Deze week

Week 5

De schaamte van Poetin
President Vladimir Poetin van Rusland is soms geen cynicus. Vorige week stak hij bij de herdenking van de bevrijding van Auschwitz een hand in eigen boezem.

De Nederlandse televisie liet Poetin vooral in een klassiek patriot tische houding zien. Hij herinnerde zijn gehoor eraan dat zeshonderdduizend sovjetsoldaten hun leven hadden geofferd voor de bevrijding van Polen. Ook zijn vergelijking tussen nazisme en terrorisme kreeg aandacht. Maar dat Poetin naar Russische historiografische maatstaven een andersoortige toon aansloeg, werd minder opgemerkt.

In Rusland wordt de shoah niet (meer) ontkend, maar de Tweede Wereldoorlog leeft er op het officiële niveau vooral voort als de «grote vaderlandse oorlog». Parallellen tussen nazisme en stalinisme zijn, na de vrije jaren van Boris Jeltsin, niet meer zo populair. Het monument dat Rusland en Polen hebben laten verrijzen in Katyn, waar de geheime dienst van de Sovjet-Unie NKVD in 1940 duizenden Poolse officieren had vermoord, trekt weinig bezoekers.

«We buigen het hoofd voor de slachtoffers van de holocaust», zei president Poetin. In Krakow ging hij nog een stap verder. «Velen van ons moeten zich vandaag de dag nog schamen. De sporen van deze ziekte (het antisemitisme – hs) zijn helaas niet uitgeroeid en we werken daaraan onvoldoende effectief. Zelfs in mijn Rusland, dat het meest heeft gedaan in de strijd tegen het fascisme, het meest voor de redding van het joodse volk, zelfs in mijn land zien we soms helaas uitingen van die ziekte. Ik schaam me ook.»

Twee weken eerder was in de krant Rus Pravoslavnaja een artikel afgedrukt waarin tientallen parlementariërs en cultuurdragers het verbod van «alle joodse organisaties» eisten omdat die zich per definitie schuldig zouden maken aan extremisme. Het manifest is antisemitisme uit het boekje. Citaten uit de talmoed worden vermengd met de Protocollen van de Wijzen van Zion, enzovoort. De kop boven het schotschrift zei eigenlijk al genoeg: «Joods geluk, Russische tranen». Talloze ondertekenaars zijn bondgenoten van de president.

Inderdaad, een reden voor schaamte; én voor enige reflectie van het Kremlin.

HUBERT SMEETS

Persvrijheid

Met de persvrijheid in Amerika is het slecht gesteld. De lauwe publieke reactie daarop is net zo zorgwekkend.

In het afgelopen jaar kwam de internationale journalistenorganisatie Reporters sans Frontières voor de tweede keer in haar bestaan op de proppen met een persvrijheidindex. De Verenigde Staten kwamen er niet goed vanaf: het land was op 31ste plaats te vinden, ver achter Nederland en zelfs onder Costa Rica en Slovenië. De in Frankrijk gevestigde organisatie voegde eraan toe dat Amerika op de 135ste plaats was beland als ook de persbehandeling buiten de eigen landsgrenzen in het onderzoek was betrokken.

Zo indrukwekkend leek deze uitslag niet: de samenstellers van de index zijn immers Fransen. Zij zijn het vaak niet eens met de meningen verkondigd in de mainstream-media van Amerika. Natuurlijk oordelen zij dan dat het deplorabel is gesteld met de persvrijheid.

Want zeg nu eerlijk: hoeveel Amerikaanse journalisten worden er vastgehouden in de gevangenis? En als de controversiële filmmaker Michael Moore zonder kleerscheuren op de vierjaarlijkse landdag van de regeringspartij een gratis journalistenstoel kan warm houden, is er toch nog weinig aan de hand. Ga eens in Cuba kijken.

Maar de afgelopen weken zijn er in Amerika zoveel merkwaardige staaltjes van oneigenlijke persbeïnvloeding aan het licht gekomen dat deze houding niet is vol te houden. De zwarte conservatieve commentator Armstrong Wil liams, altijd met een gulle glimlach en een peperduur brilletje, bleek 240.000 dollar te hebben ontvangen van het ministerie van Onderwijs om in zijn radioprogramma mooie verhalen te vertellen over Bush’ onderwijswet No Child Left Behind.

Ook de columnist Michael McManus blijkt tienduizend dollar aan belasting centen te hebben gekregen als beloning voor zijn mening. En de conservatieve columniste Maggie Gallagher ontving 21.500 dollar van het ministerie voor Gezondheidszorg om het zogenoemde «huwelijksinitiatief» van Bush van goedkeurend commentaar te voorzien. Het is de «war to change the hearts and minds», maar dan met de verkeerde middelen op het verkeerde grondgebied.

De regering-Bush heeft deze drie onthullingen moeten bevestigen. Eerder al had haar persdienst pijnlijk moeten erkennen dat geruchten over «nieuwsitems» die het Witte Huis zelf had gefabriceerd om een nieuwe gezondheidswet te propageren waar bleken te zijn. De items hadden de schijn van objectiviteit door het gebruik van journalisten en het typische format van actualiteitenprogramma’s. Verschillende nietsvermoedende lokale nieuwszenders hadden de banden uitgezonden nadat die hun waren toegezonden door «freelancers» en nieuwsbureaus die, naar later bleek, door de regering waren ingeschakeld. Maar het feit dat dit alles aan het licht is gekomen betekent ook hulde aan de Amerikaanse onderzoeksjournalistiek.

Al deze recente incidenten brachten enkele Democratische senatoren ertoe in de nabije toekomst een wetsvoorstel in te dienen onder de krachtige naam: Stop Government Propaganda Act.

Bush heeft inmiddels gereageerd. Het zal niet weer gebeuren, beloofde hij deze week. «Mijn beleid zou op eigen benen moeten kunnen staan.»

Maar de lauwe reactie van de regering is niet het meest verbazingwekkende. Dat is de afwezigheid van verontwaardiging en opwinding over deze onthullingen onder het grote publiek. U leest dit bericht over een ver, maar belangrijk land op een van de eerste bladzijden van uw Nederlandse weekblad. In Amerika vind je het nieuws terug in landelijke dagbladen, op bladzijden waarvan de paginanummers ergens tussen de twintig en dertig liggen. Niet één belangrijke televisie zender heeft er veel aandacht aan besteed. Het gebrek aan verontwaardiging heeft niet direct met de persvrijheid te maken, maar kan die op den duur wel ondermijnen.

PIETER VAN OS

Medische fouten

Artsen zijn best bereid tot het melden van fouten. Als het maar in een «veilig» klimaat gebeurt.

Vanwege de publicatie van het rapport Staat van de gezondheidszorg 2004 van de Inspectie voor de Gezondheidszorg zullen sommigen in hun vuistje lachen. In het rapport staan alarmerende berichten over de medische wereld. Er sterven vele honderden mensen per jaar als gevolg van verkeerde of te onkritisch voorgeschreven medicijnen. Ook doet de inspectie een dwingende oproep tot een landelijke registratie van (bijna-)fouten en incidenten op de werkvloer.

De homeopaten, die zelf zelden verantwoording afleggen, voelen zich door deze bevindingen gesteund in hun chronische achterdocht jegens de «witte- jassendictatuur». Letselschade advocaten horen de kassa al rin kelen. En minister Hoogervorst lijkt al langer een hekel te hebben aan de «arrogante specialisten». Hij heeft bij zijn aantreden beloofd af te rekenen met de gesloten gilde cultuur. Niet alleen wil hij het mes zetten in de hoge salarissen van enkele specialistengroepen, ook pleit hij voor het openbreken van de zwijgcultuur over fouten.

Dat artsen niet bereid zouden zijn tot introspectie is al net zo’n vooroordeel als Hoogervorsts uitgangspunt dat Nederlanders supergrootgebruikers zijn van medicijnen (binnen Europa scoort Nederland namelijk heel laag). Vorige week hield de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst (KNMG) een symposium Melden van fouten waar de medische wereld zich beraamde op een beter systeem om fouten blamefree te melden en op het veilig en doelmatig voorschrijven van geneesmiddelen.

Artsen voelen zich namelijk zelf vaak niet veilig om openlijk uit te komen voor fouten. Ze zijn bang voor te harde sancties. Of bang dat ze straks door hijgende advocaten geremd worden om de risicovolle handelingen te verrichten die acute situaties vaak met zich meebrengen. Aan de andere kant worden hierdoor ook juist fouten weggemoffeld.

De luchtvaart geldt als lichtend voorbeeld. Piloten kunnen zonder direct te worden afgeserveerd via een helder systeem hun foute handelingen rapporteren, ter internationale bestudering en lering voor collega’s. In dit klimaat blijkt de bereidheid tot melden groot. Niet primair om te straffen maar om te helpen voorkomen. Het is een welkom medicijn in het mensenbedrijf van de ziekenzorg.

MARGREET FOGTELOO

Baas en buik

Een ongetrouwde mode ontwerpster wordt zwanger en besluit het kind te houden. In Egypte heeft dit voor een schandaal gezorgd.

Het beeld dat in de Arabische wereld alle vrouwen geknechte kluizenaars zijn is net zo eenzijdig als het idee dat het feminisme in de upperclass flink wortel heeft geschoten. In de meeste landen staat tegenover de meerderheid van vrouwen die zwaar bedekt over straat gaan en veelal zijn besneden (de aard en het percentage verschilt per land) een kleine elite van jonge vrouwen die vrijgevochten opereren. Ze hebben na hun studie goede banen, dragen de laatste mode en lopen met vriendinnen wilde feestjes af. Dat geldt zowel voor het theocratische Iran als voor het religieus conservatieve Egypte. Maar ook zij stuiten op een hermetisch sociaal taboe. Voor álle vrouwen geldt seksualiteit als de sleutel tot individueel aanzien en de eer van de familie. De modeontwerpster Hind el-Hinnawy uit Cairo besloot zich daar niet aan te storen.

Vorig jaar werd ze zwanger. De 27-jarige vrouw – beeldschoon en superhip – koos echter niet voor het standaard driestappenplan voor ongetrouwde meisjes van haar klasse om geroddel te voorkomen: abortus, een hersteloperatie van het maagdenvlies en een snel in elkaar getimmerd huwelijk met een door de familie geschikt bevonden kandidaat. Terwijl iedereen druk op haar uitoefende te kiezen voor de «nette weg», werkte ze apetrots zwanger door. Een leeg gezogen baarmoeder en een groots feest: ze vond het maar hypocriet. Oktober vorig jaar werd haar dochter Leena geboren.

Maar dat was niet alles: ze eist het formele ouderschap van de biologische vader op. Ze gaat zelfs zo ver dat ze via de rechter de verwekker van haar kind dwingt tot een DNA-test. Nog nooit is dat in Egypte in de rechtszaal gebeurd, behalve in geval van moordzaken. Wat de kwestie extra mediageniek maakt is het feit dat de drie jaar jongere vader de bekende televisiester Ahmed el-Fishawy is. Ze leerden elkaar kennen op de set, toen zij zijn garderobe moest verzorgen.

Deze zaak heeft gezorgd voor een debat over vrije seks versus gearrangeerde huwelijken. Volgens El-Hinnawy had zij, tot zij zwanger bleek, met El-Fishawy een zogenoemd urfi-huwelijk: een onofficieel samenlevingscontract dat de laatste jaren in de middenklasse van de Arabische wereld steeds vaker voorkomt. Binnen de soennitische islam wordt dit schemerhuwelijk geaccepteerd uit pragmatisme. Een officieel huwelijk is namelijk zo kostbaar dat het voor jonge stellen te lang duurt voordat ze met elkaar naar bed kunnen. Trouwen vereist financieel veel van een man. Hij moet een vette baan hebben, een mooi ingericht appartement bezitten en zijn officiële verloofde met gouden sieraden behangen. Getrouwde rijke mannen grijpen deze mogelijkheid overigens aan om er de nodige urfi-relaties met secretaressen, buikdanseressen of jonge studentes op na te houden.

Over dit grijze gebied tussen maagd en bruid wordt in Egypte al weken heftig gediscussieerd. De kersverse moeder roept in de rechtszaal dat het afgelopen moet zijn met de nationale schijnheiligheid over seks en de clandestiene status van de urfi-relatie. Haar inzet is ook erkenning van haar voormalige relatie. En wat zegt de gevierde televisiester: «Ik ken haar alleen uit de verte, van feestjes. En seks? Daar doe ik niet aan voor het huwelijk.»

MARGREET FOGTELOO

Zuiderzeelijn

De beslissing over de lang verwachte Zuiderzeelijn is weer eens uitgesteld. Terwijl het noorden verder kibbelt met Den Haag is een groep regionalisten al lang met een andere agenda bezig.

Het rommelt in Friesland, Groningen en Drenthe. Nu de regering zich concentreert op de Randstad en de regionale steun wil opheffen, laten de noordelijke provincies een gezamenlijk protest horen. Maar terwijl de bestuurders van het noorden nog volop ruziën met Den Haag over de uitgestelde beslissing over een supersnelle trein van de Randstad naar Groningen, zijn de regionale protestpartijen al lang afgehaakt.

In een gezamenlijke staten vergadering van de drie provincies vorige week woensdag pleitten de Fryske Nasjonale Partij (FNP), de Partij voor het Noorden (PVN) en Drents Belang (DB) voor meer autonomie voor Noord-Nederland. Een dag daarvoor liet Johannes Kramer van de FNP weten dat hij afscheiding van de drie noordelijke provincies wel zag zitten. Verstoorde rust, overstroomd worden door randstedelingen: natuurlijk moet er geen Zuiderzeelijn komen. Wat er volgens hen wél moet komen, is geld. Want, zo redeneren de diehards van FNP, PVN en DB, de drie provincies beslaan een kwart van het Nederlandse oppervlak, geef het noorden dan ook maar een kwart van de winst van «hun» aardgas. Ze zoeken het vervolgens graag verder zelf uit.

Hoeveel noorderlingen staan er achter deze politici? De jonge PVN heeft 2 van de 55 zetels in de Provinciale Staten, de inmiddels gevestigde FNP 7 van de 55. En DB, ook een jonge partij, 1 van de 51. Op basis van deze zetelverdeling zijn ze dus niet erg machtig.

Maar waar het regionale cultuurgevoel het nationale zelfbewustzijn overstijgt, wordt opeens grensoverschrijdend gedacht. Zoals veel minderheidspartijen in Europa richten de separatisten van het noorden hun hoop op «het Europa van de regio’s». Hoever het federalisme moet gaan, is niet helemaal duidelijk. De PVN is voor zelfbestuur van het landsdeel Noord-Nederland, DB wil «op sociaal en economisch gebied vergaand gaan samenwerken met de twee andere noordelijke provincies om sterker te staan ten opzichte van Den Haag».

De FNP spreekt ook over afscheiding, maar een van de «actiepunten» van hun partijprogramma stelt juist: «Alleen op grond van concrete projecten werkt Fryslân samen met andere provincies als dit een meerwaarde heeft voor Fryslân.» Waar de FNP vooral droomt van decentralisatie en DB op fortuynistische wijze een vuist wil maken naar «de hoge heren in Den Haag», heeft de PVN plannen die verder gaan. De partij mijmert over een «landsdelig» bestuur en een grensoverschrijdende samenwerking met het noordwesten van Duitsland. Voor de Europese verkiezingen vorig jaar zette de PVN maar liefst dertig kandidaten in de startblokken, waaronder een jonge Duitse enthousiasteling. De partij wist echter geen enkele zetel te bemachtigen. De FNP daarentegen ziet in haar partijprogramma een niet nader gedefinieerd «Fryslân» als een Europese regio. Overeenkomst tussen alledrie is de wens om samen te werken op economisch gebied, gebonden door conservatieve gedachten over cultuur en bodem, gepaard aan een brandend verlangen naar zelfbestuur.

Ondertussen wordt ook op Europees niveau de regio een heikel punt. Door de Europese uitbreiding liggen de armste regio’s nu vooral in Polen. Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië hebben zich fel gekeerd tegen het plan van eurocommissaris Kroes om de steun aan grote bedrijven los te laten, omdat dit vooral de arme regio’s in de nieuwe lidstaten zal bevoordelen. De grote drie binnen Europa komen op voor hun «eigen» arme regio’s.

In het kader van de decentralisatie die het kabinet voorstaat – wat deze noordelijke federalisten nadrukkelijk onderschrijven – zal Den Haag zijn noorden niet beschermen in Europa. En dus: geen snelle treinverbinding, geen subsidie, zelfbestuur, samenwerking met andere arme regio’s.

MEREL BOERS