Deze week

Week 36

Zo moeder, zo zoon
Mark Thatcher is vorige week in Kaapstad gearresteerd. Toeval?

De paradox van het thatcherisme ligt verborgen in de familie geschiedenis van Margaret. Waar vader Alfred een zuinige groenteboer was met een uit het methodisme ontsproten verantwoordelijkheidsgevoel, daar is zoon Mark zonder intellectuele, diplomatieke en boekhoudkundige kwaliteiten als internationaal zakenman multimiljonair geworden die altijd in de clinch ligt met de grenzen van de wet. Vorige week werd hij tijdens het klaarmaken van het ontbijt voor zijn vrouw en twee kinderen opgepakt in zijn neo tudoriaanse villa in Kaapstad. Volgens de Zuid-Afrikaanse overheid is de 51-jarige Thatcher als inves teerder en logistiek adviseur betrokken geweest bij de laatste mode in de internationale politiek: het omverwerpen van een dictator in een oliestaat, dit keer Equatoriaal Guinee waar Teodoro Obiang Nguema dit jaar zijn 25-jarige jubileum viert als dictator.

Dat de liefde tussen moeder en zoon groot is, is alom bekend. Van kleins af aan is tweelingzus Carol gehecht aan vader Denis (over wie ze als journaliste een biografie schreef), terwijl «Mark the Boy» een echt moederskind is. De enige keer dat de IJzeren Dame in het openbaar tranen moest laten, was toen Mark begin 1982 zes dagen zoek was in de Sahara tijdens de rally Parijs-Dakar. De hulp die François Mitterrand bood, zou een tijdelijke dooi betekenen in de kille Brits-Franse relaties. Ministers wisten altijd wanneer Mark op Downing Street logeerde: de premier was dan nerveus en niet alert. Andersom liet Mark iets van zijn nukkige gedrag varen wanneer moeder in de buurt was. Tijdens zijn bruiloft op Valentijnsdag 1987 met Diane Burgdorf, een strenggelovige dochter van een rijke tweedehands-autoverkoper uit Dallas, kon er pas een lachje af nadat zijn moeder hem daartoe had gemaand. Beroemd zou Thatchers koninklijke «We have become grandmother» worden nadat Diane was bevallen van Michael. Na haar vertrek als premier vroeg ze de koningin, denkend aan Mark, haar man in de adelstand te verheffen.

Op de kostschool Harrow – Thatcher had het niet op het establishment, maar voor zoon Mark weken de principes – verzamelde Mark meer denigrerende bijnamen dan goede cijfers. Een academische carrière was niet voor «Thickie Mork» weggelegd en zijn resultaten op een accountants opleiding waren zo mager dat hij bij Touche Rose weg moest.

Het ontbreken van een titel werd ruimschoots gecompenseerd door zijn achternaam. Als voormalig secretaris van Margaret Thatcher herinnert Times-commentator Matthew Parris zich dat Mark altijd een bijzondere interesse toonde in de contacten van zijn moeder. Het gebruik van briefpapier van 10 Downing Street leverde hem als bemiddelaar miljoenen op. Mark zou zich zelfs ontpoppen als een van de geestelijke vaders van de wapenhandel met het Midden-Oosten. Marks schaamteloze gepraat over geld maakte hem impopulair in aristocratische kringen. Na een bijeenkomst van de captains of industry op zijn kasteel noteert Thatchers handelsminister Alan Clark in zijn dagboek: «They were aimable, quiet-spoken, on good behaviour. Except for her son Mark (is he a ‹busi nessman›?) who kept muscling in on conversations, saying ‹something-something two million dollars› in Cor! Tones.»

Mede op verzoek van Thatchers adviseur Bernard Ingram verliet Mark het Verenigd Koninkrijk. In Dallas – waar hij een graag geziene gast was bij de Chambre of Commerce – kwam hij met zijn oliebedrijf in aanvaring met de belastingwetgeving. Toen zijn reputatie te slecht was geworden, vestigde hij zich in Zuid-Afrika. Daar werd zijn kredietbedrijfje voor onderbetaalde politieagenten een fiasco. Ook hier benutte «Mawk Scratcher» (een van zijn Harrow-bijnamen) zijn talent om goede vijanden en verkeerde vrienden te maken optimaal.

Tot de laatste categorie behoort zijn buurman, de ex-Etonian en paratrooper Simon Mann. Met een aantal huurlingen en volgens The Observer gesteund door Lord Jeffrey Archer of Weston-super-Mare – romancier, mein eed kundige en voormalig vice-president van de Conservatieve Partij – zou Mann «a very British coup» hebben willen plegen in Equatoriaal Guinee, van oudsher bekend als The White Man’s Graveyard. Volgens zijn woordvoerder Lord Tim Bell of Belgravia (eerder als mediagoeroe werkzaam voor Maggie) zou Mark, in middels vrij op borg, zich echter alleen hebben beziggehouden met zijn enige hobby naast rijk worden: fotograferen van giraffes, olifanten en hyena’s. En met rondscheuren in dure BMW’s.

PATRICK VAN IJZENDOORN

KPN: eerst een lijntje kopen, dan barsten

Ook bejaarden willen op internet. Providers vinden hen interessant als koper, niet als klant.

Op zondagmiddag 22 augus tus, ergens tussen twee en vier uur, viel de ADSL-internetverbinding uit. Mijn provider XS4ALL is opgericht in 1993 en is daarmee de eerste Nederlandse internetprovider voor particulieren. Met tweehonderdduizend abonnees heeft XS4ALL een marktaandeel van zes procent. Maar de helpdesk is op zondag niet bemand. Ik moest tot maandagmorgen wachten – de verbinding was toen nog niet hersteld – om na ruim een half uur een beleefde meneer aan de telefoon te krijgen die mij een advies gaf dat ik kende: op het «pictogram» van mijn browser 10.0.0.138 typen en op enter drukken. Ik had dat geleerd van mijn dertigjarige zoon, want wat doe je als je de tachtig gepasseerd bent en de in ongelukkig Nederlands gestelde gebruiksaanwijzingen niet kunt begrijpen. Dit is een generatieconflict dat nog wel een paar jaar zal duren. Hij zit in de «gamers business». Als hij met zijn medewerkers praat, spreken zij een dialect dat mij als rimram in de oren klinkt maar dat niet is. Daarom begrijpt hij de gebruiksaanwijzingen van XS4ALL, KPN en anderen wel en ik niet. Ik ben daar te dom voor. Ik zie het aan hun meewarige gezichten. Het probleem is dat er nogal wat domme oenen achter de computer zitten, eenvoudig omdat een werkend mens niet zonder het apparaat kan. Vervelend is dat de providers en verbonden telefoonmaatschappijen daar van maar al te vaak gebruik, zo niet misbruik, maken.

Wat was mijn fout? Dat bleek toen ik op maandagmiddag nog maar eens die «helpdesk» belde. Nu kwam er een stem uit een antwoordapparaat. Er was sprake van een storing in de databestanden van de provider, het zou allemaal «zo spoedig mogelijk» hersteld worden. En, o ja, de storing be streek het hele land. Het ging dus om tweehonderdduizend abonnees. Niet niks.

Na wat telefoontjes met andere slachtoffers in het land bleken de meesten net zo dom als ik. Het dialectisch taalgebruik dat KPN bezigt – bijvoorbeeld om klanten te interesseren voor het ADSL-wondertje – werpt vaak onoverkomelijke barrières op. «Ze maken me wijs dat ik dat kan», roept een gelukkig veel jongere collega, «maar ik kan het niet. Ik ben toch niet gek?» Nee, maar wel een domme oen.

Toen ik ADSL had besteld en dat snel was geleverd, kwam er een monteur van KPN om de verbinding te realiseren. Hij ontdekte iets merkwaardigs. Hij constateerde dat het grijze kastje dat op de hoek van de straat is geïnstalleerd door onbekenden was opengebroken en dat ik dus nooit verbinding zou kunnen krijgen. Wie zijn de schuldigen? Kwajongens? Ik was die monteur hoe dan ook dankbaar. En droomde dat KPN mij die maandagmiddag wel weer een monteur zou kunnen leveren. Fout!

«U bent maar een particulier», zegt een dame bij de helpdesk. «Bent u een bedrijf, dan staat de monteur misschien wel binnen een uur voor de deur.»

Waarom? «Een bedrijf moet veel meer betalen en is daarom aantrekkelijker», aldus de helpdesk van KPN. Het gaat om de centen.

FRISO ENDT

Weekboek Darfur (3): het gerucht regeert

Een hulpverlener doet verslag van zijn werk, maar wel anoniem. Het bewind van Soedan dwingt hem daartoe.

Het gonst van de geruchten. «Ik hoorde dat aan de rand van de stad vier mensen zijn neergeschoten», zegt een hulpverlener tijdens een briefing.

«Hoe weet je dat?» wordt er gevraagd.

Met overslaande stem: «Ik heb het zelf gehoord.»

«Wie heeft het je dan verteld?»

Er komt geen zinnig woord uit. Het is ook niet waar.

Waarom lopen er zoveel khawajas rond die proberen indruk te maken met schokkende beweringen? Het nieuwste gerucht is dat Osama bin Laden zich in het gebergte in West-Darfur zou bevinden en daar ontheemden uit Tsjaad rekruteert. Collega’s vertelden mij dat ze enkele weken geleden in Khartoem mensen een spandoek zagen ophangen met daarop in groen (de kleur van de islam) de oproep «Talib!» en in het blauw (de kleur van de VN): «Strijd tegen de Amerikaanse bezetters en tegen hun agenten!» Later werden in een moskee in Khartoem pamfletten uitgedeeld die in naam van het «Leger van Mohammed» opriepen in Darfur massagraven voor te bereiden. Misschien propaganda, maar de sfeer wordt grimmiger. Een hulpverlener vertelt dat hij uit verscheidene winkels is geweerd. Enkele vrouwelijke hulpverleners zijn op straat lastiggevallen terwijl werd geroepen: «Amerikanen ga naar huis!» De avondklok voor de hulpverleners is vervroegd.

De kloof tussen de hulpverleners en de bevolking is vaak groot. Het overgrote deel van de hulpverleners spreekt geen Arabisch, doet daartoe geen poging en beperkt het contact met de burgers tot een minimum. Ik vraag me af waar dat leger van Arabisten en hulpverleners met ervaring in islamitische landen is gebleven. Er zijn weliswaar collega’s die Arabisch spreken, maar het merendeel is een soort «super khawaja»: goedbedoelende vreemdelingen zonder taalkennis of inzicht in historie en cultuur. Laat staan dat die de nuances kennen, bijvoorbeeld dat nomadische stammen op kamelen zo oud als de geschiedenis zelf zijn. Dat gebrek aan kennis ontaardt al snel in verdenking van iedereen op een kameel. Zelfs de kamelen worden verdacht. «Janjaweed» wordt er op bezwerende toon over de beesten gezegd. En is het niet frappant dat op het populaire lucifermerk El Gamal (De Kameel) het silhouet staat van een bewapende nomade op een kameel, het icoon van de Janjaweed?

Maar de feiten dan? Onlangs zijn dorpen aangevallen in een simultane actie van vliegtuigen en cavalerie. In een dorp zijn volgens ooggetuigen zeven kinderen levend verbrand. Een man werd publiekelijk onthoofd en in zeven stukken gehakt. De hand van het leger lijkt duidelijk maar is moeilijk te bewijzen, net als het feit dat honderden Janjaweed inmiddels zijn opgenomen als Popular Defence Force en er nu gezamenlijk wordt gepatrouilleerd in Toyota Landcruisers met 0,5 kaliber machinegeweren op de laadbak. Honderden soldaten zijn onlangs naar Darfur gestuurd. Niemand weet wat hun opdracht is. Ook hierover dus geruchten. «Weet je dat het leger hier en daar Janjaweed in trainingskampen bij elkaar heeft gebracht?»

Daar weet ik niets van. Maar alles lijkt mogelijk. Een hulporganisatie heeft abusievelijk ontheemden van Arabische afkomst bijeengebracht in een kamp van niet-Arabische ontheemden. De laatsten meenden enkele misdadigers te herkennen. Het ont aardde in een oproer waarbij een Arabische ontheemde werd gestenigd, verminkt en vermoord. De autoriteiten verklaarden het kamp vervolgens drie dagen tot verboden gebied voor hulpverleners. Drie internationale en twee nationale stafleden werden bovendien opgepakt wegens laakbaar gedrag dat tot doodslag had geleid. «Er heeft hier een zware misdaad plaatsgevonden», dondert een lokale functionaris. «Hier moet het juridische apparaat van de staat zijn werk doen en dat valt buiten de internationale regelgeving.» De stafleden werden een dag later vrijgelaten, maar de stemming zat er goed in. Dat aan de doodslag de moord op 130.000 mensen (er zijn vele ongestaafde schattingen) voorafging, stond niet in de verklaring. Later werd bekend dat de politie in het kamp talloze bewoners van hun geld had beroofd en alle transistorradio’s en andere waardevolle spullen in beslag had genomen. Vrouwen die het traditionele amulet droegen (een doosje met een spreuk uit de koran) moesten dat inleveren.

ANONIEM

Hans Vonk (1942-2004)

Zijn dood was tragisch. Hans Vonk werd lamgelegd door de ziekte die hem lang geleden ook al velde, toen nog tijdelijk. In 1988 lag hij maandenlang verlamd in bed met het syndroom van Guillain-Barré, een zenuwaandoening die maakt dat de patiënt zich niet of nauwelijks kan bewegen. Zijn comeback bleek van korte duur. In 2002 speelde de kwaal weer op. «Vermoedelijk tijdelijk», zei hij. Vonk liep als een oude man, voetje voor voetje. «Een rotstreek», noemde hij zijn kwaal. «Twee keer. En dan zo’n bizarre ziekte, die één op de zeshonderdduizend mensen krijgt.»

Die bizarre ziekte bepaalde vanaf dat moment Vonks doen en laten. In 2002 nam hij na zes seizoenen om gezondheidsredenen afscheid van het symfonieorkest van Saint Louis. In Nederland streek hij neer als chef van het Radio Symfonie orkest (RSO), waar hij in alle rust nog een paar mooie thuiswedstrijden uit kon spelen. Hij werd ook vaste gastdirigent van het Nederlands Kamerorkest. Het hielp allemaal niets. Steeds vaker moest Vonk zittend dirigeren; toen ook dat niet meer ging, begon een jaar of twee geleden al het grote afzeggen. Ten slotte werd besloten dat hij niet meer in het openbaar zou optreden maar met het RSO nog wel cd’s zou opnemen. Vorig jaar juni legde hij op televisie uit hoe hij in waardigheid de tering naar de nering dacht te zetten: «Ik ga mezelf niet te schande maken. Ik ben verslaafd aan muziek, niet aan diri geren.»

Het slotakkoord was zuur. Ook het RSO werd begin dit jaar opeens met opheffing bedreigd. Blijkbaar had in Hilversum niemand het nodig gevonden daarover vooraf in conclaaf te treden met chef-dirigent Vonk, ziek maar officieel nog steeds in functie. In een razende brief aan het Muziekcentrum van de Omroep luchtte hij zijn woede. Dachten ze soms dat hij gek geworden was? «Zelfs tijdens mijn vijf jarig verblijf in de voormalige DDR heb ik nooit een dergelijke bruuske schoffering van mijn autoriteit meegemaakt.» Eerst jaagt het lot je van de bühne en vervolgens wordt je huisorkest over de kling gejaagd.

Een troost is dat zijn laatste jaren op het podium niet onopgemerkt zijn gebleven. Niet dat hij na zijn wonderbaarlijke genezing zo veel beter dirigeerde dan daarvoor, al zijn er altijd wel romantici die menen dat een kwaaie ziekte op een kunstenaar een louterende werking heeft. Maar misschien dat sommigen opeens wat scherper hoorden wat Vonk kon.

Hij was moeilijk trots. In het voornemen zich in Saint Louis als maestro aan te laten spreken, zal bij Vonk de wens misschien de vader zijn geweest van de gedachte. Hij had niet het extraverte, kosmopolitische charisma dat van mensen sterren maakt. Vonk deelde de handicap met Eduard van Beinum, die net als Vonk grote internationale erkenning vond en zich toch moeilijk onder de schaduw van zijn voorganger Willem Mengelberg uit kon werken.

Niettemin was Vonk een van de grootste dirigenten die dit land gekend heeft. Hij begreep iets van Schumann. Zijn uitvoering van Schönbergs orkeststuk Pelléas und Mélisande zal ik nooit vergeten. Zijn Bruckner was, zoals bij alle grote Brucknerdirigenten, een categorie apart. Ook Haitink, die de naam heeft, maakte als Brucknerdirigent zelden zo’n indruk op me als de Vonk die hier op eigen bodem twee keer de perfecte Achtste symfonie dirigeerde: scherp getekend, diep, doordacht in letterlijke zin, een aan de tijd ontrukt proces waarin de vele stemmen streng welluidend steeds tezamen hun gevleugelde betekenis verkenden. Vonk had hersens en een muzikaal instinct dat altijd kookte.

Maar er was altijd wat. Verhoudingen met orkesten waren problematisch. Tegen musici kon Vonk sardonisch zijn (tegen een falend roedel houtblazers: «Kunt u mij vertellen wat hier moeilijk aan is?»). Hij haatte routiniers, verfoeide de cao-mentaliteit van muzikanten die niet trots zijn dat ze in een symfonie van Bruckner nederig de begeleidende partijen mogen spelen. Daarbij had Vonk ook andere frustraties die hij moeilijk voor zich wist te houden. Hij mocht het als oud-chef van de Staatskapelle Dresden, het WDR-orkest in Keulen en de Saint Louis Symphony objectief bezien dan ver hebben geschopt, hij mocht bij vlagen hebben ingezien dat The New York Philharmonic en het Boston Sym phony je vast niet uit beleefdheid zullen vragen, toch vond Vonk dat hem de hoogste eer onthouden bleef. Het levenslang geïdealiseerde kroonjuweel, het Koninklijk Concertgebouworkest, werd nooit het zijne. Hij vond dat hij voor dat orkest geboren was.

En dan de critici, die dom over hem schreven. Hij kon het niet velen. Die recensenten! Waarom schreven ze zo? Kon ik hem dat uitleggen? Ik zei: trek het u niet aan. U vaart uw koers en zij de hunne, soit. Ze zijn toch ook vaak aardig? Ze prijzen uw Bruckner! Dan lachte hij, tot via het Concertgebouw de zaak Chailly ter tafel kwam. Wat had Chailly bij het Concert gebouworkest te zoeken? In gesprek nam het gesteek onder de gordel soms geen einde.

Vonk had de kwetsbaarheid van mensen die te vaak alleen zijn, en daardoor soms gaan denken dat de hele wereld samenspant om hen ten val te brengen. Maar hij had grandeur. Hij liet zich interviewen in de wetenschap dat je de vreselijkste dingen had geschreven over Vonk-concerten die je als mislukt beschouwde. Zijn redenering was: een criticus is als een vreemdeling die je op straat zomaar een klap geeft met het argument dat je hem had verdiend. Dan wil je graag de reden weten en dat gaat niet zonder kennismaking.

In modern jargon heet het dan dat je «je kwetsbaar opstelt». Maar je moet juist sterk zijn om dat te kunnen, sterk genoeg om niet te kunnen liegen. Omdat ook in muziek de vorm de vent is, hoorde je dat in zijn Bruckners terug. Ze waren groots en levenskrachtig, net als hij.

BAS VAN PUTTEN