Deze Week

Week 3

Geen spijt

Korporaal Graner krijgt tien jaar cel wegens marteling in de Iraakse gevangenis Abu Ghraib. Van spijt is geen sprake, «want er was een oorlog aan de gang».

WASHINGTON – Hoe vreemd het ook moge klinken, het leger moet het mooiste zijn geweest dat de gevangenisbewaarder Charles Graner in zijn leven is overkomen. «Ik accepteer een gevangenisstraf», zei hij in een bijna drie uur durend verweer tegen de jury, «maar alstublieft, stuur me niet uit het leger. Geef me die kans.»

Kort voor de nationale feestdag ter ere van Martin Luther King, en zes dagen voor het kostbare presidentiële inauguratiefeest dat deze dagen alle Amerikaanse media-aandacht opzuigt, bleek dat de jury van het militaire tribunaal in Fort Hood Texas de folteraar van de Abu Ghraib-gevangenis die kans niet wil geven. Graner wordt oneervol uit het leger ontslagen. Hij moet bovendien eerst tien jaar brommen in een militaire gevangenis.

Graner en zijn verdediging hadden besloten geen gebruik te maken van het recht te getuigen. Hadden ze dat wel gedaan, dan had Graner onder ede een kruisverhoor van de aanklager moeten ondergaan. Daarin had hij waarschijnlijk uitleg moeten geven over de e-mails die hij naar het thuisfront had gestuurd, met smalende grappen over de wreedheden die hij beging. Ook waren dan waarschijnlijk de opmerkingen gebruikt van medebewakers, die zonder uitzondering Graner aanwezen als de sadistische roerganger van celblok «One-Alpha».

Door niet te getuigen hoefde Graner niet te beloven de waarheid te spreken, en kon hij een voorbereide rede uitspreken. Daarin vertelde hij de jury dat hij goed wist wat het verdrag van Genève inhoudt («ik ben een voorbeeldige gevangenisbewaker»), maar dat hij de uitdrukkelijke orders had gekregen de regels van dat verdrag te schenden. Graner noemde ook namen van officieren die niet alleen op de hoogte waren van de mishandelingen, maar die ook expliciet goedkeurden. Hij overhandigde de jury zelfs een door een overste verstrekte «Rules of Engagement», die simpelweg luidde: «Shout, shove, show (een wapen), shoot.» Dat deed Graner. En blijkens de foto’s glimlachte hij erbij.

Bevel van hogerhand maakt Graners misdaden er niet minder om. Wel zou het op z’n minst vervelend zijn voor het Witte Huis, maar daar blijkt niemand zich zorgen te maken. Aan de top van de bevelstructuur staat immers Donald Rumsfeld, die gewoon minister van Defensie is gebleven. Ook Alberto R. Gonzales lijkt niet in gevaar. Als zijn juridisch adviseur vertelde hij de president dat het «legaal» was om gevangengenomen vermeende terroristen een status te geven die buiten de conventie van Genève valt. Gewone gevangenen zijn het ook niet, want dan zou hun behandeling moeten geschieden in overeenstemming met het zelfs door Amerika in 1996 getekende VN-gevangenenverdrag. Nee, Gonzales meende dat 9/11 zo bijzonder was dat de mensheid er die dag een nieuwe categorie heel slechte mensen bij kreeg, op wie nationaal noch internationaal recht betrekking heeft. Hoewel het hooggerechtshof heeft laten weten het niet met Gonzales eens te zijn, heeft Bush deze trouwe adviseur inmiddels gepromoveerd tot minister van Justitie.

Strategisch blijkt het Witte Huis gelijk te hebben; het woord van een folteraar zal de regering niet in het nauw brengen. En ook de belangrijkste Amerikaanse dagbladen en omroepen blijken geen moord en brand te willen roepen. Terwijl de situatie zich daar wel voor leent. Alleen een cartoonist van The New York Times deed afgelopen week recht aan de juridische verwarring rond het martelen: drie senatoren ondervragen Gonzales, die door een beul met zijn hoofd onder water wordt gehouden. «Dit zult u moeten ondergaan zolang u ons die geheime martelmemo’s niet geeft», zegt de eerste senator. «Is dit wel legaal?» vraagt de tweede. De derde, wijzend op de gefolterde Gonzales: «Dat moet je hem vragen!»

PIETER VAN OS

De baas in de Unie

Na talloze campagnes dat «Europa best belangrijk» was, nam het Europees Parlement vorige week zonder toeters en bellen de Europese grondwet aan. Er verandert weinig.

Vorig jaar oktober zetten regeringsleiders en staatshoofden al hun handtekening onder de grondwet, die in werking treedt als op 1 november 2006 alle nationale lidstaten hem hebben geratificeerd. En in dat «als» ligt nog een rol voor burgers van een aantal Europese landen besloten. Zo keurde de Eerste Kamer dinsdag het initiatief-wetsvoorstel voor een raadgevend referendum goed. Nederlanders kunnen dan – evenals de bewoners van Denemarken, Frankrijk, Groot-Brittannië, Ierland, Luxemburg, Polen, Portugal en Spanje – hun stem laten horen over de grondwet.

Het referendum wordt aangeprezen als een novum, en voor de liefhebber van directe democratie moet het een genot zijn om begin deze zomer het stemhok te betreden. Maar waar wordt eigenlijk over gestemd? Waarom wenste het Europees Parlement in 1989 een grondwet, terwijl de Europese Unie al bijna veertig jaar functioneerde op basis van verdragen?

De website www.grondwet europa.nl biedt antwoordt: «De huidige verdragen impliceren een vrijblijvendheid die er in de praktijk niet is. Zelfs als lidstaten de verdragen zouden opzeggen, dan kunnen zij niet onder bepaalde verplichtingen uit, ze zitten ‹vast› aan Europese afspraken.» Mw. prof. mr. E. Steyger, hoogleraar Europees bestuursrecht (VU) en advocaat bij Bird & Bird, zegt in een reactie: «Onder juristen is lang gediscussieerd over de vraag of een verdrag wezenlijk anders is dan een grondwet. Lang mocht onder juristen het f-woord niet gebruikt worden, maar met een grondwet geef je aan dat we toch echt een federatie zijn. Ik verwacht dat de erkenning dat we een federatie zijn een flinke politieke impact zal hebben. Juridisch gezien maakt het echter niet eens zo veel uit. Veel was al vastgelegd in de oude grondwet.»

De «oude grondwet» is de Vroege Europese Grondwet uit 1994, waarin duidelijke ideeën werden geformuleerd over de inrichting van de Europese Unie. In de toelichting bij deze grondwet zijn vier staatkundige modellen vergeleken, om duidelijk te maken waar Europa met een grondwet heen zou gaan. Uiteindelijk is gekozen voor een federale organisatie waarbij lidstaten veel macht houden. In een dergelijk gedecentraliseerd samenwerkingsmodel werken de staten en de Gemeenschap samen in alle besluitvormingsstadia (samenwerking), terwijl de uitvoering van de besluiten voornamelijk wordt overgelaten aan de lidstaten (decentralisatie). Het gedecentraliseerde federale samenwerkingsmodel is gebaseerd op een dubbele democratische legitimiteit, de legitimiteit van de burgers en de legitimiteit van de staten. Volgens prof. mr. W.T.E Eijsbout, hoogleraar Europees constitutioneel recht (UvA), maakt de grondwet duidelijk bij wie welke verantwoordelijkheid ligt: «Een grondwet doet vele dingen, één daarvan is aan te wijzen wie de baas is en onder welke voorwaarden, zodat de baas zo nodig aan de voorwaarden kan worden gehouden. In Europa weet niemand nu wie in de Unie de baas is, laat staan onder welke voorwaarden. Dus zijn ambtenaren de baas, de bureaucratie. Dat hoort niet.»

Steyger voegt daaraan toe dat een interessant punt binnen de grondwet het, op zich al bestaande, Europese burgerschap is: «Burgers hebben op dit moment al meer rechten dan vroeger. Alle burgers in Europa ontlenen hun rechten aan het Europese burgerschap, en hun positie is stevig verankerd. Ik kan mij voorstellen dat dit nog versterkt wordt door de grondwet.» Maatschappelijke organisaties krijgen nu bijvoorbeeld voor het eerst de mogelijkheid zelf rechtstreeks Europese regelgeving op gang te brengen. Eén miljoen handtekeningen uit een voldoende aantal lidstaten verplicht het dagelijks bestuur van de Unie, de Europese Commissie, een wetsvoorstel te doen dat tegemoet komt aan het burger initiatief.

JOANNE VAN DEN EIJNDEN

Seks en stad

De Kamer bespreekt deze week minister Dekkers nota Ruimte. Over de sociale relatie tussen seks en ruimtelijke ordening wordt – uiteraard – niet gesproken.

Ruimtelijke ordening gaat altijd oeverloos over groen stroken, spoorlijnen, snelwegen, Vinex-wijken en leefbaarheid in grote steden. Maar waarom wordt in die discussie nooit eens gerefereerd aan seks? Dat vroeg de redactie van Rooilijn – een vaktijdschrift voor wetenschap en beleid in de ruimtelijke ordening van de UvA – zich onlangs in een speciaal nummer Sex and the City af.

Ter verantwoording geven de redactieleden het ruiterlijk toe: sex sells. Ze schrijven: «Wat doet een commerciële televisiezender om de kijkcijfers op te krikken? Seks uitzenden. Wij bedienen ons in dit nummer van dezelfde goedkope truc en verlagen ons tot een speciaal nummer over seks en de stad. Seks is een belangrijk aspect van de sociale werkelijkheid en net als wonen en werken verdient het serieuze wetenschappelijke aandacht.»

Deze «goedkope truc» toont dat schrijven over seks niet hoeft te leiden tot obligate stukken, waarmee de damesbladen vol staan, of tot een vlotte pseudo-wetenschappelijke benaderingswijze van de menselijke driften, zoals NRC Handelsblad sinds kort probeert met een nieuwe rubriek over seks. In de eerste bijdrage wordt een «degelijk middel om het liefdesleven te verbeteren» van stal gehaald: wiskunde, oftewel de «twaalf keer neuken-regel». Het is helaas niet slim goochelen met formules. Mathematiek komt neer op het aloude puber- en studentengebruik dat je eerst de seks markt wat moet afgrazen (twaalf keer dus) voordat je in het huwelijksbootje stapt. Wiskunde werkt zo niet als (glij)middel.

Rooilijn doet het anders en brengt verrassende, wetenschappelijk onderbouwde onderwerpen. De conclusie uit alle bijdragen is dat de stad als anoniem publiek domein dé voedings bodem vormt voor nieuwe trends op gebied van dating, ontwikkelingen in de commerciële seks industrie, onschuldige multi-etnische flirts of homoseksuele contacten. Een stad biedt voor relationele experimenten sociaal meer veiligheid dan het platteland, zeker als het overheidsbeleid daarop afgestemd wordt.

In een artikel over de Amerikaanse tv-serie Sex and the City wordt uitgelegd dat het leven van een groepje vriendinnen nergens anders had kunnen plaatsvinden dan in Manhattan. Het decor van deze stad – trendy bars, appartementen en kantoren in modieuze lifestyle en hectische straten met op de achtergrond wolkenkrabbers – waarin de vrouwen hun openlijke en voor Amerika revolutionaire gesprekken over seks voeren, draagt voor de kijker essen tieel bij aan herkenning. In het liberale hippe New York is seks chic, snel en onconventioneel: «De vrouwen beschouwen feesten en uitgaan als hun goed recht. Dit is feminisme in een stad die consumptie en rappe repliek hoog waardeert en die het aantrekkelijke vrouwen toestaat zich vrij te bewegen in winkelstraten.»

Een Amerikaanse socioloog legt uit waarom in de meeste wereldsteden commerciële seks wordt ontmoedigd en gepoogd wordt dildo’s, opblaaspoppen en naakte dames achter de ruiten aan het oog te ontrekken en juist in Amsterdam niet. De bloei van de rosse buurt is te verklaren vanuit de traditionele morele tolerantie (inmiddels bedreigd door het moslimfundamentalisme), de his torische functie van de stad als handelscentrum, toegenomen mobi liteit – de gemiddelde toerist is vooral man, blank en rijk en zeker uit op seks – én de bijzondere historische waarde en de aantrekkelijke ligging van de buurt zelf.

Dat een binnenstad ook kan dienen als een anonieme maar gezellige dorpspomp blijkt uit een onderzoek onder Marokkaanse meisjes. Voor hen is het centrum heel belangrijk. Zij voelen zich daar minder gecontroleerd door hun broeders dan in de eigen woonwijk. Ze «genieten van de binnenstad» en vinden het «heerlijk vriendinnen te ontmoeten of onschuldig te flirten met mannen». Ze kleden zich, verder van huis, vaak om. De lange vesten en gewaden worden vervangen door T-shirts met decolleté. Ze claimen de openbare ruimte van de binnenstad als hún recreatieve en seksueel experimentele eigendom.

Rooilijn laat zien dat ruimtelijke ordening méér is dan wat beleidsmakers bespreken. En dat seks soms werkelijk verkoopt.

MARGREET FOGTELOO

Vmbo een fiasco

Dat de vmbo-school een fiasco is, zoals de Algemene Rekenkamer vorige week naar buiten bracht, komt niet als een verrassing.

Hoe zullen leerkrachten en de leerlingen van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) – zestig procent van het voortgezet onderwijs – zich voelen bij de uitslag van het onderzoeksrapport dat de Algemene Rekenkamer vorige week publiceerde?

Op basis van studie naar dit systeem, dat in 1999 onder het motto «weer samen naar school» werd ingevoerd, luidde de conclusie dat voor een fors deel van de honderdduizend leerlingen die extra zorg behoeven deze school veel te zwaar is. De gevolgen zijn dramatisch: massale vroegtijdige schooluitval en diep gefrustreerde leerkrachten en leerlingen. Door het uniformerende systeem werd er geen differentiatie aangebracht tussen talenten voor «hoofd» en «hand». Kinderen die een ambacht ambiëren worstelen zich te veel door de theorie heen. Bovendien worden vlugge leerlingen juist omlaag getrokken en langzame leerlingen kunnen de stof eenvoudigweg niet bijbenen. Leerkrachten zijn meer bezig om de boel met elastiekjes bij elkaar te houden. Want de klas is een vergaarbak geworden van, naast gewone pubers, leerlingen met een heel spectrum aan leer- en opvoedingsmoeilijkheden. Het Haagse Terra College weet daar alles van.

De vraag is nu niet alleen hoe het anders zou moeten met deze leerfabrieken. Extra geld –350 miljoen euro – is er al jaarlijks uitgetrokken voor zorgleerlingen. Maar vooral ook: hoe is te voorkomen dat er in de politiek opnieuw zo wordt geblunderd en geëxperimenteerd met onderwijs? De maakbaarheidsidealen van toenmalig staatssecretaris Tineke Netelenbos (PvdA) zijn indertijd dwars tegen de kritiek van ervaringsdeskundigen in gewoon door de Kamer geloodst. In het Binnenhof werd te gemakkelijk beschikt over de toekomst van een generatie kinderen en de professionele motivatie van leerkrachten.

Nederland is vergeleken met het buitenland met onderwijs altijd eigenwijs geweest. De vele wetten en de vernieuwingsdrift van politici hebben daar de afgelopen decennia blijk van gegeven. Er wordt nu geroepen dat er maar een parlementaire enquête naar dit laatste drama moet komen. Dat zou dan slechts werken als les voor politieke roergangers. Voor de ex-leerlingen die nu zonder diploma op straat hangen, de overspannen leerkrachten die thuis zitten, en voor de familie van de vermoorde Haagse conrector Van Wieren is dat de theorie van de praktijk.

MARGREET FOGTELOO

E. du Perronprijs

Kees Beekmans, medewerker van De Groene Amsterdammer, heeft woensdag de E. du Perronprijs gewonnen met zijn boek Eén hand kan niet klapt en andere verhalen uit de zwarte klas.

Volgens de jury onder voorzitterschap van dr. Piet Mooren, docent theorie en geschiedenis van de literatuur aan de Universiteit van Tilburg, staat Beekmans in de traditie van Theo Thijssen. Beekmans, wiens rubriek Bij ons op de praktijkschool wekelijks in deze krant verschijnt, opereert aan het front van de multiculturele samenleving. Hij schetst een prachtig beeld van kinderen die nooit aan het woord komen. Zijn artikelen in onder meer De Groene Amsterdammer getuigen van een «bijzonder pedagogisch en literair bewustzijn», aldus de jury. De andere genomineerden voor de E. du Perronprijs waren Theo Engelen (De Indische vlieger) en Ceseli Josephus Jitta (De diamant van opa). Eerdere winnaars waren onder anderen Carl Friedman, Fouad Laroui, Nilgün Yerli, Anil Ramdas, Hafid Bouazza, Hugo Pos, Max Velthuijs en Marion Bloem.

REDACTIE