Deze Week

Week 38

Als Clinton spreekt gaat het niet goed met Bush

Een dag na de dijkbreuk in New Orleans hield president Bush een persconferentie. Om het land gerust te stellen.

WASHINGTON – Bush had daarvoor ook oud-president Clinton opgetrommeld, die met zijn bekende, geruststellende glimlach pal achter hem stond. Clinton, president nummer 42, schaarde zich naast nummer 41, vader Bush met wie hij miljoenen ophaalde voor de tsunami-slachtoffers in Azië. In middels spannen ze zich in voor de slachtoffers van Katrina. Hun «Bush-Clinton Katrina Fund» heeft al meer dan honderd miljoen dollar in kas.

Clinton hield afgelopen week genoeg tijd over om een eigen conferentie in het Sheraton van New York te beleggen, kort voor de zestigste algemene vergadering van de VN. Tony Blair en zelfs Condoleezza Rice kwamen langs. Terwijl zijn vrouw Hillary nog gewoon met beide benen door de politieke modder waadt, zoals het een senator van de oppositie be taamt, lijkt Bill zijn vizier louter te hebben gericht op de grote lijnen: armoedebestrijding, wereldvrede, broeikaseffect. Tijdens de laatste grote verkiezingscampagne waarbij hij was betrokken, zei hij zelfs met zijn typische, schorre en zuidelijke lach: «Het lijkt wel of ik de enige in het land ben die beide mannen bewondert.» Om vervolgens een stemadvies voor Kerry te geven.

Maar dit weekeinde was het dan toch eindelijk raak. Bill Clinton haalde ouderwets uit naar de huidige, Republikeinse machthebbers en hun president. In het ABC-programma This Week zei hij: «Een noodplan is nooit goed als het alleen de middenklasse en alles daarboven helpt.» Ook benadrukte hij dat de onderklasse van Amerika het beter had toen hij het land regeerde: «Het is een kwestie van overheidsbeleid. En of het nu rassen-gerelateerd is of niet, als je de rijken belastingverlaging geeft en hoopt dat alles dan wel goed komt, en de armoede stijgt disproportioneel en treft vooral zwarte en bruine mensen, dan is dat een consequentie van je handelen. Wat ze nu doen, deden ze ook in de jaren tachtig. Daar tussenin voerden wij een ander beleid.» Hij prees zijn eigen FEMA-directeur James Lee Witt, die de noden van de slachtoffers beter zou begrijpen dan de huidige FEMA-top, omdat hij «net als ik uit een omgeving komt met een onevenredig groot aantal arme mensen».

Clintons kritiek komt voor Bush nog eens boven op het gemor van zijn partijgenoten in het congres. Afgelopen vrijdag beloofde Bush zoveel overheidsgeld uit te geven als nodig is om New Orleans en de regio er bovenop te helpen, waarop fiscaal-conservatieve Republikeinen openlijk in de aanval gingen. Louisiana is een notoire corrupte staat. Een open-einde-regeling is volgens hen vragen om moeilijkheden. Bo vendien was er in de laatste maanden voor het eerst sprake van een daling van het begrotings tekort. Door de aanhoudend hoge economische groei stegen de be lastingopbrengsten. De nieuwe uit gaven zullen die daling tenietdoen. De Katrina-meter staat inmiddels al op tachtig miljard. En dat is nog maar het begin.

Voor een president die kordaat optreden en krachtig leiderschap inzet maakte van zijn herverkiezingscampagne zijn dit moeilijke dagen. Terwijl het Witte Huis er alles aan doet om zijn imago weer op te poetsen, raakt de president zelf nu ook verzeild in kleine, stuntelige pr-drama’s. Tijdens de algemene vergadering van de VN in New York, met 150 staatshoof den present, schreef Bush een korte notitie voor zijn minister van Buitenlandse Zaken. Een fotograaf fotografeerde hem van achteren, waardoor leesbaar werd wat hij haar vroeg: «I think I may need a bathroom break? Is this possible?» Het kan iedereen over komen. Bovendien kan Rice vast beter inschatten of de president op dat moment de zaal met goed fatsoen kon verlaten. Toch doet het Bush geen goed. Daarvoor vloekt de tekst te zeer met de vermeende do-it-alone-mentality van de Texaanse cowboy die de Heartland-Republikeinen zo graag in hem zien.

PIETER VAN OS

De NS kijken terug

«Vroeger vertrok hier de trein naar Auschwitz. Wanneer wordt de wereld wijzer?»

Deze tekst staat op een nieuwe poster die vanaf 29 september op 66 stations van de Nederlandse Spoorwegen hangt. Waar men nu van huis naar werk reist, werd de trein indertijd ingezet voor transport naar doorgangs- en concentratiekampen. Vanaf het Amsterdamse Muiderpoortstation, waar de campagne begint, werden tussen oktober 1942 en mei 1944 bijvoorbeeld elfduizend joden op transport gezet. Het Centraal Joods Overleg en de NS hebben samen een campagne. Zij willen het verleden naar het heden halen om te benadrukken dat het be strijden van haat en onverdraagzaamheid een blijvende noodzaak is.

De NS hebben nooit excuses aangeboden voor de collaboratie en willen dat (nog) niet doen. Men wil alleen stilstaan bij de minder fraaie rol die de spoorwegen in de oorlog speelden. Dat is een grote stap als men bedenkt dat de NS daarop nooit hebben willen ingaan. David Barnouw van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie: «Het is zeker bijzonder dat de NS deze campagne beginnen. Zij hebben in hun geschiedschrijving tot nu toe vooral de nadruk gelegd op de spoorwegstaking van 1944-1945. Zo konden ze net doen alsof de NS bestond uit verzetshelden. Tien jaar geleden hoorde je van de NS-bazen nog de mening dat de NS in de oorlog een goede keuze hadden gemaakt omdat, als zij in verzet waren gekomen, de hele spoor wegen in handen van de Duitsers waren gekomen. Toen zag men de NS nog als één grote familie die in bescherming genomen moest worden. Ik denk dat er nu een nieuwe generatie bij de NS aan de macht is.»

Na deze stap van de NS is het wachten op vergelijkbare campagnes van Daf of Philips.

FENNEKE SYSLING

De samenzwering

Simon Wiesenthal (1908-2005)

De hoeveelheid bagger die in de loop der jaren over het hoofd van Simon Wiesenthal is gestort, staat in gelijke mate met zijn verdiensten. Hij is een «joods fascist» genoemd, «een egomaniakale verspreider van valse geruchten» en «iemand die de overlevenden van de massamoord op de joden jarenlang heeft bedrogen». De stroom verdachtmakingen begon medio jaren zeventig, toen Wiesenthal zich de haat van heel Oostenrijk op de hals haalde met zijn onthulling dat vier leden van het kabinet van kanselier Kreisky lid van de NSDAP waren geweest, en vond zijn hoogtepunt in 1996, het jaar dat de Duitse tv-zender ARD met de «onthulling» kwam dat Wiesenthal al zijn verdiensten als «nazi-jager» bij elkaar had gelogen en hem kwalificeerde als «eerder een praatjesmaker dan een held».

De motieven van deze permanente lastercampagne werden al in 1976 ontrafeld door Martin van Amerongen in zijn boek De sa menzwering tegen Simon Wiesen thal. Het probleem van Wiesenthal was dat hij voor iedereen een lastpak was. Niet alleen voor de duizenden moordenaars die hij op de hielen zat in hun Beierse dan wel Zuid-Amerikaanse ballingsoorden, maar voor al degenen die na het einde van de Tweede Wereldoorlog de moord op zes miljoen joden zo snel mogelijk wilden vergeten om over te kunnen gaan tot de nieuwe dag. En dat was na 1945 zo’n beetje iedereen.

Later kwam Wiesenthal in aanvaring met degenen die de holocaust voor zichzelf en hun politieke doeleinden wilden opeisen. Zoals Martin van Amerongen in 1996 schreef in De Groene Amsterdammer, als reactie op de aanval van de ARD: «Het was pure wraak, ten eerste van de Israëlische geheime dienst, die Wiesenthal altijd een lastpak vond, ten tweede van een gezelschap joods-Amerikaanse heethoofden, die Wiesenthal nooit hebben vergeven dat hij in de ‹affaire-Waldheim› geen politiek correct standpunt innam. Dat luidde toentertijd: Waldheim moordenaar! Wiesenthal heeft echter van begin af aan gezegd: Waldheim is ongetwijfeld een leugenaar, maar dat maakt hem nog niet tot een oorlogsmisdadiger, althans niet voor dat dit is bewezen. Dus werd er (op Wiesenthals initiatief) een commissie geïnstalleerd die in derdaad tot de conclusie kwam: Waldheim is slordig met de waarheid omgesprongen, maar er zijn geen aanwijzingen dat hij mensenlevens op zijn geweten zou hebben. Deze conclusie beviel die Amerikanen allerminst – en Wiesenthal krijgt hiervoor nu de rekening gepresenteerd.»

Wiesenthal fungeerde als stoor zender van de collectieve wil tot zwijgen. Datgene wat vandaag de dag smalend de «holocaust-industrie» wordt genoemd, was in de tijd dat Wiesenthal met zijn navorsingen begon zeker geen vanzelfsprekendheid. Het was roeien tegen de stroom in, een solitaire missie in naam van de doden. Geen enkele regering ter wereld – ook niet die van Israël – liep warm voor Wiesenthals on vermoeibare speurwerk. Ieder land had op eigen manier iets te vrezen van deze arbeid. Zo werd de jager zelf tot jachtobject.

Wiesenthal leek zich nooit veel aan te trekken van de kritiek. Hij wist van tevoren dat hij zich niet populair zou maken en aanvaardde alle verdachtmakingen aan zijn adres met een mengeling van ironie en melancholie, zo kenmerkend voor de «Wiener» die hij in hart en ziel was. Voor de rest hoefde hij aan niemand verantwoording af te leggen, behalve aan degenen voor wie hij zijn missie uitvoerde. Tijdens de oorlog was hij als joodse Oostenrijker tot drie keer toe als door een wonder ontsnapt aan executie. Het be zorgde hem een schuldgevoel dat alleen kon worden ingelost door de ontrafeling van het verleden en het zichtbaar maken van de beulen. Zoals Wiesenthal het zelf uitdrukte in een van de laatste interviews die hij gaf: «Als we doodgaan en in het hiernamaals de slachtoffers van de nazi’s tegenkomen, zullen ze vragen: wat heb je gedaan? De een zal zeggen: ik heb bier verkocht. De ander zal zeggen: ik heb Amerikaanse sigaretten gesmokkeld. Ik wil kunnen zeggen: ik heb aan jou gedacht.»

RENÉ ZWAAP

Alcoholitis

De overwinning op Australië werd op passende wijze gevierd. De «derde inning», zoals het pilsje na afloop van een cricketwedstrijd bekend staat, duurde anderhalf etmaal.

LONDEN – In The Sun werd de drankrekening van een kleine duizend pond per uur op deskundige wijze geanalyseerd. Het eerbetoon aan Bacchus dreigde even te worden onderbroken door een bezoek aan Downing Street, maar ook hier toonde sterspeler Freddy Flintoff zich de reddende engel door ongevraagd een fles wijn uit de koelkast van de Blairs te graaien. Dat er geen warm ale voorhanden was, verbaasde niemand. Een van de grootste uitdagingen van de premier is het beëindigen van de Britse zuipcultuur.

Blair, ooit in Parijs werkzaam als barman, wil zijn volk kennis laten maken met de continentale cafécultuur, waar mensen rustig aan een wijntje nippen en vervolgens kalm huiswaarts keren. Vanaf november mogen pubs open zijn wanneer ze willen, hetgeen een einde zal betekenen van de landelijke sluitingstijd, die sinds de Eerste Wereldoorlog op elf uur ligt. De regering hoopt dat de pubbezoekers in ieder geval ophouden met het obsessieve «binge-drinking» en indien mogelijk de houding aannemen van de Franse alcoholliefhebber, die on der een waarschuwingsbordje met de mededeling dat alcohol langzaam doodt «Geeft niets, we hebben geen haast» had gekrabbeld.

Hoewel de Engelsen al dertien eeuwen een speciale verhouding koesteren met alcohol hebben ze nooit fatsoenlijk leren drinken. Waar drinken op het continent een deel is van een sociale gebeurtenis, is het voor de eilandbewoners een doel op zich. Als er geen reden voor «getting wasted» of «rat-arsed» is, dan wordt deze ter plaatse bedacht, schrijft de antropologe Kate Fox in Watching the English, variërend van de verjaardag van een teddybeer tot de viering van de eerste vrijdag van de week. De prestatiemaatschappij zet zich onverminderd voort in de klasseloze zuipfabrieken met namen als The Prince of Wales, The Crown & Greyhound en The Red Rose.

In Othello laat William Shakespeare, wiens rivaal Christopher Marlowe werd gedood bij een kroeggevecht, Iago het volgende zeggen: «He drinks you, with facility, your Dane dead drunk; he sweats not to overthrow your Almain; he gives your Hollander a vomit, ere the next pottle can be filled.» Fjodor Dostojevski, toch wat gewend in Rusland, werd depressief bij de aanblik van Engelsen die in rap tempo en vreugdeloos zopen.

In 1915 mopperde de toenmalige minister van Financiën David Lloyd George dat drank meer schade aanricht dan Duitse on der zeeërs. Geen wonder dat de Engelsen inmiddels meer woorden hebben voor dronkenschap dan eskimo’s voor sneeuw. De jeneverwet uit 1736, die bijdroeg aan de populariteit van bier, was de eerste van een reeks overheidsmaatregelen die het drankgebruik moesten intomen. Veel hebben de wetten niet geholpen, of het moet zijn dat niet alleen arme sloebers hun ellende wegdrinken, maar ook leden van andere klassen. Artsen, geestelijken, de politie en alcohologen geloven echter dat de kroegtijgers door de nieuwe wetgeving niet zozeer langzamer als wel langer gaan drinken. Omwonenden van kroegen zijn al druk met het indienen van be zwaarschriften om slapeloze nach ten te voorkomen. Onder hen het Labour-kamerlid Hywel Francis, die in de deftige Londense wijk Pimlico naast de stamkroeg van beoogd Tory-leider David Davis woont. In het Lagerhuis had Francis overigens voor de nieuwe wet gestemd.

PATRICK VAN IJZENDOORN

Een drukke agenda

November wordt een drukke maand voor president Poetin.

Begin november komt Vladimir Poetin deo volente naar Nederland. Tegelijkertijd maken twee belangrijke regio’s zich op voor verkiezingen.

Op 6 november zijn er parlementsverkiezingen in Azerbei dzjan, een olierijke republiek aan de Kaspische zee die wordt geregeerd door de zoon van de communistische clanleider Alijev, die nooit van wijken wist. De Amerikaanse firma PA Consulting Group gaat de eerlijkheid van deze verkiezingen toetsen. Ook de Europese Unie stuurt waar nemers. De uitslag van die schaduwcontrole staat op voorhand vast. Er zal met het tellen van de stemmen worden geknoeid. Alijev junior kan zich geen nederlaag permitteren maar heeft geen middelen om anderszins aan de macht te blijven. Of de Azeri dan het voorbeeld van Georgiërs en Oekraïeners zullen volgen, staat niet vast. Want in Tbilisi zijn de eerste demonstraties tegen president Saakasjvili al gesignaleerd. In Kiev heeft president Joesjtsjenko de politiek in een crisis gestort. Deze week is het parlement in de aanval ge gaan. Het heeft zijn nieuwe premier afgewezen. Ook zonder in terventie van Poetin maken ze er een bende van.

In Moskou kan hij niet zo veel distantie veroorloven. Begin de cember gaat het universiteitsdistrict er naar de stembus voor een vacante plaats in het parlement. Vlak voor zijn vertrek naar Nederland sluit de inschrijving voor de kandidaten. Een van hen: de gedetineerde magnaat Michail Chodorkovsky. Hebben gevangenen in Rusland dan passief kiesrecht? Ja en nee. Zolang ze niet definitief zijn afgestraft, mag elke bajesklant zich kandideren. Volgens een betrouwbare peiling kan Chodorkovsky rekenen op bijna dertig procent. Daarmee heeft hij een halve voet tussen de deur. Als er geen grote naam te gen hem wordt ingezet, kan dat een hele voet worden.

Het Kremlin zint nu op een eenvoudiger methode om dit scenario te voorkomen: het hoger beroep van Chodorkovsky zo snel afhandelen dat hij voor 29 oktober wel is afgestraft en zich conform de wet niet kan registreren. De verkiezingen in het district worden komende maand dus uitgevochten door mensen die zelf aan die Lomonosov-universiteit hebben gestudeerd.

HUBERT SMEETS