Deze week

week 46

Het goddelijke versus het wereldse Amerika

Ook de jihad van Amerika’s Christelijke Coalitie gaat voort.

Het lijkt nog steeds niet tot de buitenwereld door te dringen dat de religieuze overtuiging van de rechtervleugel van de Grand Old Party zo echt is dat deze groep moet worden omschreven als een partij binnen de partij. Uit een overzichtsartikel in The Washington Post blijkt dat de christenactivisten een nog groter aandeel hebben gehad in de verkiezingscampagne dan menigeen dacht. Nu de stembussen zijn gesloten, komen er gegevens vrij waaruit blijkt dat zij reeds vóór de verkiezingen forse controverses binnen de partij veroorzaakten. Traditionele Republikeinen – voorstanders van vrije markt én vrije zeden – voelden zich naar eigen zeggen «overvallen» of zelfs «gegijzeld» door de fundamentalisten.

In een aantal deelstaten fungeerden de Evangelische kerken als een voorhoede die de Bush-campagne overnam of zelfs verdrong. In de deelstaten als Ohio, Michigan en Florida voerden kerken voor het eerst massaal actie om kiezers ertoe te brengen zich te laten registreren en naar de stembus te gaan. Door druk uit te oefenen op radio- en tv-zenders konden ze ervoor zorgen dat hun «talking-points» de plaatselijke verkiezingsstrijd domineerden. Ook de referenda over het homohuwelijk, die in dertien deelstaten aan de presidentsverkiezing werden gekoppeld, waren een initiatief van «onderop».

Bush’ campagnleider Karl Rove was aanvankelijk tegen die wets initiatieven gekant omdat ze de eenheid binnen de partij in gevaar brachten. In Michigan weigerde de Republikeinse Partij zelfs het plaatselijke initiatief te steunen. Het werd toch doorgezet dankzij een gift van een miljoen dollar van de katholieke kerk. «Openlijk kon ik er niets van zeggen, anders was het huis te klein geweest», aldus deelstaatsenator Alan Cropsey die het initiatief organiseerde, «maar de partij was bepaald niet behulpzaam.» De dalende populariteit van Bush in de peilingen lijkt de Republikeinse campagneleiding begin dit jaar op andere gedachten te hebben gebracht.

In januari beloofde Rove tijdens een telefonische conferentie met christelijke leiders dat de president een grondwetswijziging zou voorstellen die het homohuwelijk in het hele land strafbaar zou stellen. Maar die toezegging van Bush kwam pas nadat hij en Rove hadden gezien welke hysterische reacties de eerste homohuwelijken in San Francisco opwekten bij fundamentalistische kerkgangers in het midden-westen. Op dat moment begrepen ze dat ze een «winning issue» hadden. Nu slaat de ontnuchtering echter toe: zo goed als Kerry vooral stemmen wist te werven omdat hij «niet Bush» was, zo heeft Bush vooral steun gekregen van orthodox christelijke kiezers omdat hij «niet Kerry» was. Uit de eerste, ronduit agressieve uitlatingen van christelijke leiders na de verkiezingen blijkt dat Bush bij hen geen enkel krediet heeft. Sterker nog: ze eisen alle krediet voor de overwinning op. De kracht van de Christelijke Coalitie is namelijk dat ze – anders dan de Democraten, de gematigde vleugel van de Republikeinen en menige politieke groepering elders in de westerse wereld – in de eigenlijke zin van het woord politiek bedrijft. Al sinds de Republikeinse Conventie van 1964, toen de reactionaire senator Barry Goldwater tot presidentskandidaat werd gekozen, heeft de religieuze rechtervleugel doelbewust gewerkt aan de eigen organisatie, versterkt door eigen media, denktanks en grassroots-initiatieven, en gebaseerd op een welomschreven visie van de «goede samenleving» en de daarvoor vereiste wetgeving en instituties. En de beweging heeft genoeg energie gebundeld om nog decennia vooruit te kunnen, met of zonder Bush en de Republikeinse Partij. De hoop van sommige Democraten dat ze nu met een bak popcorn onderuit kunnen zakken en toekijken hoe de Republikeinse Partij ten onder gaat aan zijn interne tegenstellingen is dan ook een fatale vergissing, schreef historicus Simon Schama vorige week in een opiniestuk. Het «goddelijke» Amerika heeft de oorlog verklaard aan het «wereldse» Amerika. Als ze nog een rol van betekenis willen spelen, moeten de Democraten «niet oproepen tot verzoening maar eindelijk een begin maken met terugvechten».

AART BROUWER

Islamitische coming-out

De Amsterdamse wethouder Aboutaleb deed zondag een oproep aan Marokkaanse moeders zich te laten horen.

Bij moslims voltrekt zich sinds de moord op Theo van Gogh een coming-out: in twee richtingen. Enerzijds betonen groepen openlijk steun aan de moordenaar en zijn boodschap richting Hirsi Ali. Anderzijds spreken veel Marokkanen en moslims zich luid en duidelijk uit tegen geweld en fundamentalisme. De demonstraties vorige week in Amsterdam en dit weekeinde in Den Haag getuigen daarvan. Alleen, waarom liepen er geen vrouwen en jongeren mee?

De Amsterdamse wethouder Ahmed Aboutaleb (Integratie en Jeugdzaken) deed zondag op de tv een oproep aan «de moeders». Hij wees ze op hun belangrijke taak bij de opvoeding van toekomstige generaties. Achter zijn oproep gaat een van de oorzaken schuil van het toenemende probleem met veel jongeren: de positie van de vrouw binnen de islam.

De Canadese journaliste Irshad Manji schrijft in haar boek Het moslimdilemma dat vrouwen zich moeten ontworstelen aan de «verstikkende sfeer» binnen de gemeenschap. Ze doet een dwingende oproep de islam te moderniseren door te beginnen met de emancipatie van de vrouw. Zij daagt haar geloofsgenoten uit tot zelfkritiek, want «wij wonen als migranten in het Westen in de bevoorrechte positie dat we zonder angst voor represailles van de staat lastige vragen mogen stellen. Wij moeten van die vrijheid gebruik maken.» Ook zij wordt als moslimdissidente (die nog wel gelooft) dagelijks met de dood bedreigd. Mensen zoals zij staan volgens haar in «de frontlinie van de slag om de ziel van de islam».

Hoe verhoudt dit zich tot de radicalisering van jongeren? Uit onderzoeken komt een patroon naar voren dat voor een groot deel is terug te voeren op de ongelijke positie van vrouwen. Jongeren zitten klem tussen drie werelden: het conservatieve thuisfront, school en de Nederlandse samenleving. De moeders hebben weinig grip op de opvoeding en als het mis gaat krijgen zij de schuld. Jongens genieten grote vrijheid, meisjes niet. Vanaf hun twaalfde kunnen jongens hun gang gaan op straat, waar meisjes continu een beroep doen op hun puberale hormonen. Binnenshuis spelen zij de baas over hun moeder en zusjes. De meisjes storten zich op het huiswerk en doen het goed op school.

Deze contrasten zorgen voor innerlijke verwarring. Godsdienst biedt inhoud aan hun zoekende identiteit. Maar het versterkt het onderliggende probleem: ongelijkheid van sekse, verkrampte seksualiteit en vervreemding van een samenleving waar het feminisme in de jaren zestig wortel schoot. En daar refereerde Aboutaleb aan in zijn boodschap aan de Marokkaanse moeders.

MARGREET FOGTELOO

M-zine

Het Marokkaans-Nederlandse tijdschrift M-zine eist het aftreden van Hirsi Ali. Een gesprek met de woordvoerder.

Uit een onderzoek naar aanleiding van de moord op Theo van Gogh onder 150 lezers van het Marokkaans-Nederlandse tijdschrift M-zine blijkt «dat er met een verwijtende vinger naar Hirsi Ali wordt gewezen». De redactie verspreidde op basis van de uitslag een persbericht waarin wordt gepleit voor haar aftreden. «Ze geeft zelf aan een schuldgevoel te hebben over de dood van Theo van Gogh. Daarom moet ze haar conclusies trekken en per direct aftreden. (…) Er hoeft maar één gek te zijn die haar woorden serieus neemt en het resultaat is duidelijk.» Woordvoerder Lehsen Bouisengaren wil desgevraagd toelichting geven. M-zine heeft volgens hem een oplage van tienduizend, waarvan ongeveer 1500 betalende abonnees. De meeste lezers zijn hoger opgeleide, tweede-generatie-Marokkanen.

Wat hebben jullie precies gevraagd aan die 150 abonnees?

Lehsen Bouisengaren: «We hebben gevraagd wat hun gevoelens zijn over de moord, en over het feit dat een bepaalde groep weer in een hoek gedrukt wordt. Uit de reacties sprak vooral machteloosheid. Er staat een gek op uit de menigte en meteen staan mensen weer recht tegenover elkaar. Men is diep geschokt en tegelijkertijd teleurgesteld dat het debat op deze manier wordt gevoerd.»

Waarom Hirsi Ali?

«Laat ik duidelijk zijn: Hirsi Ali heeft veel bereikt, veel onderwerpen zijn door haar op de kaart gezet. Iedereen uit de gemeenschap is het erover eens dat er een discussie nodig is. Maar het moet op een andere manier. We moeten elkaar met respect bejegenen en niet beledigen. De lezers voelen zich gestigmatiseerd. De toon van het debat wordt nu alleen maar harder.»

In ieder debat worden mensen beledigd. Zijn voorzichtige woorden het middel om een moord te voorkomen?

«Natuurlijk niet. Gekken zullen er altijd zijn. Het is bovendien een feit dat de maatschappij steeds harder wordt. Maar door dit debat zijn veel mensen diep gekwetst. Het gaat om wederzijds respect.»

Waarom nemen er weinig hoogopgeleide Marokkanen deel aan het debat in de media? Waarom lees je bijvoorbeeld zelden ingezonden brieven en opiniestukken in de kranten?

«Ingezonden brieven van Marokkanen zijn niet interessant voor de kranten. Dat wordt er gewoon niet uitgepikt.»

Onzin.

«Het nieuws gaat altijd weer over de negatieve kanten. Er wordt zoveel positiefs gedaan, maar dat lees je niet.»

Je leest juist vaak over geslaagde projecten met probleemjongeren, over succesvolle jonge Marokkanen.

«Dat is wel waar. Maar het is veel te weinig, als je ziet hoeveel er gedaan wordt. Het moet landelijk dagelijks in het nieuws zijn.»

Wederzijds respect. Maar als niet-gehoofddoekte vrouw in Amsterdam krijg je vaak op straat te horen dat je «een vieze hoer» bent en wordt er voor je voeten op de grond gespuugd.

«Het is verschrikkelijk dat zulke dingen gebeuren. Dan moet je aangifte doen.»

Hoe kan het gevoel gestigmatiseerd te zijn, worden weggenomen?

«Iedereen moet gelijke kansen krijgen in de maatschappij, op school, op het werk. Op dit moment heeft men het idee niks te kunnen veranderen in de samenleving, omdat men op grote schaal in een hoek gedrukt wordt. Jij belt mij nu ook weer om me hierover te praten.»

Jullie hebben zelf dit pers-bericht rondgestuurd.

«Wij willen benadrukken dat iedereen een bijdrage moet leveren aan het debat.»

MEREL BOERS