Deze week

Week 41

Klimaat

Net nu de Russen hebben toegezegd «Kyoto» te ratificeren, dreigt het klimaatverdrag weer onderuitgehaald te worden.

Ditmaal is de schuldige geen isolationistische wereldleider maar een Nederlandse moleculair-geneticus. Arthur Rörsch, tot aan zijn emeritaat hoogleraar aan de medische faculteit in Leiden en bestuurslid bij TNO, publiceert binnenkort met twee collega’s in het tijdschrift Energy and Environment een working paper over de veronderstelde samenhang tussen klimaatverandering en koolzuurgas in onze atmosfeer.

Die samenhang is er inderdaad, aldus de auteurs, maar hij is van andere aard dan driekwart van de mensheid tegenwoordig aanneemt op gezag van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) van de Verenigde Naties, ’s werelds grootste klimatologische denktank. Zoals bekend is koolzuurgas een van de natuurlijke «broeikasgassen» die ervoor zorgen dat er voldoende zonnewarmte in de atmosfeer wordt vastgehouden om het leven op aarde mogelijk te maken. Het IPCC stelde in 2001 in een Assessment Report dat de uitstoot van koolzuurgas leidt tot opwarming van de atmosfeer. Hoofdschuldige is de verbranding van fossiele brandstoffen in de industrie.

De beschikbare meetgegevens bewijzen volgens het IPCC dat de mondiale oppervlaktetemperatuur in de afgelopen 140 jaar met gemiddeld 0,2 procent is gestegen. Aangezien die periode samenvalt met een wereldwijde industrialisatiegolf, resulterend in een toenemende koolzuur emissie, ligt de conclusie voor de hand dat de mens ervoor verantwoordelijk is dat meer warmte in de atmosfeer wordt vastgehouden. Volgens het Assessment Report zal de gemiddelde oppervlaktetemperatuur van de aarde bij ongewijzigd beleid in de komende honderd jaar tussen 1,4 en 5,8 graden Celsius stijgen. De pleit bezorgers van «Kyoto» onderbouwen hun standpunt steevast door te verwijzen naar het IPCC-rapport, maar lang niet alle wetenschappers zijn hier gelukkig mee. Het Heidelberg Appeal, opgesteld in 1992 en ondertekend door vierduizend wetenschappers uit meer dan honderd landen, spreekt van een «irrationele ideologie» die de economische en sociale ontplooiing van de mens belemmert.

Het opmerkelijke van het paper van Rörsch cum suis is dat daarin de IPCC-redenering op zijn kop wordt gezet. Als de beschikbare meetresultaten van de afgelopen honderd jaar één conclusie toelaten, dan moet die luiden dat de toename van koolzuurgas in de atmosfeer is gevolgd op een temperatuurstijging als gevolg van verhoogde zonactiviteit. Bovendien heeft de menselijke uitstoot van koolzuurgas door de verbranding van fossiele brandstoffen slechts een incidenteel, plaatselijk effect op de hoeveelheid koolzuurgas in de atmosfeer. Die menselijke emissie is toch al niet groot: volgens gegevens van het IPCC bedraagt hij minder dan vijf procent van de natuurlijke koolzuurproductie van de aarde.

Deze omkering van oorzaak en gevolg verklaart wellicht een aantal ongerijmdheden in de IPCC-rapportage. De voornaamste ongerijmdheid is het verschijnsel dat de mondiale oppervlaktetemperatuur uitgerekend is gedaald in de periode 1940-1975 toen de industrialisatie zijn hoogste vlucht nam. Een tweede ongerijmdheid is dat de gemeten stijgingen van het koolzuurgehalte van de atmosfeer doorgaans volgden op de gemeten temperatuurstijgingen, terwijl je op grond van de «menselijke schuld» het omgekeerde zou verwachten. Rörsch suggereert alternatieve verklaringen. Het is mogelijk dat een hogere temperatuur van de atmosfeer leidt tot snellere rotting van planten, met als gevolg een hogere natuurlijke koolzuuremissie.

Impliciet is het artikel ook een oproep tot hernieuwd onderzoek. Onder klimaatwetenschappers is de bereidheid daartoe echter klein. Over dat verschijnsel wil Rörsch zich binnenkort buigen in een afzonderlijke publicatie. Rörsch: «Bij TNO heb ik me beziggehouden met de valkuilen van statistisch onderzoek, in het bijzonder statistische correlaties. Als je zou willen, kun je daarmee naar believen bewijzen dat het eten van spruitjes kanker veroorzaakt of juist geneest. Gelijksoortige drogredeneringen kom ik in het huidige klimaatdebat weer tegen. Sinds mijn pensionering houd ik me ook bezig met het bredere vraagstuk van wetenschappelijke integriteit. Het is meer dan eens voorgekomen dat nieuwe inzichten niet doorbraken omdat het wetenschappelijke establishment er een stokje voor stak. Dat is volgens mij ook precies wat er schort aan het klimaatdebat. Zowel alternatieve verklaringen als de wetenschappers die ermee op de proppen komen worden al te vaak van de discussie uitgesloten.»

AART BROUWER

10 + 11 Downing Street

Tony Blair wil nog vijf jaar premier blijven. Gordon Brown heeft er weer een probleem bij.

LONDEN – In de ambtswoning van de Britse minister van Finan ciën Gordon Brown werd onlangs het boek Change the World for A Fiver gepresenteerd. Onder het motto «Je bent wat je doet» krijgt de lezer daarin voor vijf pond onder meer het advies om de thermostaat een graadje warmer te zetten, met zoonlief een moestuin te onderhouden en (terug) te lachen naar de medemens, om te beginnen de buren. Dat laatste zal de bewoner van 11 Downing Street moeilijk afgaan nadat buurman Tony Blair, ondanks hartproblemen, heeft aangekondigd om zeker tot 2009 te willen aanblijven als premier. Brown lijkt te kunnen worden bijgeschreven in het rijtje «beste premiers die het land nooit heeft gehad».

Niet alleen tijdens het beroemde overleg in restaurant Granita, tien jaar geleden, maar ook vorig jaar nog in het niet minder elegante Admirality Arch zou Blair in ruil voor loyaliteit hebben be loofd rond deze tijd de fakkel over te dragen. De opvolging is al jaren bron van inspiratie voor televisiemakers (Friends and Neighbours van Michael Cockerell), pop artiesten (Bono vergeleek het duo met Lennon en McCartney, waarna de discussie losbrandde wie Lennon mocht zijn) en reclamejongens. («Gordon Brown wants the top job – here’s yours», adverteert GovNet Communications).

Blair, die het bestaan van pacten onlangs ontkende, begon zich steeds meer te ergeren aan de speculaties. En aan Brown. In het boek Off Whitehall schrijft Derek Scott, voormalig economisch regeringsadviseur, dat Brown zijn baas regelmatig in het ongewisse liet over zijn economische beleid. «Give us a hint, Gordon…» zou Blair in 1998 hebben gesmeekt aan de vooravond van de begrotings presentatie. Meer recentelijk nodigde Blair zijn buurman uit hem bij te praten over de fiscale lokkertjes voor gezinnen. «Can I ask you a question?» begon Blair optimistisch. «No», luidde het antwoord van Brown. Op economisch gebied had de Chancellor geen kind aan Blair, wat cijfers betreft de minst begaafde premier sinds Alec Douglas Home, die het volk begin jaren zestig trots uitlegde dat hij de macro-economische geheimen door middel van luciferhoutjes placht te ontrafelen.

Gesterkt door de Irak-rapporten en geïrriteerd door Browns vermeende rol bij de rebellie rond de studiegelden startte Blair afgelopen zomer een tegenoffensief. Boezemvriend Peter Mandelson ging naar Brussel, Alastair Campbell is weer in de gratie en oer-blairite Alan Milburn keerde na een sabbatical terug als Chancellor for the Duchy of Lancaster, een functie zonder departement, maar wel een kantoor op Downing Street. Tevens volgt hij Brown op als campagneleider. Tijdens Browns afwezigheid bij een kabinetsvergadering – zijn moeder lag op sterven – kondigde Milburn aan dat niet de economie maar een post-thatcheriaans onderwijs- en zorgbeleid centraal moet te staan. Brown, die Milburn als minister van Volksgezondheid er al eens van beschuldigde zijn begroting te hebben «verneukt», explodeerde.

Dit personeelsbeleid bleek de opmaat voor nog slechtere tijding: terwijl Brown bij de G7 in Washington zat, ontvouwde Blair zijn plannen. Zijn opmerking «In 2009 is Gordon 59 en er zijn premiers geweest die ouder waren» leek meer op een nagel aan de doodskist dan een hart onder de riem. Nu de minder populaire kanten van zijn versluierd-keynes iaanse beleid zichtbaar worden – de staatsschuld loopt op , de pensioenen lopen gevaar – worden de kansen van Brown kleiner. De Daily Telegraph concludeerde: «Middle England may not trust Blair, but it fears Brown.»

PATRICK VAN IJZENDOORN

Ongesluierde colleges

De Vrije Universiteit wil kledingvoorschriften instellen.

Mag je als student naakt lopen, of juist totaal bedekt? Hierover vond deze week een debat plaats onder leiding van historicus James Kennedy in een collegezaal van de VU. Directe aanleiding was een brief van het College van Bestuur. Daarin worden bindende kledingvoorschriften aangekondigd met als doel «de onderlinge manier van communicatie, zoals die in onze westerse cultuur normaal wordt beschouwd, in stand te houden». De formulering «onze westerse cultuur» werkte als een rode lap op een stier. Twee rechtsgeleerden schreven dat de VU een deel van de studenten kennelijk niet als volwaardig lid van onze Nederlandse cultuur beschouwt.

Ongeveer een vijfde van de aanwezigen in de collegezaal is moslim, te zien aan de meisjes in gitzwarte kledij met hoofd-, kin- en halsbedekking en de vele «gewone» hoofddoeken. Dat jongens moslim zijn, wordt duidelijk door hun felle betogen. Ze eisen respect, «want we zijn toevallig met een miljoen in dit land». Ze gebruiken te kust en te keur «wij» en «jullie». Als niet-moslims deze termen in de mond nemen, stuit dat op weerstand.

Op de Universiteit van Leiden zijn zonder weerstand kledingvoorschriften doorgevoerd. Wellicht omdat het neutraler is geformuleerd («een verbod op het dragen van attributen die non-verbale communicatie in de weg staan»). Maar velen vinden dat je bij de VU als voormalige emancipatiezuil van de gereformeerden een grotere tolerantie mag verwachten ten aanzien van andere religies. De discussie verzandt al gauw in een vergelijking tussen zonnebrillen, caps, hoofddoeken, burka’s en Lonsdale-truien. Over de vraag welke westerse normen in het gedrang komen, wordt met geen woord gerept.

Alleen Fouad Laroui, docent aan het Instituut voor Milieuvraagstukken, spreekt zich uit. De Marokkaanse wis- en natuurkundige: «Ik vind die brief prima; het is preventief beleid. De burka is in één woord verschrikkelijk. Je weet niet eens of je tegen een man of een vrouw spreekt. Van deze discussie word ik diep bedroefd. In Marokko zijn gezichtssluiers geen thema, omdat ze er niet zijn. In Parijs streed ik ooit voor het gedachtegoed van Che Guevara en vrouwenemancipatie. Het is alsof de tijd hier wordt teruggedraaid. Weten jullie waarom ik zo gevoelig ben voor dit onderwerp? Omdat jullie niet doorhebben dat wahabisten uit Saoedi-Arabië bezig zijn de gematigde islam in Nederland over te nemen door hun oliedollars in de moskeeën te pompen.»

Tegen de zaal roept Laroui: «Wie er voor de burka is moet nú opstaan.» Niemand staat op.

Het College van Bestuur heeft de brief inmiddels aangepast.

MARGREET FOGTELOO

Wat de brandweer wil

De brandweer doet solidair. Maar het gaat om iets anders.

Bij de Marnixkazerne in Amsterdam verzamelen zich brandweerlieden uit het hele land voor de demonstratie. Doorgroefde bruine koppen, rode bretels.

Voor hen is het flo (functioneel leeftijdsontslag) van het hoogste belang. Sinds de jaren zestig kan de brandweerman op zijn 55ste stoppen: hij krijgt tachtig procent van zijn laatstverdiende loon tot hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt heeft. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten wil deze regeling afschaffen. De werkzaamheden zijn fysiek minder zwaar geworden. Men wil een meer individuele regeling. Zo zouden leidinggevenden tot hun 65ste moeten doorwerken. Voor «gewone» brandweerlieden zou ander werk gezocht worden.

De korpsen zijn gemeentelijke instellingen, elk met een eigen cultuur. De Utrechters lopen met doodshoofdmaskers en een piratenvlag. De Maastrichtenaren hebben een brandweerauto uit het museum meegenomen. Twee busladingen Rotterdammers nemen de herrie mee: opeens zijn er heel veel rotjes. Willem Bermond van de vakbond maant zijn collega’s tot «een fatsoenlijk verloop». De schermutselingen met de politie op het Spui in Den Haag, de rookbommen in het Rotterdamse stadhuis en de oefengranaat in een prullenbak op Schiphol liggen nog vers in het geheugen. «En voorzichtig met de knallen, er zijn toch wat kinderen en dames bij.»

De stoet zet zich in beweging. Tussen Rotterdamse havenarbeiders (die vrouwelijke toeschouwers op balkons een gemeend «wij willen tieten zien» toeroepen) lopen Rob en Dennis, allen Amsterdammer.«Die Rotterdammers zijn zo serieus. Bij ons worden er altijd grappen gemaakt, en die gaan altijd ten koste van iemand. Als je dan niet goed terug kan bekken… zij snappen dat niet.» Daarnaast zijn er salarisverschillen, omdat die op gemeentelijk niveau zijn geregeld. Amsterdammers verdienen minder.

Een ander verschil is opvallender: de Amsterdamse brandweermannen zijn pretty boys. Stoere verhalen over de keiharde training en schuimdichtheid worden afgewisseld met details over het leven in de kazerne. Samen slapen, boodschappen doen, koken, tijdens een brand inspringen voor iemand die het «even niet meer trekt». Een dienst bestaat uit acht werkuren en zestien waakuren. Per jaar 124 diensten. Een week lang 24 uur in dienst, 24 uur thuis. Daarna drie dagen vrij. Dennis: «Voor de waakuren krijgen we één euro vijftig per uur. Dat noemt De Geus slapend rijk worden!»

Eenmaal op het Museumplein blijft de Amsterdamse brandweer een beetje aan de rand. Rob: «Vandaag staan we hier uit solidariteit. Er is nu nog niks aan de hand. Bovendien worden we in de gaten gehouden: de driehoek heeft gisteren overleg gehad.» Maar wat als de VNG het flo gaat afschaffen? Zijn ogen worden donker: «Wat ze willen. Maar wij staken niet. Dan komt er actie.» Rob: «Bijna twintig jaar geleden hebben we het oude stadhuis onder geschuimd. Ze stonden achter de ramen met hun middelvinger omhoog. Met waterkanonnen hebben we de ramen eruit geblazen. Mensen die in hun kamer bleven zitten, trokken we eruit.» Het leverde wat op. Er werden geen kazernes gesloten en het aantal uren per werkweek werd verlaagd, al werd het aantal brandweerlieden in Amsterdam verminderd. Hoe voeren ze actie als er een verbod op het gebruik van materieel van kracht blijft? «Voor het Binnenhof hebben we destijds zelf schuim gekocht en aggregaten gehuurd.» Rob glimt.

MEREL BOERS

Willem Oltmans (1925-2004)

«Wij waren door niets zo gebiologeerd als door onszelf», schreef Marsman over zijn generatie in het interbellum.

Hoewel Willem Oltmans van een generatie later was, gold dat ook voor hem. Het leidde tot een geheel nieuwe tak in de Nederlandse journalistiek, de ego-gerichte verslaggeving. Bijna ieder stuk dat Oltmans schreef, begon en eindigde met Oltmans, of het nu ging om de onschuld van Lee Harvey Oswald, de ondergang van de wereld volgens de Club van Rome of de zoveelste massamoord onder Soeharto. Oltmans was de spiegel waarin hij de wereld zag.

Soekarno, Kennedy, prins Bernhard, Desi Bouterse en al die andere grootheden die Oltmans persoonlijk leerde kennen, waren veroordeeld tot een bijrol. De journalistiek werd verheven tot een autobiografische kunstvorm. Op een ideologie was hij niet te betrappen. Alleen dat al maakte van hem een zeldzaam exemplaar in Nederland tijdens de Koude Oorlog.

Die ego-gerichtheid had Oltmans gemeen met zijn grootste idool, misschien wel zijn enige, Eduard Douwes Dekker. In Max Havelaar gaat het Multatuli in de eerste plaats om persoonlijk eerherstel. Dezelfde tendens zit in het werk van Oltmans.

Die autobiografische fixatie maakte Oltmans ongrijpbaar. Zijn wereldbeeld werd wel degelijk aangedreven door een systeem, maar alleen hijzelf kende de sleutel daarvan. Hij stond de Sovjet-Unie terzijde in de dooi van de Koude Oorlog, maar Gorbatsjov was in zijn ogen «een van de grootste misdadigers van de eeuw». Hij nam fel stelling tegen het regime van Soeharto en bekritiseerde Beatrix hevig vanwege haar staatsbezoek aan deze «massamoordenaar», maar prins Bernhard – op intieme voet met dezelfde Soeharto – kon bij hem weinig kwaad doen. Oltmans stond aan de zijde van de dekolonisatie, maar manifesteerde zich evengoed als steunpilaar van de Zuid-Afrikaanse apartheid als hem dat uitkwam in zijn vendetta tegen het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dat laatste was het geval toen dat ministerie moest fungeren als «safe haven» voor Klaas de Jonge, de ANC-sympathisant die zijn toevlucht had genomen tot de ambassade in Zuid-Afrika. Zijn optreden als raadsheer van Desi Bouterse na de decembermoorden wekte even veel onbegrip. Oltmans’ adagium leek te luiden: de vijanden van mijn vijanden zijn mijn vrienden.

Dezelfde ambiguïteit demonstreerde Willem Oltmans in zijn haat-liefdeverhouding tot het establishment. Hij was een van de weinige journalisten die het opnam voor Wim Klinkenberg – de schrijver van Prins Bernhard, een politieke biografie – maar was tegelijkertijd actief in het netwerk van de prins binnen de Groep Rijkens, de vanuit Unilever geïnstigeerde denktank ter normalisering van de Nederlands-Indonesische betrekkingen. De pet van journalist werd regelmatig afgezet voor een op treden als freelance diplomaat. Anti-establishment werd Oltmans pas als hij zich voelde afgewezen.

Het werk van Oltmans kreeg echt een vaste vorm toen hij zijn proces tegen de Staat der Nederlanden begon. Het was tegelijkertijd de kroon op zijn werk, daar hij werkelijk bewijzen kon dat Luns hem als minister had tegengewerkt. Achteraf is het jammer dat dat proces werd afgekocht met acht miljoen euro schadevergoeding. Als het tot een veroordeling van het ministerie van Buitenlandse Zaken was gekomen, had hij echt geschiedenis geschreven.

Het proces bezorgde hem op zijn oude dag de roem die hij eerder niet gekregen had. Iedereen die zich slecht behandeld voelde door de staat identificeerde zich met hem. Typerend is dat hij zijn grootste populariteit bereikte in het «silly season» van Pim Fortuyn, toen zijn naam opdook als kandidaat voor Buitenlandse Zaken. Het was de eerste keer dat hij zich verbond aan een politieke entiteit. In het fortuynisme vond Oltmans een ideologische thuishaven, even hybride als zijn eigen politieke denken.

Wat uiteindelijk van Oltmans’ werk zal beklijven, valt moeilijk te voorspellen. Het grootste werk van Oltmans was echter niet dat wat hij schreef, maar zijn manier van zijn, met die combinatie van jongensachtige eerlijkheid en tirannieke woedeaanvallen. Dat temperament liet zich niet vatten in het geschreven woord.

RENÉ ZWAAP