-Fries (Duitsland), het Noord-Fries (Sleeswijk-Holstein, delen van Denemarken) en het Westfries, dat weer een dialect is in Noord-Holland. De lijst noemt ook het Nedersaksisch, het Limburgs en het Stellingwerfs, die door de Nederlandse overheid als zelfstandig worden aangemerkt. Dat aan dat panorama door ijverige lokale taalkundigen ook het Noord- en Oost-Veluws, het Liemers en het Sallands worden toegevoegd, is meer folklore dan wetenschap, en heeft weinig praktische gevolgen. Er worden in Brussel en Straatsburg geen tolken Hongaars-Sallands opgeleid.

De EU omvat nu echter ook sprekers van het Kasjoebisch, het Opper- en Neder-Sorbisch, het Wendisch, het Rusyn, het Cimbrisch (in Italië gesproken in de dorpen Giazza en Roana), het Istriot, het Dalmatisch, het Meglenitisch, het Karaim, het Cypriotisch Arabisch en het Cypriotisch Maronitisch Arabisch, het Zuid-, Noord-, Lule-, Pite- Inari-, Kemi-, Skolt-, Akkala-, Kildin-, Ter- en Ume-Samisch, om nog te zwijgen van het Livonisch, Votisch, Vepsisch, Ludisch, Molvanisch en Olonetsisch. Voor het Norn (Shetlands), het Krim-Gotisch en het Oud-Pruisisch komt eblul te laat: die talen zijn uitgestorven.

In sommige landen is de materie zeer omstreden. Sotiris Blatsas, bijvoorbeeld, is een vertegenwoordiger van de Aromanische of Vlachische cultuur, die in kleine gemeenschappen in Thessalië, Grieks Macedonië, Centraal-Albanië, de Republiek Macedonië en Zuidwest-Bulgarijë nog bestaat. Blatsas publiceerde in 2000 in Griekenland een rapport over zijn taal. Hij werd door de overheid – schichtig als het over vermeend separatisme gaat – aangeklaagd en in 2001 wegens het «verspreiden van valse informatie» veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf en een boete van vijfhonderdduizend drachme.

Het uitsterven van talen kan weemoedig stemmen.. Er wordt in gemeenschapjes in zuidelijk Italië nog altijd een vorm van Grieks gesproken, terug te voeren tot de kolonisaties in de tijd van Archimedes. Maar soms is uitsterven onvermijdelijk, omdat sommige minderheidstalen zo ongelooflijk ingewikkeld zijn dat ze alleen in kleine kring konden voortleven. Het Molvanisch, is volgens de recent verschenen Jetlag Travel Guide is bijvoorbeeld gezegend met vier geslachten, een record aantal klankloze letters en geniepigheidjes als de drievoudige ontkenning. «Is het water hier drinkbaar» vertaalt zich in het Molvanisch als «Is het niet zo, dat het water hier niet niet-drinkbaar is?»

De Amerikaanse diplomatieke dienst verwacht van haar personeelsleden dat zij in vijf maanden Spaans kunnen leren en in 24 maanden Arabisch of Koreaans. Aan het Molvanisch hoeven de diplomaten niet te beginnen: de taal is een literaire grap. Maar al die andere bestaan wel.

KOEN KLEIJN