Deze week

Week 43

It’s the gays, stupid

Na het derde debat tussen Bush en Kerry viel de naam van Cheneys lesbische dochter op de kabeltelevisiekanalen 295 keer binnen twee dagen.

Washington – Mary was overal. Kerry’s referentie aan deze Mary – «Ask Cheney’s daughter, who is a lesbian» – verdrong ieder ander onderwerp uit de campagne nadat Cheney zichzelf, daags na het debat, «een boze vader» had genoemd en Kerry ervan beschuldigde dat «he will say and do anything to get elected». Cheney kreeg steun van conservatieven uit het hele land. De kwalificatie lesbisch is voor hen in eerste instantie een scheldwoord. Zoiets zeg je niet over iemands dochter, hoe haar seksuele geaardheid ook is.

Cheney is populair bij christelijk rechts. Die groep kiezers is de afgelopen vier jaar gegroeid. Vrijdag kwamen 160.000 evan gelische christenen bijeen op de Mall, de strook groen waar alle grote monumenten van Was hing ton staan, naast het Witte Huis en het Capitool. Ze demonstreerden tegen het homohuwelijk. Som mige Nederlandse commen ta toren, die zijn gevormd in de tijd dat Maarten ’t Hart romans over Hollandse ouderlingen schreef, menen dat onder deze fanatieke gelovigen de «angst» regeert.

Op de Mall, waar ooit Martin Luther King zijn dromen prijsgaf, werd weer eens duidelijk hoe de blik van oudere ex-protestanten in Nederland is vertroebeld door hun eigen ervaringen met geloof en secularisatie. Want onder christelijk rechts in Amerika is het niet de angst, maar de overtuiging die heerst. Deze blije mensen zijn herboren, zeker niet in een keurslijf gedwongen. De meesten kregen tijdens hun opvoeding niet veel meer mee dan de gematigde leerstellingen van gevestigde kerken als de Lutherse of Episcopaalse, maar dat bleek niet genoeg voor ze. Behalve de overtuiging hebben ze ook de stellige terminologie van linkse activisten uit de jaren zeventig overgenomen. En de zekerheid van het eigen gelijk. Daar zit geen korreltje angst bij.

Uit een recente peiling van Time/Gallup blijkt dat de groep die «morele waarden als homo huwelijk en abortus» de belangrijkste thema’s van de verkiezingen noemt rap groeit. In bijna alle andere onderwerpen gaan de presidentskandidaten in de peilingen nagenoeg gelijk op, of wordt Kerry zelfs de betere kandidaat genoemd, maar onder deze zogenoemde waardenstemmers is Bush de held. Gek genoeg hebben miljoenen onder hen vier jaar geleden helemaal niet gestemd. Nu zal dat anders zijn, want «voor het eerst woont God in het Witte Huis», zoals een van de demonstranten verklaarde.

Maar er speelt meer. De campagnestaf van Clinton verklaarde na de overwinning in 1992: «It’s the economy, stupid», maar dit jaar zou het wel eens het homohuwelijk kunnen zijn dat de verkiezingen bepaalt. In de staat Missouri werd er in augustus een referendum over gehouden: zeventig procent stemde voor een verbod. In juli leidde Kerry nog in de peilingen van Missouri. Het Kerry-kamp heeft de staat inmiddels nagenoeg opgegeven.

De doorgaans accurate opiniepeiler Scott Rasmussen heeft een verband aangetoond tussen de groeiende steun voor Republikeinse kandidaten en het aanzwengelen van het debat over het homohuwelijk. In de belangrijke swing state Ohio hebben de Republikeinen, die daar het parlement beheersen, het homohuwelijk op het stembiljet van 2 november weten te krijgen. In enkele andere staten is dat ook gelukt. Het Bush-kamp weet wat het te doen staat. Vrijwilligers die van deur tot deur gaan noemen beide onderwerpen in één adem.

Is er een betere lokker voor evangelisten dan een referendum over het homohuwelijk op de dag dat er toevallig ook nog een president moet worden gekozen?

PIETER VAN OS

Sleuren aan een dood paard

Bijstandsgerechtigden kunnen verplicht worden tijdelijk te werken voor minder dan het minimumloon.

De bedoeling is een «aanloopschaal» in de cao te creëren, zodat langdurig werklozen kunnen doorgroeien naar een reguliere baan. «Het gaat», aldus CDA-kamerlid Verburg, «om mensen die zonder opkontje nooit aan het werk komen.» Er was eens een tijd dat aan het minimumloon het peil van de beschaving werd afgemeten. Maar er is ook een praktischer vraag: helpt het «opkontje» de betrokkenen over de muur die hen scheidt van regulier werk?

In 1996 beschreef de Britse journalist Will Hutton de 30-30-40-maatschappij. De bovenste dertig procent van de beroeps bevolking bezet de kernbanen, met de bijbehorende hoge salarissen en zekerheden. De dertig procent daaronder heeft een nette betrekking die fatsoenlijk wordt betaald. Maar hun baan kan bij elke volgende reorganisatie be dreigd worden.

Deze verhoudingen werden geïllustreerd door ABN Amro, dat in 2001 het kantorennetwerk met circa 35 procent en het personeelsbestand met dertig procent wilde inkrimpen. De bank maakte daarbij een voorbehoud voor het personeel dat onmisbaar was voor de continuïteit der onderneming. Het aantal kernbanen bleek 25 procent. De overige driekwart van het personeel kon gemist worden.

Van de onderste veertig procent van de beroepsbevolking is de helft aangewezen op marginaal werk: tijdelijke arbeid, uitzendbanen en oproepwerk. De andere twintig procent is uitgestoten uit het arbeidsproces. Over die laatste groep gaat het nu. Dit deel zit onder meer in de WAO (968.000, waarvan overigens een vijfde werkt), de vut en de bijstand. Bijstandsgerechtigden die langdurig werkloos zijn of nooit gewerkt hebben, zijn kansloos.

Iedere baan eist dat een toegevoegde waarde wordt geleverd. Soms is die laag en is de beloning dus ook laag. Soms is die toegevoegde waarde zo laag dat deze niet meer overeenkomt met het loonpeil. Dat werk verdwijnt naar Oost-Europa of China. Wat overblijft is residu-arbeid: werk dat niet kan worden geautoma tiseerd, niet kan worden verplaatst en ook niet kan worden gemist. Soms biedt het bedrijfs leven (beveiliging en schoonmaakbranche) dit soort werk, maar vaker is het de overheid: in verpleeg- en verzorgingshuizen, de thuiszorg of bij de gemeentelijke vuilophaaldienst. Het aantal laag gekwalificeerde banen, waarvan het loon in verhouding staat tot de toegevoegde waarde, is niettemin fors afgenomen. In combinatie met een omvangrijke verdringing (hoger opgeleide en productievere werknemers ne men de plaats in van lager opgeleiden en minder productieven) heeft dit vooral gevolgen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Daar worden de mensen weggedrukt die zelf niemand meer kunnen verdringen.

Hun uitzichtloze situatie blijkt uit het oordeel van de gemeentelijke sociale diensten. Zij hebben een fors deel van hun cliënten ingedeeld in «categorie 4»: in het ambtelijk jargon mensen met een «onoverbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt», veelal als gevolg van «meervoudige psychosociale en medische problematiek». In Den Haag bijvoorbeeld bedroeg categorie 4 vier jaar geleden 58 procent. De gemeente gaf toen als verklaring dat de werkloosheid was «ingedikt». Op de overspannen arbeidsmarkt van 2000 was iedereen met enig uitzicht op werk al aan een baan geholpen en restte een relatief steeds groter aantal probleemgevallen. Nu is de arbeidsmarkt verre van overspannen, maar het aandeel categorie 4-bijstandsgerechtigden ligt inmid dels op 74 procent. «Je kunt het natuurlijk ook anders zien», zegt de Haagse sociale dienst nu dapper: «Een kwart van onze cliënten heeft wél uitzicht op werk.»

Dat is waar. Maar het neemt niet weg dat een substantieel deel van de beroepsbevolking (zo’n twintig procent) daarvan blijvend is uitgesloten. Zij zijn niet «uit de markt geprijsd» door een «te hoog» minimumloon, het ontbreekt ze aan productieve capaciteiten. Dan helpt het opkontje ook niet meer. Het prijsmechanisme werkt niet als het product onverkoopbaar is.

Deze diagnose leidt tot een pijnlijke keuze. Een laagbetaalde baan is beter dan geen baan. Maar moeten we dan maar de fundering onder het loongebouw weghalen en de benedenverdieping onder het straatpeil laten wegzakken? In de Verenigde Staten maken de working poor lange werkdagen, langer dan in Europa, maar ze zien geen kans de eindjes aan elkaar te knopen. Om zijn levensstandaard van 1973 te handhaven moest de gemiddelde Amerikaan in 1990 zes weken per jaar extra werken.

Het minimumloon is niet alleen een sociale maatregel om een menswaardig bestaan te garanderen. Werk schept ook duurzame relaties en is daarmee het cement van de samenleving. Blijvende uitsluiting uit het arbeidsproces betekent dus óók sociale marginalisering. «We kunnen dan alleen sociale activering bieden», aldus de Haagse sociale dienst. Zoals met die buurtasociaal. Het duurde lang om er achter te komen wat die man bewoog. Hij bleek een bijzondere voorliefde te hebben voor de plaatselijke voetbalclub. Daar hangt hij nu de netten op en vult hij de voorraden van de kantine bij. Hij wordt alom gewaardeerd en veroorzaakt geen overlast meer.

Maar met werk in economisch opzicht heeft dit weinig van doen.

BEN LIGTERINGEN

Schadevergoeding in omgekeerde richting

Volgende week zal er iets gebeuren wat de op z’n kop gezette moraliteit van de invasie en bezetting van Irak onthult.

Op 21 oktober zal Irak 200 miljoen dollar aan compensatie voor schade als gevolg van de oorlog betalen aan enkele van de rijkste landen en bedrijven in de wereld.

Mocht dat de omgekeerde wereld lijken, dan is dat omdat het de omgekeerde wereld is. De Irakezen hebben nooit schadevergoeding toegekend gekregen voor alle misdaden waar ze onder leden tijdens het bewind van Saddam Hoessein, of voor de wrede sancties die het leven kostten aan minstens een half miljoen mensen, of voor de door Amerika geleide invasie, die door VN-secretaris-generaal Kofi Annan onlangs nog «onwettig» werd genoemd. In plaats daarvan worden de Irakezen nog steeds gedwongen schadevergoeding te betalen voor misdaden die zijn begaan door hun vroegere dictator.

Irak, met een verpletterende staatsschuld van 125 miljard dollar, heeft 18,8 miljard dollar betaald aan compensatie voor schade als gevolg van Saddams invasie en bezetting van Koeweit in 1990. Dat is op zichzelf niet verbazingwekkend: als voorwaarde van het bestand dat een einde maakte aan de Golfoorlog van 1991 stemde Saddam erin toe te betalen voor de schade die voort kwam uit de invasie. Meer dan vijftig landen hebben claims ingediend, waarbij het meeste geld is toegekend aan Koeweit. Wat verbazingwekkend is, is dat zelfs nadat Saddam was afgezet de betalingen vanuit Irak zijn doorgegaan.

Sinds Saddam in april ten val werd gebracht heeft Irak 1,8 miljard dollar aan schadevergoedingen betaald aan de Compensatie Commissie van de Verenigde Naties (UNCC), het quasi-tribunaal in Genève dat claims beoordeelt en toekenningen uitbetaalt. Van die betalingen ging 37 miljoen dollar naar Engeland en 32,8 miljoen naar de Verenigde Staten. Inderdaad: in de afgelopen achttien maanden hebben de bezetters van Irak 69,8 miljoen dollar geïncasseerd aan herstel betalingen van de wanhopige mensen wier land ze bezetten. Maar het wordt nog erger: het leeuwendeel van die betalingen – 78 procent – is naar grote multinationals gegaan, zo tonen de statistieken op de website van de UNCC.

Niet gehinderd door media-onderzoek en -bemoeienis is dit jaren doorgegaan. Natuurlijk zijn er vele legitieme schadeclaims ingediend bij de UNCC: er zijn herstelbetalingen gedaan aan Koeweiti’s die dierbaren, ledematen en eigendommen zijn verloren aan de troepen van Saddam. Maar veel grotere schadevergoedingen zijn gegaan naar bedrijven – van het totaal dat de UNCC heeft toegekend aan compensatie voor de Golfoorlog ging 21,5 miljard dollar alleen al naar de olieindustrie. Jean-Claude Aime, de VN-diplomaat die tot december 2000 voorziter van de UNCC was, trok publiekelijk die praktijk in twijfel. «Dit is bij mijn weten de eerste keer dat de Verenigde Naties betrokken zijn bij het terugvinden van verlo ren gegane bedrijfsbezittingen en -winsten», zei hij tegen de Wall Street Journal in 1997, om mijmerend te vervolgen: «Ik vraag me vaak af hoe correct dat is.»

Maar het uitdelen aan bedrij ven ging alleen maar versneld door. Dit is een voorbeeld van wie «herstel»betalingen uit Irak toegekend hebben gekregen: Halliburton (18 miljoen dollar), Bechtel (7 miljoen), Mobil (2,3 miljoen), Shell (1,6 miljoen), Nestlé (2,6 miljoen), Pepsi (3,8 miljoen), Philip Morris (1,3 miljoen), Sheraton (11 miljoen), Kentucky Fried Chicken (321.000 dollar) en Toys R Us (189.449 dollar). In het merendeel van de gevallen claimden deze bedrijven niet dat de troepen van Saddam hun eigendommen in Koeweit beschadigden – slechts dat ze «winst derfden» of, in het geval van American Express, een «afname in zakelijke activiteit» ervoeren, vanwege de invasie en bezetting van Koeweit. Een van de grootste winnaars is Texaco geweest, dat in 1999 505 miljoen dollar kreeg toegekend. Volgens een woordvoerder van de UNCC is maar twaalf procent van die toegekende compensatie betaald, wat betekent dat er nog honderden miljoenen uit de schatkisten van post-Saddam Irak zullen moeten komen.

Het feit dat de Irakezen schadevergoedingen hebben betaald aan hun bezetters is des te schokkender in de context van hoe weinig die landen daad werkelijk hebben besteed aan hulp in Irak. Ondanks de 18,4 miljard aan Amerikaanse belastingdollars die zijn bestemd voor de wederopbouw van Irak schat de Washington Post dat slechts 29 miljoen is besteed aan water, afvalverwerking, gezondheid, wegen, bruggen en openbare veiligheid – samen. En in juli (de laatste beschikbare cijfers) schatte het ministerie van Defensie dat maar vier miljoen dollar was uitgegeven om Irakezen te compenseren die gewond waren geraakt, of die familieleden of bezittingen waren verloren als direct gevolg van de bezetting – een fractie van wat de Verenigde Staten van Irak aan schadevergoedingen hebben gekregen sinds de bezetting begon.

Al jaren wordt er geklaagd dat de UNCC wordt gebruikt als smeergeld voor multinationals en rijke olie-emiraten – een achterdeur voor bedrijven om het geld binnen te halen dat ze niet konden verdienen als gevolg van de sancties tegen Irak. Tijdens de Saddam-jaren kregen die klach ten weinig aandacht, om voor de hand liggende redenen.

Maar nu is Saddam weg en de omkoperij houdt stand. En iedere dollar die naar Genève wordt gestuurd, wordt niet besteed aan humanitaire hulp en de wederopbouw van Irak. Bovendien, als post-Saddam-Irak niet gedwongen was die schadevergoedingen te betalen, had het de noodlening van 437 miljoen dollar kunnen vermijden die het Internationaal Monetair Fonds goedkeurde op 29 september. Hoe er ook wordt gepraat over het kwijtschelden van Iraks schulden, het land wordt in feite steeds dieper het gat in geduwd, gedwongen geld te lenen van het IMF, en alle voorwaarden en beperkingen te accepteren die die leningen met zich meebrengen. De UNCC ondertussen blijft claims beoordelen en nieuwe uitkeringen toekennen: in de afgelopen maand alleen al werd 377 miljoen dollar aan nieuwe claims toegekend.

Gelukkig is er een simpele manier om een einde te maken aan deze groteske subsidies voor bedrijven. Volgens Resolutie 687 van de VN-Veiligheidsraad, die het herstelbetalingen-programma creëerde, moeten betalingen vanuit Irak «rekening houden met de behoeften van de bevolking van Irak, de betaalcapaciteit van Irak (…) en de behoeften van de Iraakse economie». Als met één van die drie werkelijk rekening zou worden gehouden, zou de Veiligheidsraad morgen onmiddellijk stemmen voor het stopzetten van deze betalingen.

Dat is de eis van Jubilee Iraq, een organisatie voor schuldenverlichting in Londen. Schadevergoedingen zijn verschuldigd aan de slachtoffers van Saddam Hoessein, stelt de groep – zowel in Irak als in Koeweit. Maar niet de Irakezen, die zelf de primaire slachtoffers van Saddam waren, zouden die moeten betalen. In plaats daarvan zouden herstelbetalingen de verantwoordelijkheid moeten zijn van de regeringen die miljarden dollars leenden aan Saddam, heel goed wetend dat dat geld werd besteed aan wapens zodat hij oorlog kon voeren tegen zijn buren en zijn eigen volk. «Als gerechtigheid en niet macht prevaleerde in internationale aangelegenheden, dan zouden Saddams crediteuren schadevergoeding betalen aan Koeweit, en nog veel hogere vergoedingen aan het Iraakse volk», zegt Justin Alexander, de coördinator van Jubilee Iraq.

Op dit moment gebeurt precies het omgekeerde: in plaats van Irak binnen te stromen, stromen herstelbetalingen Irak uit. Het wordt tijd dat het tij keert.

NAOMI KLEIN