Deze week

Week 50

Een advies van Sigmund Freud

Het Franse weekblad Le Nouvel Observateur drukt deze week de wetenschappelijke Franse vertaling af van een brief van Freud over het zionisme, voorzien van een commentaar van Freud-expert Elisabeth Roudinesco, die hem eindelijk in perspectief plaatst.

«Herr Doktor, ik ben niet in staat aan Uw wens tegemoet te komen. Wie een grote groep mensen wil overtuigen moet iets pakkends en enthousiasts op hen kunnen overbrengen, en dat is mij, gezien mijn reserves ten aanzien van het zionisme, onmogelijk», aldus Sigmund Freud in een brief van 26 februari 1930 aan Chaim Koffler, lid van de Weense afdeling van de zionistische stichting Keren Hayesod, die hem had gevraagd een wervend woordje te spreken op een bijeenkomst.

Dat Freud geen gelovige jood was en ook al weinig op had met het zionisme was toen reeds bekend. Niettemin werden hij, Albert Einstein en andere prominente joodse geleerden voortdurend uitgenodigd om naar Pales ti na te emigreren en daar te komen doceren aan de Hebreeuwse Universiteit in oprichting te Jeruzalem. In een tweede brief over deze materie die hij op dezelfde dag schreef aan Einstein en die in bijna dezelfde termen was gesteld, liet de grondlegger van de psychoanalyse weten dat hij zich weliswaar verbonden voelde met zijn «Joodse broeders» (Freud was levenslang lid van Bnei Brith), maar dat hij niet geloofde in hun «irreële fanatisme» als het ging om de vestiging van een joodse staat in Arabisch Palestina.

Zoals bekend sloegen beide mannen elke uitnodiging af, maar in het geval van Freud had die afwijzing nog een lange staart. De motivering die hij gaf in zijn brief aan Koffler is in het licht van de laatste 56 jaar welhaast profetisch te noemen. «Ik koester zonder meer de warmste gevoelens voor de vrijwillig verrichte inspanningen, ik ben trots op onze universiteit van Jeruzalem en ik ben verheugd over de voorspoed van de nederzettingen van onze kolonisten. Maar anderzijds geloof ik niet dat Palestina ooit een joodse staat zou kunnen worden, noch dat de christelijke wereld of de islamitische wereld op een dag bereid zouden zijn hun heilige plaatsen toe te vertrouwen aan de bescherming van de joden. Het zou volgens mij verstandiger zijn geweest een Joods vaderland te stichten op historisch onbelaste grond; o zeker, ik weet wel dat het onmogelijk zou zijn geweest voor een dergelijk rationeel plan het enthousiasme van de massa’s of de medewerking van de rijken te verkrijgen. Ik moet jammer genoeg ook erkennen dat het weinig realistische fanatisme van onze landgenoten niet vreemd is aan het bij de Arabieren gewekte wantrouwen. Ik kan niet de minste sympathie opbrengen voor een misplaatste vroomheid die een stuk muur van Herodes tot een nationaal reliek verklaart en omwille daarvan de gevoelens van de inwoners van het land krenkt.»

In tegenstelling tot de brief aan Einstein werd die aan Koffler echter weggemoffeld in het archief van de Hebreeuwse Universiteit. Met een verwijzing naar het boek Job schreef archivist Abraham Schwadron aan Koffler dat «geen mensenoog hem zou zien». De brief raakte verzeild in het staatsarchief in Jeruzalem dat in 1968 door Golda Meir werd opengesteld voor wetenschappelijk on derzoek. Niettemin duurde het nog tien jaar voordat een verwijzing naar de brief opdook in een wetenschappelijk artikel over Freud en Theodor Herzl. Inmid dels is de brief officieel opgenomen in het archief van het Freud Museum in Londen. Dat neemt niet weg dat rechtse zionistische websites hem nog altijd afdoen als een «nazi-vervalsing». Nadat een Algerijns weekblad de brief in 1991 aanhaalde als «bewijs» dat Freud antizionist was, vertaalde de Amerikaanse psychoanalyticus Peter Loewenberg hem in het Engels en voorzag hem van een commentaar waarin hij Freud een «gebrekkig oordeel over het zionisme» verweet omdat de staat Israël wel degelijk levensvatbaar was gebleken.

Loewenberg miste de kern van Freuds gedachten over de hele zaak, terwijl die nu juist voor een psychoanalyticus van groot belang is. Gedachten die hij later uitvoerig uiteenzette in zijn boek Der Mann Moses und die monotheistische Religion (1939). Daarin schrijft Freud dat het «eigene» van joden niet berust op het soort «misplaatste vroomheid» die hij al in 1930 in zijn brieven afwees, maar op de geestelijke vrijheid die ontstaat door het afwerpen daarvan: «Omdat ik jood was, was ik niet gebonden door heel wat vooroordelen die bij anderen het gebruik van hun verstand in perken.»

AART BROUWER

Mengele gestikt in eigen snor

Auschwitz-kamparts Josef Mengele (1911-1979) dacht er hard over na om vanuit Brazilië terug te keren naar Europa.

De Braziliaanse krant Folha de São Paulo kreeg exclusieve inzage in het politiedossier van de «Engel des doods» Josef Mengele. Het 85 pagina’s beslaande dossier over de wederwaardigheden van Mengele in Brazilië biedt een inkijkje in het privé-universum van de man die tijdens de Tweede Wereldoorlog verantwoordelijk was voor de dood van minstens vierhonderdduizend mensen. Het dossier werd verleden week vrijgegeven door de Braziliaanse politie, die de papieren in 1983 aantrof tijdens een onderzoek naar aanleiding van geruchten dat Mengele begraven zou liggen op een kerkhof in het stadje Ebu, in de deelstaat São Paulo. Aan de hand van DNA-testen werd de identiteit van de oorlogsmisdadiger bevestigd. Het dossier bestaat uit correspondentie, dagboekaantekeningen en de vervalste persoonsbewijzen van Mengele, die na zijn vlucht uit Europa in 1949 via Argentinië en Paraguay in 1960 in Brazilië arriveerde.

Mengele stierf in 1979. Hij leed al jaren aan een maagkwaal, veroorzaakt door zijn tik om de haren van zijn snor op te eten. De haarbal die zodoende ontstond kwam hem te staan op een maagwandperforatie. In Brazilië leefde Mengele onder de naam van Wolfgang Gerhard, een Oostenrijker die naar Europa was teruggekeerd en met wie hij bleef corresponderen. Gerhard adviseerde Mengele naar Europa terug te keren en daar een behandeling te zoeken voor zijn maagkwaal voordat het te laat was. Mengele was echter te zeer bevreesd dat zijn ware identiteit werd onthuld en crepeerde zo langzaam in het «rustieke en vredige Brazilië». Hij werkte als directeur van een papierfabriek, totdat hij tot zijn grote ongenoegen plaats moest maken voor een Braziliaan van Japanse komaf.

In Brazilië, zo blijkt uit de correspondentie, had Mengele nog niets verloren van zijn geloof in de superioriteit van het Arische ras. Hij betreurde het zeer dat een nichtje van hem in Brazilië in het huwelijk trad met een Duitse Braziliaan die fel tegen de Hitler-leer was. In een brief uit 1972 prijst Mengele het apartheidsregime in Zuid-Afrika, en de ban die daar bestond op interetnische huwelijken: «Een hogere dan normale productie van cultuur en een meer beschaafde manier van leven worden bijna exclusief bereikt wanneer Europese immigranten zich niet vermengen.» Ook beklaagt hij zich over het «zedenverval» van de Duitse jeugd en over de «acceptatie van de misdaden van Israël tegen het Palestijnse volk». Van enig berouw blijkt niets. In een dagboeknotitie uit 1976 spreekt Mengele over «de pijnlijke wijze waarop hij in de steek is gelaten».

De Mengele-collectie zal worden tentoongesteld in het Nationale Politiemuseum in Brasilia.

RENÉ ZWAAP

De nanny state

Irak, Oekraïne en de nieuwe Winterbottom bestaan even niet. De Britten smullen van een nieuw politiek schandaal, maar de pers heeft er moeite mee.

LONDEN – From Toe Job To No Job. Deze gitzwarte krantenkop van The Sun betekende in september 1992 het einde van David Mellors politieke loopbaan. De conservatieve «minister of fun» had in zijn Chelsea-shirt aan de buitenechtelijke tenen gesabbeld van een Spaanse actrice en vervolgens vakantie gevierd op kosten van een PLO-functionaris. Hoe anders is de houding van Engelands meest gelezen dagblad twaalf jaar later jegens een andere David: David Blunkett. Hoewel hij een of twee kinderen heeft verwekt bij de getrouwde publiciste Kimberly Quinn (en nu bij de familierechter op basis van een door hemzelf geamendeerde wet een DNA-test eist om dat te bewijzen), een visum heeft geregeld voor haar Filippijnse nanny, een ministersauto voor haar hond, een politieman voor haar woning in Mayfair tijdens de 1 mei-demonstraties en een declarabel retourtje Doncaster van 179 pond, wordt Tony Blairs blinde minister van Binnenlandse Zaken door The Sun en andere tabloids met fluwelen handschoenen aangepakt. Een rechtschapen minister van eenvoudige komaf is in de populaire pers het slachtoffer van een op macht beluste femme fatale.

De soap tussen de 57-jarige Blunkett en de nu zeven maanden zwangere Quinn (43) heeft niet alleen tot kopzorgen geleid in Downing Street, maar ook op diverse hoofdredacties. De autoritaire Blunkett mag dan volgens commentator Simon Jenkins het «juridische equivalent van een hooligan» zijn, bij de hoofdredacties van The Sun en The Daily Mail was hij de held. In de zomer van 2003 stond «Big Blunkett» welwillend tegenover de hetze die The Sun voerde tegen asielzoekers. Dat deze voormalige moraalridder drie jaar lang een relatie had met een gehuwde dame bleef een publiek geheim.

Toen Quinn in augustus de relatie persoonlijk kwam verbreken, was het een jaloerse Blunkett zelf die fotografen van de News of The World naar zijn Londense appartement dirigeerde om haar in diskrediet te brengen. Dat beweert althans The Spectator, het conservatieve weekblad dat door de extravagante Quinn wordt uitgegeven. Moeilijker is de positie van The Sunday Telegraph, waarin uiteindelijk het nieuws verscheen dat de Othello van New Labour zijn positie had misbruikt om een visum voor de kinderoppas te regelen. Quinn is al jaren bevriend met hoofdredacteur Dominic Lawson, die een tijdje geleden een beroep op makker Blunkett heeft gedaan toen in Dover bleek dat z’n vriendin haar paspoort vergeten had. Documenten die bevestigen dat de nanny, zonder aan alle voorwaarden te voldoen, binnen maar liefst negentien dagen een visum had gekregen, kwamen terecht bij The Daily Mail, waarvan de hoofdredacteur tot Blunketts vriendenkring behoort en waarvan de politiek redacteur diens geautoriseerde biografie schrijft. De krant, stem van de middenklasse, koos met frisse tegenzin voor het nieuws. Nu blijkt dat Blunkett als minister van Onderwijs indertijd «tittle-tattle» was met een jonge secretaresse, is ook The Sun overstag: Bonkety Blunk, opende de krant maandag. Oscar Wilde kende dat gevoel: «I can resist everything except temptation.»

PATRICK VAN IJZENDOORN