Deze Week

Week 30

Staatsbelang of revolutie

Israëls buurlanden houden zich relatief koest; die terughoudendheid komt voort uit eigenbelang.

AMSTERDAM – Zit Iran achter de aanval van Hezbollah van 12 juli, waarbij acht Israëlische militairen werden gedood en twee ontvoerd? Tegenover de beschuldiging van Amerika en Israël, bedoeld om het conflict naar een hoger politiek plan te tillen, stellen anderen dat Hezbollah een autonome Libanese organisatie is die zich niet door Iran (of Syrië) laat gebruiken. Gelet op de machtsverhouding tussen Iran en Hezbollah is de aanklacht substantiëler dan de ontkenning. Want Iran wil de «zionistische entiteit» ten principale tenietdoen en heeft met dat oogmerk zijn bevriende militie in Zuid-Libanon een immens arsenaal aan zware aanvalswapens verschaft. Vergelijk het met Bosnië. Iedereen weet dat de Bosnische Serviërs hun etnische zuiveringsoorlog alleen konden voeren omdat zij groen licht kregen van Slobodan Milosevic. Niettemin zag het Joegoslavië Tribunaal zich voor de vrijwel onmogelijke opgave gesteld het bewijs hiervoor te leveren. Waar is de smoking gun?

Het is irrelevant of Iran al dan niet een afleidingsmanoeuvre zocht voor het conflict over zijn nucleaire ambities. Wat telt, is dat Teheran zich met de militaire opbouw van Hezbollah een positie verschaft in het meest brisante deel van het Midden-Oosten. Via Hezbollah oefent Iran directe invloed uit op het Israëlisch-Palestijnse conflict en geeft het de pan-islamitische dimensie gestalte. Accommodatie, toch al een wijkend begrip in dit conflict, is zo per definitie uitgesloten.

Maar er is meer. Het door
Iran gepraktiseerde pan-islamisme verstoort ook het moeizame staatsvormingsproces in de Arabische wereld.

Decennia lang hebben de Arabische landen gekampt met onderlinge politieke interventies, die werden gerechtvaardigd door de prediking van bovenstatelijke idealen, in het bijzonder de Palestijnse kwestie. Maar het ging niet alleen om die kwestie. De interventie die de Egyptische president Nasser in de jaren zestig in Jemen pleegde – waarbij onder meer gifgas werd ingezet – stond er bijvoorbeeld los van. Deze vicieuze cirkel bereikte een dieptepunt in 1967. De door Nasser in naam
van pan-Arabische idealen uitgelokte oorlog tegen Israël eindigde desastreus. Syrië, Jordanië en Egypte verloren stukken land van grote economische (Suezkanaal), strategische (Golan-hoogvlakte) en ideologische (Gazastrook en Westelijke Jordaanoever) waarde.

Maar daarna wonnen de nationale belangen in de Arabische wereld geleidelijk aan invloed en status. Niet in de laatste plaats doordat de olielanden zowel via onderhandelingen als door confrontatie met de oliemaatschappijen de zeggenschap over hun bodemschatten naar zich toe trokken. Deze rijkdom, of het vooruitzicht daarop, gaf veel Arabische regeringen een nieuw machtsmiddel in handen om zich ten opzichte van hun bevolking te legitimeren. Zoals de Egyptische oud-minister en journalist Mohammed Heikel later schreef: «In de verbeelding van de bevolkingen nam tharwa (rijkdom) steeds meer de plaats in van thawra (revolutie).»

In dezelfde periode rond 1970 kreeg het ontvoogdingsproces van de Palestijnen gestalte. Nu Egypte uit de Gazastrook was verdreven en Jordanië uit de Westelijke Jordaanoever trad de plo uit de coulissen als de authentieke belangenbehartiger van de Palestijnen. Ook hier derhalve een verschuiving naar het «ieder voor zich». Met de verdrijving van de plo in 1971 uit Jordanië maakte de toenmalige Jordaanse koning Hoessein duidelijk dat hij zich niet door de plo in een oorlog met Israël zou laten zuigen en brak ook hij met het pan-Arabische ideaal door Jordaanse belangen voorop te stellen.

Veelzeggend is de wijze waarop de plo eind november 1973 in Algiers – de eerste triomfantelijke Arabische topconferentie na de Oktoberoorlog en het eclatante succes van het oliewapen – tot de «enige rechtmatige vertegenwoordiger» van de Palestijnen werd uitgeroepen. «Het succes van de oorlog», meldde de slotverklaring, «was mede te danken geweest aan de verrichtingen van de Palestijnse verzetsbeweging.» In feite was de plo door de oorlogvoerende landen Egypte en Syrië, met op de achtergrond Saoedi-Arabië, welbewust niet geïnformeerd over de voorbereidingen voor de oorlog en daarna ook buiten de oorlogshandelingen gehouden. De grote landen hadden daarmee voorkomen dat hun belangen door de Palestijnse kwestie konden worden doorkruist.

Aan die lijn werd onverkort vastgehouden. Terwijl de plo voor de bühne in Algiers op het schild werd geheven, kregen Egypte en Syrië achter de schermen van hun broederlanden de vrije hand om onder leiding van de VS over hun eigen belangen met Israël te onderhandelen. Eveneens aan het oog van de wereld onttrokken, werd de plo te verstaan gegeven dat het afgelopen moest zijn met het prediken van de revolutie in landen die daar niet van waren gediend. Dat gold ook voor de plo. Het feit dat Jasser Arafat zich in 1991 achter de Iraakse verovering van Koeweit schaarde, is hem in de Arabische hoofdsteden dan ook nooit vergeven.

Ruim dertig jaar na dato is het overgrote deel van de Arabische landen in handen van dezelfde leiders of hun natuurlijke, directe opvolgers. Dat is een bewijs voor het succes van het non-interventiebeleid. Zelfs Libië heeft afscheid genomen van zijn supranationale ambities.

Binnenlands blijven de Arabische staten fragiel. De nieuwe dreiging heet islamisme, waarvan het mobiliserende vermogen nog lang niet is uitgewerkt. Daarom worden er in de Arabische regeringscentra weinig tranen geplengd over de Israëlische acties tegen Hezbollah en in het verlengde daarvan tegen zijn patroon Iran. Gesteld voor de keuze tussen een Israëlische of een islamistische – militaire of politieke – overwinning, geldt de uitstraling van die laatste als een zekere bedreiging voor de hele regio. De Arabische regimes kunnen noch binnenlands noch elders immers aanspraak maken op veel sympathie. Maar onderling zijn zij er de afgelopen decennia wel in geslaagd een naar omstandigheden stabiele statenordening te scheppen. Daarom maakt alleen in die context een regeling van het Israëlisch-Palestijnse conflict nog een kans.

THOMAS SIMON

De dood of gladiolen

Na het afgelasten van de Vierdaagse trad, zoals bij iedere ramp,
onmiddellijk het mechanisme van de schuldvraag in werking. Waar bleef het water?

AMSTERDAM – Een acute zonnesteek is onaangenaam. Sterven op een zinderend hete, windstille dijk langs de Waal is tragisch. Maar wie de berichtgeving in met name volkskrant De Telegraaf heeft gevolgd, kan het niet laten de proporties van het drama te relativeren, zeker toen het item de actualiteit van de oorlog in het Midden-Oosten overschaduwde.

De afgelaste Vierdaagse heeft alle trekken van de «risicomaatschappij». Dit begrip werd in 1986 gelanceerd door de Duitse socioloog Ullrich Beck, die in zijn boek Risikogesellschaft de overgang van de industriële samenleving naar een risicomaatschappij beschrijft. Het gaat in de postmoderne samenleving om de beheersing van onvoorspelbare risico’s en ongrijpbare processen, waarbij de burgers verlangen naar maximale ruimte voor het bevredigen van individuele (extreme) behoeften en tegelijkertijd bescherming eisen tegen de risico’s ervan. De politiek stimuleert al jaren dat de burgers meer eigen verantwoordelijkheid nemen. Maar als er onverwacht een kink in de kabel komt, duikt onmiddellijk de schuldvraag op en de mogelijkheid van een schadeclaim. Want tegenslag wordt niet zomaar geaccepteerd als iets wat nou eenmaal kan gebeuren. De vinger wijst naar dé politiek, naar dé overheid, dé leiding van een organisatie, dé arts, dé school. Individualisering en juridisering gaan hand en hand.

In Nijmegen was dit allemaal aan de orde. Aan de vooravond van de Vierdaagse had de brandweer al water uitgedeeld aan automobilisten in hun stilstaande oventjes. Direct na het bekend worden van de eerste bezweken wandelaars kwam crisisberaad op gang tussen de Vierdaagse-leiding, burgemeester Guusje ter Horst, weerdeskundigen, artsen en de politie. Marsleider Wim Jansen voerde ’s avonds als hoofdreden voor de afgelasting aan dat «de grenzen van hulpverlening waren bereikt. Het wordt morgen nog warmer, en dat kunnen we niet meer aan.» Op die eerste dag was het rampenplan in werking getreden. Het Rode Kruis had vier extra bezemwagens ingezet om flauwgevallen mensen af te voeren. Vijftien extra ambulances reden af en aan naar de «dijk des doods», zoals het bloedhete stukje dijk bij Lent in de volksmond werd genoemd. Ook het leger werd ingezet. ’s Nachts werden alle routeborden weggehaald om te voorkomen dat wandelaars op eigen houtje zouden doorgaan. Want zo zijn de Nederlanders ook wel weer: regels zijn er om te negeren.

Niet méér doden betekende ook geen gladiolen. De beslissing kwam hard aan bij de wandelaars. Snikkend vielen mensen elkaar in de armen. Ze hadden er zo naartoe geleefd. De gladiolen, bestemd als trofee bij de eindstreep over de Via Gladiola, lagen in stapels weg te branden in de zon. Op internet wisselden berichten van begrip zich af met uitingen van woede. Natuurlijk kwam ook de schuldvraag aan bod. Iemand schreef: «De organisatie had de vele onervaren en onwetende lopers beter tegen zichzelf moeten beschermen en in ieder geval over de risico’s moeten informeren!» Niemand bedacht dat wandelen in tropische temperaturen een vrijwillige stap is, die getuigt van overmoed of kuddegedrag.

Inmiddels hebben schadedeskundigen aangegeven dat er geen kans bestaat op een succesvolle financiële claim. De verantwoordelijkheid is niet te leggen bij de organisatie of andere partijen, of het moeten de weerdeskundigen zijn die nu kibbelen over de inschatting van de temperaturen. Het verschil in de interpretatie is maar drie graden, maar dat kan grote gevolgen hebben.

Voor de duizenden wandelaars – zeventig procent bleef hangen in Nijmegen – kwam het toch nog een beetje goed. De sportieve prestatie was hun dan door de neus geboord, de afterparty en het vuurwerk werden door de organisatie wijselijk niet afgelast. Want daar zou pas echt een prijskaartje aan hangen. De horeca begon te sputteren bij alleen al het idee dat zijn klandizie – voor veel caféhouders een vijfde van de jaaromzet – in één klap zou verdampen. Om acht uur ’s avonds hield iedereen met een peinzend gezicht een minuut stilte voor de slachtoffers. Ook bestudeert het bestuur, in overleg met de nabestaanden, de manier waarop de twee gesneuvelden herdacht moeten worden. De stichting Help Colombia heeft zich opgeworpen om een standbeeld op te richten voor alle slachtoffers. De stichting heeft al een website geopend om fondsen te werven. Wat maar weer eens aangeeft hoezeer het begrip dodenherdenking onderhevig is aan inflatie.

Maar stel dat volgend jaar wegens «klimaatveranderingen» plotseling strenge vorst intreedt? Zouden mensen dan misschien eindelijk zélf kunnen bedenken dat ze echt niet hóeven te wandelen?

MARGREET FOGTELOO

Yo Britain!

De relationship tussen de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk wordt met de dag specialer.

LONDEN – De bbc-radio zond onlangs How to Succeed at Summits uit. Daarin werd onder meer verteld dat Ronald Reagan tijdens topontmoetingen voor elk onderwerp een apart briefje had waarop precies stond wat hij moest zeggen. Margaret Thatcher had de gewoonte om hem vervolgens punt voor punt uit te leggen dat hij het helemaal verkeerd zag. Volgens de Britse ex-diplomaat Lord Kerr knikte de Amerikaanse president dan altijd naar zijn dichtstbijzijnde tafelgenoot met de woorden: «Gosh! She’s good!»

Dankzij de openstaande microfoon tijdens een lunchpauze op de G8-top in Sint-Petersburg is vorige week weer duidelijk geworden hoezeer de rollen twee decennia later zijn verwisseld. Veel aandacht ging uit naar de openingsgroet van de Amerikaanse president: «Yo Blair!» Het was niet eens «Yo Tony!», treurden de Engelsen. Over de oorsprong van het «Yo» bestaan diverse theorieën. De begroeting dateert wellicht uit Bush’ studiejaren op Yale, waar de macho’s elkaar bij de achternaam plegen te noemen. Een andere bron ligt dichter bij Bush’ huidige levensstijl. In westerns wordt «Yo!» immers gebruikt om het vee op te jagen.

Dat laatste sluit ook beter aan bij het nieuwste schandaal van Blairs plaatsvervanger John Prescott. Deze bleek de laatste vier jaar kind aan huis te zijn geweest bij Philip Anschutz, de Amerikaanse miljardair, gokbaas en donateur van de Republikeinen. Als specialist in het laten herleven van hopeloze projecten had hij het plan opgevat om van de lege Millennium Dome een supercasino te maken. Op zowel de bestemming van de feesttent als op het casinobeleid had de vice-premier indertijd veel invloed.

Dat de Dome inmiddels in handen van Anschutz is, en de roulettetafels in aantocht zijn, heeft volgens Prescott niets te maken
met zijn bezoekjes aan de ranch van Anschutz in Colorado. Hij
was erheen gegaan, verklaarde Labours idiot savant met een stalen gezicht, om te praten over de afschaffing van de slavernij, suikerteelt en, bovenal, over cowboyfilms. De vertegenwoordiger van Hull-East kreeg dan ook een fraai cowboykostuum mee, inclusief een riem met de initialen «JP», welke hij prompt vergat aan te geven bij de integriteitcommissie van het Lagerhuis.

Terwijl Prescott vocht voor zijn politieke leven kwam de unieke kameraadschap tussen beide naties ook in een andere affaire ter sprake: de uitlevering van drie Britse zakenbankiers aan Texas. Zij zouden hun werkgever, de Britse NatWest-bank, voor miljoenen hebben opgelicht. Daarbij hielden deze «masters of the universe» contact met een veroordeelde Enron-topman, reden genoeg voor de Amerikanen om op basis van het Uitleveringsverdrag 2003, opgesteld ten behoeve van terrorismebestrijding, te vragen om hun uitlevering.

Het speciale aan dit verdrag is niet alleen dat er geen bewijs hoeft te worden geleverd tijdens de uitleveringsprocedure, maar vooral dat de Amerikanen weigeren het te ratificeren. Dat laatste heeft te maken met het verzet van Iers-Amerikaanse politici die vrezen dat gevluchte ira-terroristen voor een Britse jury belanden. Voor Blair was de eenzijdigheid van de overeenkomst allerminst reden om de uitlevering tegen te houden, dit ondanks protest van liberalen, conservatieven, socialisten, juristen en met name zakenlieden. Wel heeft hij barones Scotland of Ashtal naar Washington gestuurd om aan te dringen op ratificatie. Bij haar vertrek beloofde deze onderminister van Justitie zich niet te gaan opstellen als Blairs buldog noch als Bush’ poedel. Van de edelvrouw is sedertdien niets meer vernomen.

PATRICK VAN IJZENDOORN

Homohaat

Letland, de middelste van de drie Baltische republieken en deel van Europa, is geen paradijs. Althans niet voor homoseksuelen.

RIGA – De rechter heeft gesproken: de gay parade van Riga zou een dusdanig gevaar voor de nationale veiligheid hebben gevormd dat een verbod meer dan gerechtvaardigd was. De voor afgelopen zaterdag geplande mars van homo’s en lesbo’s door het historische centrum van Letlands hoofdstad moest dus worden afgeblazen. Toch hing er zaterdag een grimmige sfeer in de stad. Kerkgangers werden bij het verlaten van een speciale Pride-dienst getrakteerd op een regen van eieren en menselijke uitwerpselen.

Aanvankelijk ondervond drijvende kracht Rigas Praids geen serieuze problemen. Maar op 19 juli sprak het gemeentebestuur van Riga zich opeens uit tegen de parade. De openbare orde was in het geding, aldus een woordvoerster. Ze verklaarde niet in details te kunnen treden, omdat de politie-informatie waarop de gemeente zich baseerde «vertrouwelijk» was. De minister van Binnenlandse Zaken zei tijdens een persconferentie dat oude vrouwtjes voornemens waren om vanuit het raam gloeiend heet water naar de passerende deelnemers te gooien. «De politie beschikt niet over veel mensen», voegde hij daaraan toe. Andere politici bezigden minder fijnzinnige taal. «Moeten we dan een compromis sluiten, zodat al die onverlaten, junkies en flikkers door onze straten kunnen marcheren?» tekende de krant Diena op uit de mond van een van hen.

Rigas Praids en de homo-organisaties Ilga-Latvija en Mozaïka stapten nog diezelfde dag naar de rechter. De zitting van het hof vond achter gesloten deuren plaats, omdat de zaak de «nationale veiligheid» raakte. «Moet je nagaan wat een gevaar wij vormen voor het land!» merkte voorzitter Strautii van Rigas Praids sarcastisch op. Hij mocht niet bij de uitspraak aanwezig zijn en het grootste deel van de jurisprudentie is tot staatsgeheim verklaard. Een schrale troost voor de drie groepen is dat zij zich in hun verzet gesteund wisten door niemand minder dan president Vike-Freiberga, die het weigeren van de vergunning «onacceptabel voor een democratisch land» noemde.

Vorig jaar juli trok de gemeente de vergunning voor de – eerste – homoparade in Riga ook al in, na weken van homofobe tirades. Premier Kalvitis zei het «een schande» te vinden dat «seksuele minderheden» langs de lutherse dom zouden trekken. Maar het hof gelastte toen dat de parade wél doorgang kon vinden. Kalvitis leidt de rechts-conservatieve Volkspartij, die reeds de nodige gay-vijandige wetgeving op haar conto heeft. In december 2005 nam het parlement met 73 tegen drie stemmen een wijziging van de grondwet aan die voorziet in een verbod op een huwelijk van mensen van het gelijke geslacht. En vorige maand tartte Letland de EU met zijn afwijzing van een verbod op discriminatie van homo’s op de werkvloer.

President Vike-Freiberga heeft het betreffende amendement weliswaar teruggestuurd, maar activist Strautii verzucht dat de Volkspartij en haar bondgenoten met het oog op de parlementsverkiezingen van 7 september niet zullen inbinden. De «Kaczynski-revolutie» in Polen werkt kennelijk stimulerend.

JEROEN BULT