Deze Week

Week 7

Demonstranten onder detectie

MOSKOU – De detectiepoortjes op vliegvelden komen in Rusland nu ook op straat van pas. Afgelopen zaterdag kwamen de communistische partij en een los zooitje bondgenoten bijeen bij het standbeeld van Lenin op het Oktoberplein in Moskou om te betogen tegen de regering van president Poetin. Het is al bijna vijftien jaar hun geliefde plek.

Dit keer ging het om het besluit van de regering om de zogeheten «privileges» (gratis openbaar vervoer en medicijnen alsmede korting op de telefoonkosten) voor bejaarden af te schaffen en om te zetten in baar geld, dat her en der in het land simpelweg niet wordt uitgekeerd maar ergens blijft hangen. Het Oktoberplein rondom de vader der communisten was niet alleen hermetisch door dranghekken, politie en burgerpot afgeschermd, de betogers moesten ook allemaal door een detectiepoortje om te worden gecontroleerd op wapens en andere metalen. Wie een officiële betoging houdt – officieuze demonstraties worden meestal door de politie uiteengedreven – en daarbij door de sterke hand wordt voorzien van detectiepoortjes weet zich een echte oppositioneel van president Poetin. Want zij die de regering steunen, moeten het met gewone politiebescherming doen. Zoals de «liberaal-democraten» van de hypernationalistische rapaljepoliticus Vladmir Zjirinovski, die op een steenworp afstand van de communisten bijeen waren om tegenwicht te bieden. «Een rode brand is nergens goed voor», zei Zjirinovski, waarna zijn partij genoten gratis pap uitdeelden en een groepje blaaspoepen begon te spelen. Of zoals de regeringspartij Verenigd Rusland, die zaterdag aan de andere kant van het centrum van Moskou door de dure winkelstraat Tverskaja richting Kremlin marcheerde, vooraf gegaan door een falanx politiemannen, om haar liefde te betuigen voor «stabiliteit en orde». In haar colonne, merendeels gevormd door ambtenaren die met bussen uit Vladimir en andere nabije provinciesteden waren aangevoerd op straffe van een berisping van hogerhand, werd de enige wanklank gewoon met de blote handen gesmoord door de ordedienst.

De communisten daarentegen moesten vertrouwen op de sanerende werking van de poortjes. Het spandoek «Smerissen, we hebben gemeenschappelijke problemen» kon de politie niet vermurwen. Het schaartje van deze verslaggever kon de toets van de detectiepoortjes niet doorstaan. De bij dit soort betogingen van communisten en andere nostalgische sovjetburgers gebruikelijke antisemieten («het gaat niet om de joden maar om de joodse nazi’s») passeerden de detectiepoortjes uiteraard wél pieploos.

HUBERT SMEETS

Marinus van der Goes van Naters (1900-2005)

In 2000 droeg Marinus van der Goes van Naters zijn bibliotheek over aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam en de tekst die hij bij die gelegenheid schreef bood hij De Groene Amsterdammer ter publicatie aan. Het was een mooie aanleiding om hem te interviewen, samen met Peter Vermaas.

Het werd een gedenkwaardige middag, een ontmoeting met een levend museum. Van der Goes had in de klas gezeten bij Pyke Koch, was bevriend geweest met de iets jongere «Stuuf» Wiardi Beckman, las als middelbare scholier de Mosgroene van Wiessing, had Troelstra goed gekend, promoveerde in 1930 op een proefschrift waarin hij betoogde dat de sociaal-democratie haar marxistische staatsopvatting moest vervangen door een positievere benadering, was in het interbellum een prominente SDAP’er geweest en had in het diepe, oerkatholieke zuiden rechtsbijstand verleend aan de mijnwerkers. In de oorlog was hij gijzelaar in Sint Michielsgestel geweest en na de bevrijding werd hij fractievoorzitter van de in februari 1946 opgerichte Partij van de Arbeid. In 1951 moest hij aftreden nadat hij in een interview met een Indonesisch persbureau had gezegd dat de door hem gewenste overdracht van Nieuw-Guinea wel een kabinetscrisis waard was. Vervolgens was hij nog enige decennia lid van de Raad van Europa geweest.

Die politieke val was, ook na een halve eeuw, een pijnlijke herinnering. Maar nog pijnlijker vond hij de medeverantwoordelijkheid voor de koloniale oorlog in Indonesië. Naar eigen zeggen was hij tegen de eerste «politionele actie» geweest, maar kon hij weinig doen omdat zes weken eerder de noodwet-Drees (voorloper van de AOW) was aangenomen. «Dat je Drees, die opkwam voor die oudjes met van die beverige handjes, te kakken zou zetten. Geen sprake van, dat kreeg je niet voor elkaar.»

Met een luide vloek greep hij, niet voor de eerste keer tijdens het gesprek, naar de fles Martini en vervolgde opgewekt zijn analyse van de actuele vaderlandse politiek, die hij met een verrekijkerachtige bril nog dagelijks volgde. Over de bekwame maar wel erg vervelende en oninspirerende Wim Kok en over het buitengewoon ongelukkige beginsel van de gemeentelijke autonomie, die ervoor zorgde dat onze steden en dorpen werden bestuurd door een bende uiterst onbekwame klungels.

Goed, Socialisme en democratie las hij niet meer elke maand, maar moest dat nog, op zijn leeftijd? Nee, het intellectuele peil van de sociaal-democratie was wel ernstig gedaald. De laatste belangrijke theoreticus was Jan Tinbergen geweest. «Maar ja, die is ook al weer dood. Allemaal om me heen gaan ze dood! Verdomme. Ik vind dat heel hinderlijk.» Hij heeft nog meer dan vier jaar met dit gevoel van leegte moeten leven.

ROB HARTMANS

Tariq Ramadan

Volgens Time hoort Tariq Ramadan tot de honderd invloedrijkste personen op aarde. De om streden intellectueel en moslimprediker komt dinsdag naar Amsterdam voor de Tiende Globaliseringslezing in Felix Meritis.

PARIJS – In Frankrijk, waar hij grote populariteit geniet bij hoogopgeleide moslimjongeren, be staat veel kritiek op de charismatische Tariq Ramadan. Iets daarvan sijpelde onlangs door naar Nederland, toen de Franse ambassade een optreden van Ramadan tijdens een literair festival in Den Haag probeerde te verstoren. In Frankrijk krijgt Ramadan heel wat kritiek te verstouwen in toonaangevende bladen. «Mooi als een prins uit de woestijn» heet de sportief ogende Ramadan te zijn, maar dan toch wel een «prins van de gespleten tong» of «koning van de ambiguïteit». Zijn vijanden, onder wie Alain Finkielkraut en Bernard-Henry Lévy, zijn talrijk en machtig. Ze beschuldigen hem van antisemitisme en stellen dat Ramadan naar buiten toe voorkomend en mild is, maar tegenover zijn eigen publiek fundamentalistische praatjes afsteekt en terrorisme steunt. Maar niet het vermeende «double discours» van Ramadan, juist de «dramatisation du discours» van zijn tegenstanders is volgens hoogleraar islamologie Olivier Roy het probleem. De beschuldiging dat Ramadan een verborgen politieke agenda zou hebben doet Roy af als «volkomen absurd».

Olivier Roy: «Er is geen geheime agenda. Punt. Ramadan is een prediker, een tribuun, maar hij is geen politicus. Vergelijk hem met de Amerikaanse tv-dominees of de Spaanse Opus Dei. Natuurlijk past hij, als de getalenteerde redenaar die hij is, zijn toon aan al naar gelang het publiek dat hij voor zich heeft, maar zijn ideeën veranderen niet.»

Maar waarom wil men daar in Frankrijk niet aan?

Roy: «Ten grondslag aan de demonisering van Ramadan ligt een in de Franse Revolutie wortelend wantrouwen over alles wat riekt naar geloof en religie. De daaruit voortgekomen notie van laïcité is zelfs zo sterk dat waar Ramadan voor pleit, namelijk het streven naar een islam die is toegespitst op de waarden van de Europese cultuur en daarmee dus een combinatie van geloof en staatsburgerschap, hier niet voor mogelijk wordt gehouden.»

Zit Frankrijk net als Nederland in een identiteitscrisis?

«Op het politieke niveau is veel van wat eerst de nationale identiteit uitmaakte opgeofferd aan Europa, terwijl er op het sociale niveau zo veel verschillende groepen zijn dat mensen niet meer goed weten waar ze bijhoren. Als er dan een strijdbaar iemand komt als Ramadan, die roept dat de moslims niet bij de pakken moeten neerzitten en met elkaar een zelfbewuste groep moeten vormen, keert alles zich tegen hem.»

Beschouwt u Ramadan als een bedreiging of als een belofte?

«Hij is een oplossing, zeker, maar niet noodzakelijkerwijs de enig denkbare oplossing. Hij is een speler zoals er meer zijn, of zouden moeten zijn. Hij is een option possible.»

MARIJN KRUK

Hamlet en de Witch

De huwelijksaankondiging van prins Charles en Camilla Parker Bowles heeft niet geleid tot een volksfeest of een belegering van Buckingham Palace.
LONDEN – Veertig jaar heeft hij zich als de Hamlet van Highgrove door het koninkrijk begeven. Vol overgave en tegen alle winden in probeerde de prins van Wales, met de troon aan de verre horizon, zijn land te verlossen van Britart, betonarchitectuur en genetische tomaten. Hij ontwikkelde zich tot politicus zonder partij, die luisterde naar de mensen. Onderwijl was «zijn» Camilla in 1973 getrouwd, niet met haar «favourite little Prince» maar met de knappe paardenracer Andrew Parker Bowles. Die had er overigens weinig moeite mee dat Camilla en Zijne Koninklijke Hoogheid elkaar soms trakteerden op een warm bad of een French kiss. Met het sprookjes huwelijk van Charles en Diana stopte het uitwisselen van genegenheden evenmin. Een existen tiële leegheid bleef Charles kwellen. Hij had een moeder de vrouw nodig; geen onzekere schoonheid met gebruiksaanwijzingen. Tegen over haar biograaf vertelde Diana dat ze Camilla een keer aan de rand van Charles’ bed had aangetroffen. De prins lag daar met een gebroken arm, opgelopen tijdens het polo, en werd vertroeteld door haar liefdesrivale, die hem op zijn voorhoofd kuste, zijn mitella ordende en zijn kussens uitklopte.

In tegenstelling tot de kosmopolitische People’s Princess is de plattelandsdame Camilla een ongecompliceerde persoonlijkheid, een tomboy die er geen probleem in ziet om zich na de Beaufort-vossenjacht zonder tussenkomst van een bad in een baljurk te hijsen. Naast zijn zoons, zijn in 2002 overleden grootmoeder en Spike Milligan, is Camilla min of meer de enige die Charles daadwerkelijk kan opvrolijken. Een kleine acht jaar na de dood van Diana gaat een gelaten bevolking akkoord met het huwelijk. Ook de huidige koningin – met haar devotie, Victoriaanse koelheid en de gewoonte om muesli vers te houden in Tupperware-doosjes het toonbeeld van ouderwetse degelijkheid – is mokkend akkoord gegaan met de huwelijksplannen. In plaats van vast te houden aan familietradities refereren de Windsors zich dezer dagen aan de publieke opinie, waarmee het Britse koningshuis een democratische instelling is geworden.

PATRICK VAN IJZENDOORN