Deze week

Week 45

Topman PCM kapittelt ‹de Volkskrant›

Bestuursvoorzitter Theo Bouwman van PCM begint zich te bemoeien met de inhoud van de dagbladen die hij uitgeeft. De Volkskrant heeft zijn toorn opgeroepen.

Aanleiding voor de woede van Bouwman was een artikel zaterdag in het mediakatern van Fokke Obbema, correspondent in Parijs, over de recente verwikkelingen bij Le Figaro. Deze Franse krant is sinds maart in handen van ondernemer/politicus Serge Dassault. Obbema beschrijft hoe Dassault (de man van de gevechtsvliegtuigen Mirage en Rafale) aanvankelijk poogde op afstand journalistiek leiding te geven aan Le Figaro. Hij bestelde kopij, schreef zelf artikelen en zag ook geen been in eigenmachtige eindredactie van andermans stukken. Maar na een conflict daarover met de redactie bond de ondernemer in, ontsloeg de hoofdredacteur die zijn oren naar hem liet hangen, benoemde Nicolas Beytout als opvolger en beloofde extra geld voor investeringen. De nieuwe hoofdredacteur sloot de verhouding met Dassault aldus kort: «Ik ben de baas en u schrijft geen stukken voor de krant meer.»

Onder de kop Liever een wapenhandelaar als krantenbaas concludeerde Obbema dat PCM met de Britse venture capitalists van Apax wellicht slechter af is: «Het lot van Le Figaro is zo gek nog niet.» Dit nu was Bouwman teveel. Zondagavond schreef hij thuis via zijn particuliere provider een mailtje naar hoofdredacteur Pieter Broertjes van de Volkskrant.

«Beste Pieter», tikte Bouwman: «Vaak ben ik trots bij hetzelfde bedrijf te mogen werken dat de Volkskrant uitgeeft. Voor de eerste keer in mijn tweejarige carrière bij PCM vervult het mij met schaamte. Het stukje van Fokke Obbema in de krant van gisteren overschrijdt alle normen. Behalve zijn gebrekkige analyse van het Figaro-vraagstuk verbindt hij dit met loze beweringen over PCM. Als directeur moet je uiterst terughoudend zijn over de kranten die je op afstand bestuurt, maar dit gaat absoluut te ver. Dat Obbema niet weet waar hij het over heeft is tot daaraan toe, maar als de redactie van de Volkskrant daar nog een suggestieve kop aan toevoegt — Voor de kranten van PCM ziet het er minder rooskleurig uit en Liever een wapenhandelaar als krantenbaas — overschrijdt dat de gebruikelijke normen tussen krant en uitgever. Je reactie zie ik graag met enige spoed tegemoet. Theo Bouwman.» Een kopie stuurde hij cc naar zijn collega-bestuurders Ben Knapen en Anthonie Zoomers plus gedelegeerd uitgever Pieter Kok van de Volkskrant.

Maar daarbij liet de bestuursvoorzitter van PCM het niet. Hij stuurde ook een elektronisch bericht naar de correspondent zelf.

«Mijnheer Obbema», aldus Bouwman, «ik neem maar aan dat deze bijdrage als column of opiniestuk bedoeld is en buiten Uw verantwoordelijkheid als normaal journalistiek artikel geplaatst is. U heeft natuurlijk recht op Uw mening dat het verkieslijker is dat de eigenaar zoals bij Le Figaro de hoofdredacteur benoemt dan de situatie bij PCM, waar dit soort benoemingen omgeven is met allerlei waarborgen. (…) Bij een column is het misschien ook ‹normaal› beweringen te uiten als de onjuiste verdeling van de aandelen, een onjuist investeringsbedrag en een feitelijke onjuistheid, dat Apax geen risicodragend vermogen heeft bijgedragen. Het aannemen van onjuiste premissen pleit overigens meestal niet voor de waarde van de columnist. Het uitblijven van een normaal journalistiek gebruik om bronnen te checken en wederhoor toe te passen overschrijdt zelfs bij columns elke journalistieke norm. U spreekt in Uw schotschrift ook nog Uw verwondering uit over het uitblijven van de voornemens van de eigenaar met betrekking tot de kranten. (…) Een eenvoudige vraag aan de eigenaar of aan de directie van PCM of zelfs aan Uw eigen hoofdredacteur had U kunnen leren dat de eigenaar geen andere voornemens met de kranten van PCM heeft dan geformuleerd door de hoofdredactie en de directie voorafgaand aan de overname. (…) Ik kan niet anders concluderen, dat U in het ten onrechte als ‹normaal› geplaatste stuk van 30 oktober Uw persoonlijke preoccupaties heeft laten prevaleren boven elke te verifiëren werkelijkheid. Het spijt me dat te moeten constateren van een redacteur van een voor mij dierbaar dagblad. Theo Bouwman. Voorzitter Raad van Bestuur PCM Uitgevers B.V.»

De mails wekken de indruk in emotionele haast te zijn verstuurd. Een beleefd hoogachtend ontbreekt.

Het is niet voor het eerst dat de bestuursvoorzitter van PCM zich uitlaat over zijn onderdanen. In het interne bedrijfsblad Enter uitte hij een paar maanden geleden zijn ongenoegen dat de bedragen waren uitgelekt (De Groene Amsterdammer van 10 juli) die de boardroom consultants Joop Krant (zeven miljoen euro) en Grimbert Rost van Tonningen (twee keer minder) hadden gedeclareerd voor hun advieswerk bij de overname van een feitelijk meerderheidsbelang in PCM door Apax.

HUBERT SMEETS

Blitz Election?

LONDEN – De Amerikaanse verkiezingskoorts is overgeslagen naar Londen.

Terwijl scheidend eurocommissaris Neil Kinnock bij Breakfast with Frost een lans brak voor de stemplicht, verslikten de lezers van The Sunday Times en de conservatieve Sunday Telegraph zich in hun cornflakes toen ze leerden dat de verkiezing voor het Lagerhuis al in februari zal plaatsvinden, en niet op 5 mei, zoals Cherie Blair eerder per ongeluk had geopenbaard. Dat zou Alan Milburn, zes weken geleden aangesteld als een veredelde minister van verkiezingsstrategieën, in New York aan vrienden hebben verteld. Er zou zelfs al een slogan voor de snap election zijn bedacht: Britain Is Working, een knipoog naar Saatchi & Saatchi’s geestige Labour Isn’t Working waarmee Margaret Thatcher Labour, na de Winter of Discontent van 1979, wegvaagde.

Uit de reacties van Downing Street viel niet goed op te maken wat de waarde van het nieuws is. In The Guardian kwalificeerde Blairs woordvoerder het als «rubbish», hetgeen betekent dat het een kenmerkende uitglijder is van de zondagspers, terwijl in The Daily Telegraph de term «idle speculation» valt, wat weer verhullend taalgebruik is voor «het is waar, maar we bevestigen het nog niet». Laatstgenoemde krant had twee dagen eerder de resultaten van een opiniepeiling gepubliceerd waaruit bleek dat de Britten menen dat Blair hen inzake zijn Iraakse avonturen met «Dubya» weliswaar heeft voorgelogen of het gevaar van Saddam in ieder geval heeft overdreven, maar dat ze hem toch een derde termijn gunnen, hetgeen een record zou zijn voor een Labour-premier.

De cijfers bedierven het feestje van Michael Howard, die nu precies een jaar tevergeefs probeert uit te leggen waar de Conservatieve Partij voor staat. Zelfs ruziën met Bush heeft hem geen extra virtuele stemmen opgeleverd. Ook uit Liberaal-Democratische hoek heeft Blair geen gevaar te duchten. Na de lancering van The Orange Book, een neoliberaal schrijven van haar wetenschappelijke bureau, is er een strijd binnen de partij gaande tussen de liberale en de socialistische vleugel. Nog meer goed nieuws kreeg Blair afgelopen week uit Brussel, waar bekend werd dat de europarlementariër Robert Kilroy-Silk uit de UKIP stapt, nadat ook actrice Joan Collins de partij de rug had toegekeerd. Vooralsnog zijn er geen signalen dat deze glamourboy van Europa-hatend Engeland (en in een grijs verleden Labour-afgevaardigde) de suggestie van schrijver/politicus Boris Johnson opvolgt en de Party for United Kingdom Independence (PUKI) gaat oprichten. Alles onder controle op de electorale flanken dus. Maar de geschiedenis toont aan dat bij de waardering van de stemgerechtigden voor een zittende regering ook meteorologische elementen een rol kunnen spelen. Labour-premier Clement Attlee verloor in februari 1950 zijn comfortabele meerderheid waarna de wederopstanding van Winston Churchill volgde, en de aanzienlijk minder succesvolle Conservatief Edward Heath trof 24 jaar later eenzelfde lot toen zijn campagneslogan Who Governs Britain?, in het licht van de almachtige vakbonden, onbedoeld een ironische lading kreeg.

Stemmingmakerij of niet, voor de Britse parlementaire pers wordt elk werkbezoek van Blair nu weer interessant. Immers, een kleine vier jaar geleden maakte hij dé datum bekend aan de pubers van de St. Saviour’s and St. Olave’s School in de Londense deelgemeente Southwark, maar niet dan nadat het knapenkoor «I who make the skies of light, I will make dark ness bright. Here I am» had gezongen.

PATRICK VAN IJZENDOORN

Het fiasco van de digitale oorlog

Het plan van Donald Rumsfeld om Irak binnen te vallen met een minimale, op «digitale vuurkracht» gebaseerde strijdmacht leed al op 2 april 2003 schipbreuk bij een brug over de Euphraat.

Dat meldt het november nummer van Technology Review, een wetenschappelijk maandblad van het Massachusetts Institute of Technology (MIT). Het tijdschrift put uit een grotendeels geheim evaluatierapport van de Rand Corporation.

Het rapport laat weinig heel van het ontwerp voor een beweeglijke, door nanotechnologie, hoogwaardige communicatie apparatuur en just-in-time-principes ondersteunde strijdmacht die dankzij zijn kennisvoorsprong op de vijand kan opereren zonder ouderwets zwaar materieel, grote aantallen manschappen en massieve logistiek. Dit concept van War Lite, zoals het in de wandelgangen van het Pentagon is gaan heten, is geen geesteskind van Rumsfeld, maar hij is wel de eerste minister van Defensie die er zijn kaarten op heeft gezet. Onder zijn leiding werkt het Pentagon aan het honderd miljard dollar kostende programma Future Combat Systems dat het Amerikaanse leger in 2014 moet voorzien van een sluitend, real time informatiesysteem. Sensoren, gemonteerd in mobiele robots en bemande en onbemande vliegtuigen, moeten commandanten op elk gewenst moment voorzien van de coördinaten van eigen en vijandelijke posities, mogelijke doelen, alarmerende vijandelijke troepenbewegingen en waarschuwingen tegen «friendly fire».

De inval in Irak was de eerste grote test. Honderden bewegingssensoren, hittesensoren en afluisterposten in verkenningsvliegtuigen en satellieten registreerden elke beweging op Iraaks grond gebied. De gegevens werden geanalyseerd in de hoofdkwartieren in Qatar en Koeweit en het resultaat werd doorgegeven aan militaire inlichtingeneenheden te velde. De stoottroepen stonden in verbinding met hun divisiehoofdkwartieren via een relaissysteem van antennes in verbindings voertuigen. Voor het verwerken van de datastromen beschikte de invasiemacht over 42 maal zo veel bandbreedte als tijdens de eerste Golfoorlog.

Niettemin kampte kolonel Ernest «Rock» Marcone, die met zijn pantsercolonne de bewuste brug ten zuiden van Bagdad wilde innemen, op het kritieke moment met een totale black-out: «Afgezien van Bagdad was die brug het belangrijkste strategische object in het oorlogsgebied, maar niemand kon me vertellen hoe de verdediging eruitzag. Niet hoeveel soldaten, niet wat voor tanks, wat dan ook. Iemand boven me zal het wel geweten hebben, maar de informatie bereikte mij niet.» Nadat hij de brug had ingenomen kreeg hij van zijn divisie alsnog een bericht door: tegenover hem zou zich slechts een Iraakse brigade bevinden. Het bleken er drie te zijn, die midden in de nacht aanvielen en Marcones bataljon in grote problemen brachten.

Zo verging het praktisch alle stoottroepen tijdens de inval. Verbindingen vielen uit, downloads duurden veel te lang, software blokkeerde en antennewagens (die stil moesten staan alvorens verbinding te leggen) werden sitting ducks voor Iraakse artillerie en granaatwerpers. Op het divisie niveau werkte de nieuwe technologie echter uitstekend, aldus het rapport. Piloten werden in de lucht gebrieft in plaats van op de grond zoals voorheen, en het overzicht over het slagveld was gedetailleerder dan in enige vorige oorlog. Tijdens een razende zandstorm in de laatste week van maart 2003 ontdekte een Amerikaans radarvliegtuig dat een eenheid van de Republikeinse Garde oprukte naar de Amerikaanse linies. De luchtmacht onderschepte de colonne met satellietgestuurde bommen, die ongeacht het zicht ter plaatse hun doel bereiken, terwijl een apart volgsysteem genaamd Blue Force Track er ervoor zorgde dat de bommen niet per ongeluk Amerikaanse voertuigen raakten.

Tevreden generaals en klagende fronttroepen: het is een bekend plaatje uit bijna alle moderne oorlogen. Toch lijkt het War Lite- concept op kleinere schaal wel degelijk te hebben gewerkt in de oorlog in Afghanistan. Commando’s die te paard of te voet in de bergen naar Taliban- en al-Qaeda-strijders speurden, stonden individueel met elkaar in verbinding via hands free-systemen terwijl hun gegevens werden verzameld en samengevoegd door gespecia liseerde verbindingsmannen die voor elke eenheid een «web pagina» met relevante gegevens bijhielden. Door een nauwe samenwerking tussen deze «web masters» zonder tussenkomst van hogerhand wisten de comman do’s vaak veel grotere vijandelijke eenheden te verschalken, te meer doordat ze in directe verbinding stonden met gevechtspiloten die ondersteuning konden bieden.

Volgens de voorstanders van War Lite bewijst een vergelijking dat de problemen in Irak niet te wijten waren aan het nieuwe systeem, maar aan de verouderde «verticale commandostructuur» waardoor de beschikbare data door veel te nauwe en bovendien gescheiden kokers werden geperst alvorens de eenheden te velde te bereiken. Zij menen dat het horizontal networking uit de Afghanistan-oorlog de formule voor de toekomst is en dat het leger zich meer moet inspannen om de nieuwe doctrine door te voeren.

Hoe dan ook, de snelle opmars van de Amerikaanse troepen door Irak was meer te danken aan de zwakte van het Iraakse leger dan aan de Amerikaanse «digitale vuurkracht». «Gelukkig maar dat ze weinig tegenstand ontmoetten», schrijft Technology Review. De Irakezen voerden geen luchtaanvallen uit, vuurden geen Scuds af. Iraakse soldaten trokken hun uniformen uit en maakten zich uit de voeten. Wanneer ze wél vochten, deden ze dat met inferieure wapens en voertuigen. In het tijdschrift trekt een MIT-medewerker de conclusie die de militaire onderzoekers niet voor hun rekening durven nemen: «Het is niet moeilijk in te zien dat we een hoge prijs hadden betaald als we een meer robuuste tegenstander hadden gehad.»

AART BROUWER