Deze week

Week 8

Joods – Marokkaans

Wordt er over pakweg 75 jaar een nostalgische zondagmiddag gewijd aan Herinneringen aan Marokkaans Amsterdam?

Misschien zouden de joden die tot 1942 in de oude Amsterdamse jodenbuurt woonden raar hebben opgekeken dat er 65 jaar later nostalgisch en verheerlijkend over hun armoedige en smerige straatjes, markten, kleine nerinkjes, analfabetisme en vechtpartijen werd geschreven. Zeker zullen de meeste niet-joden daar raar van hebben opgekeken. Achteraf zeggen ze soms heimwee te hebben naar de schilderachtige en gezellige zondagse jodenmarkt uit die dagen, maar in hun dure clubs en roeiverenigingen wilden ze die vulgaire joden die met hun handen praatten en onze Nederlandse normen niet op waarde wisten te schatten liever niet zien.

Voor Marokkanen en niet-Marokkanen lijkt geen greintje toekomstige nostalgie weggelegd naar de rotzooierige volksbuurten in Amsterdam-Oost en Amsterdam-West met hun werkloosheid, verpaupering en ver velende kut-jongetjes (van welke de nominatie dan ook). Maar nostalgie naar de Surinaamse Bijlmer uit de jaren zeventig en tachtig kunnen we ons al heel goed voorstellen. Terwijl twintig jaar geleden heel Amsterdam bang was voor Surinaamse junks en tasjesrovers.

Die Amsterdamse joden jongetjes waren ook geen lieverdjes. Ze vochten met de katholieke jonge tjes hele veldslagen uit, er vielen geen doden, maar het was wel menens. Soms werd er gevochten omdat «vuile stinkjood» was geroepen. Soms werd er oorlog gevoerd met stokken tegen de «kale neten» van de rijkere derde-klasschool. En als er in de Amsterdamse Jodenhoek een pastoor voorbij kwam, werd er gezongen: Zeven spijkers, zeven krammen/ Daar hebben we Jezus aan opgehangen!

Rob Oudkerk zou ze, denk ik, geen kutjoden hebben genoemd, maar kwajongens.

Ik citeerde uit het boek Herinnering aan joods Amsterdam van Philo Bregstein en Salvador Bloemgarten, waar net een vijfde druk van is uitgekomen bij de Bezige Bij. Het is in 1978 voor het eerst verschenen, er komen meer dan zeventig toen al oude joodse Amsterdammers aan het woord, die nu voor het overgrote deel gestorven zijn. Het is een levendig boek, waarin ze vertellen over hun werk, hun godsdienst, emancipatie, antisemitisme, integratie en assimilatie. Het boek is nu nog waardevoller dan 25 jaar geleden, omdat niemand ons nu meer over die verdwenen wereld kan vertellen. We moeten ook maar raden of de wereld van de joodse minderheid enigszins lijkt op die van andere minder heden, hier of elders.

Over die vraag werd gepraat op een lekker rommelige middag in De Balie. Schrijfster Daphne Meijer moest bij het lezen vooral denken aan het gekrioel, de geuren en kleuren en ook de armoede van New Delhi. Historica Evelien Gans maakte een onderscheid tussen «natuurlijke assimilatie» en «krampachtige assimilatie». Romaniste Solange Leibovici had er moeite mee als joden toen en moslims nu met elkaar worden vergeleken, waarop Karen Polak van de Anne Frank Stichting antwoordde: «Vergelijken is niet hetzelfde als gelijk stellen. Het gaat erom naar de overeenkomsten en naar de verschillen te kijken. De joodse geschiedenis, ook de geschiedenis van Anne Frank, kan wel degelijk betekenis hebben voor moslimjongeren.»

Een van de weinigen die zich de Amsterdamse jodenbuurt nog uit eigen ervaring kan herinneren was een van de twee auteurs, Salvador Bloemgarten. Hij legt niet de nadruk op het specifieke en speciale van de Amsterdamse joden van voor de oorlog. Hij verzucht zelfs dat het goed zou zijn als joden en moslims zouden beseffen dat ze heel veel gemeen hebben; niet alleen dat ze hun jongetjes besnijden en geen varkensvlees eten, ook dat ze een minderheid zijn en gediscrimineerd worden. En dat jongetjes nu eenmaal, overal en altijd, van vechten en keten houden.

MAX ARIAN

Bewonderd en aangeklaagd

In een nieuwe film wordt François Mitterrand geportretteerd als respectabele monarch, maar in de rechtszaal als corrupt president.

PARIJS – Met als argument het toegenomen risico van terrorisme zoeken Nederlandse politici momenteel de grenzen van het wetboek op. Het proces in de zaak van de écoutes de l’Elysée, dat afgelopen week zijn dertigste zittingsdag beleefde, leert waartoe dat leiden kan. De zaak van de illegale afluisterpraktijken gaat terug tot de beginjaren van François Mitterrands presidentschap (1981-1995). Onder vermeende terroristische dreiging werd een spionagecel in het leven geroepen die tussen 1983 en 1986 meer dan 150 «staatsgevaarlijke» personen afluisterde. Hoogstpersoonlijk gaf Mitterrand opdracht tot het aftappen van de telefoon van Edwy Plénel, de gevreesde onderzoeksjournalist en latere hoofdredacteur van Le Monde. «Le Monde lees ik al lang niet meer», zo zou Mitterrand hebben opgemerkt, «daar luister ik tegenwoordig naar.»

Grote afwezige tijdens de rechtszitting was uiteraard de oud-president zelf. Maar de première van Le promeneur du Champs-de-Mars, de langverwachte film over de in 1996 gestorven Mitterrand van Robert Guédiguian, bracht daar afgelopen week verandering in. Massaal trokken de Fransen naar de eerste film over een president, maar wie hoopte op een nieuwe visie op Mitterrands presidentschap kwam bedrogen uit. De film behandelt de laatste maanden van Mitterrands bestaan en richt zich op zijn intieme leven. Noch van de écoutes, noch van de vele andere «affaires» die zijn bewind rijk was, wordt gerept. In plaats daarvan zien we Mitterrand wandelen op het strand, zich te goed doen aan kreeft en hardop fan taseren over de benen van Julia Roberts. Tegelijk zien we een kwetsbare Mitterrand die wordt weggevreten door prostaat kanker, die niet langer in staat is om op eigen kracht uit bad te komen en die om hulp moet vragen aan de jonge journalist die hem assisteert bij de optekening van zijn memoires.

Politiek komt nauwelijks ter sprake. Of het zou in de scène moeten zijn waarin de president, gespeeld door Michel Bouquet, een groep samengedromde arbeiders toespreekt op een verlaten fabrieksterrein. Alsof de roestige machines, de half ingestorte hallen met ingegooide ramen bedoeld zijn om het failliet te illustreren van het socialistische programma waarop Mitterrand in 1981 aan de macht kwam. Maar van teleurstelling over het ontbreken van een politieke dimensie is bij de Franse critici geen sprake. Integendeel. Le Monde spreekt van de typisch Franse huiver om de macht en in het bijzonder die van het staatshoofd te verbeelden. De macht komt sinds de val van het Ancien Régime weliswaar niet meer van boven, maar heeft altijd iets sacraals behouden. En God verbeeld je niet. Door Mitterrand niet in zijn functie als president, maar als monarch in zijn nadagen te verbeelden, biedt de film voor dat probleem een elegante uitweg.

Daarmee is deze indirect een kritiek op het huidige gebrek aan leiderschap binnen de Parti Socialiste. De vier mannen die elkaar daar naar de kroon steken, François Hollande, Jack Lang, Laurent Fabius en Dominique Strauss-Kahn zijn hun politieke carrière begonnen onder of dankzij Mitterrand. Le promeneur du Champs-de-Mars toont aan hoezeer zij alle vier nog steeds gevangen zitten in de schaduw van de «magiër van het Elysée».

MARIJN KRUK

Hunter S. Thompson (1937-2005)

Afgelopen zondag maakte Hunter S. Thompson een einde aan zijn leven op zijn boerderij in Woody Creek, Colorado.

Hij deed het in de stijl van Hemingway, een van zijn idolen: met een geweerschot in het eigen hoofd. De motieven schijnen dezelfde als die van «Big Papa»: ook Thompson, 67 jaar, was zwaar ziek en wenste niet verder te leven als getuige van zijn eigen verval. Met hem gaat een anarchistische geest verloren waar Amerika juist nu zo’n schrijnend gebrek aan heeft. Thompson was de vleesgeworden antipode van alles waar George W. Bush voor staat. De laatste jaren kwam hij regelmatig met zijn opdracht gevers in con flict over zijn weinig subtiele vergelijkingen tussen de huidige bewoner van het Witte Huis en de dirigenten van het Derde Rijk.

Zijn creatieve piekperiode had Thompson in de jaren zeventig, met het legendarische Fear and Loathing in Las Vegas en Fear and Loathing on The Campaign Trail – twee epische reportages waarin de beat- en de popcultuur een stem kregen in de journalistiek. De verslaggever is in deze reportages geen neutrale observant, maar juist een hoofdrolspeler. Hoor en wederhoor, de scheiding tussen feit en mening en al die andere wetten van de klassieke journalistiek zijn hierin non-existent. In zekere zin belichaamde het werk van Thompson een op stand tegen de journalistiek zelf. Wie zijn boeken tegenwoordig ter hand neemt, kan alleen maar melancholisch worden over de droevige zelfbeknotting die de journalistiek zichzelf sindsdien heeft opgelegd onder druk van zogeheten «marktconform denken» of gewoon lafheid. In de handen van Thompson veranderde de reportage in een avontuurlijke kunstvorm, hyper individueel, hu moris tisch en hallucinant. Tom Wolfe haalde hem binnen als een van de stemmen van de New Journalism, het korte maar hevige hoogseizoen van de Amerikaanse journalistiek in het post-Watergate-tijdperk, waarin de verslaggever zich een even grote vrijheid permitteerde als een dichter of een romanschrijver. Thompson beheer ste de hele literaire canon van de VS tot in zijn vingertoppen, van Mark Twain tot Jack Kerouac. Dat maakte hem tot de meest aangewezen protagonist van deze school.

Zelf prefereerde Thompson zijn eigen benaming voor zijn journalistieke methode: de zogeheten «gonzo»-stijl, gespecialiseerd in karikatuur, scheldpartijen en de hyperbool. Met zijn reportages in Rolling Stone werd Thompson het boegbeeld van de Amerikaanse tegencultuur. Hij groeide uit tot een superster en deed een maar net mislukte gooi naar politieke macht met zijn Freak Power-beweging in het ski-oord Aspen, waar hij de functie van politiechef ambieerde. Als grootverbruiker van alle op de markt beschikbare drugs zou Thompson een curieuze sheriff zijn geweest.

Naarmate zijn roem groeide werd Thompson steeds meer een karikatuur van zichzelf. Hij kwam regelmatig in conflict met de autoriteiten in verband met zedenschandalen en schietpartijen. Tot twee keer toe werd zijn bizarre leven verfilmd, éénmaal met Bill Murray in de hoofdrol (Where the Wild Buffalo Roams), de andere keer met Johnny Depp (Fear and Loathing in Las Vegas). Daarnaast stond hij model als stripfiguur in Gary Trudeau’s Doomesbury-reeks. Steeds meer raakte hij vereenzelvigd met het burleske personage dat hij vertolkte in zijn stukken. Van zijn brandende ambitie uit zijn jonge jaren om de ultieme Great American Novel te schrijven kwam het niet. De frustratie die daaruit volgde, liet zijn sporen na.

RENÉ ZWAAP

Rechts van Bush?

De vlaggen van rechts Amerika reiken metershoog.

WASHINGTON – In het democratisch gezinde Washington DC werd afgelopen week de Conservative Political Action Conference georganiseerd, een jaarlijkse reactionairen-Rai met allerhande rechtse groeperingen, van de wapenlobby en anti-abortusgroeperingen tot ultrarechtse katholieken en rigoureuze belasting afschaffers. In het Ronald Reagan-gebouw had elke club een stand. Er werden T-shirts verkocht met teksten als: Liberalisme: Een dodelijke afwijking en Save the World from Greenpeace. Een dieper liggende angst werd geëxpliciteerd in de bumpersticker: Save the Males.

Opvallend was een groot spandoek met de tekst: Lawrence; the moral 9/11 of America. De organisatie Tradition, Family and Property, met tweehonderdduizend leden die de opdracht hebben «te luisteren naar Fatima», refereerde met de tekst naar de rechtszaak Lawrence versus the people of Texas, waarin sodomie in «besloten kring» werd toegestaan. (Toen een vertegenwoordiger van de organisatie, met jaren-vijftigbril en -kapsel, in de gaten kreeg dat hij uitleg gaf aan een Nederlander, waren de rapen gaar: «Ah! Het land van de dood!»)

Met God zelf in het Witte Huis zou je een eufore stemming verwachten op dit feest van nationalisme, kapitalisme en heteroseksualiteit. Maar kennelijk geniet reactionair Amerika zozeer van de retoriek van miskenning en veronachtzaming dat ze er geen afscheid van wil nemen. Op de conferentie werd nog altijd stevig doorgezeurd over de macht van liberaal Hollywood, de Verenigde Naties en de Oostkustelite. Ook het geëmmer over de strikte scheiding tussen kerk en staat bleef op het vaste repertoire staan. («Het staat nergens in de grondwet! Eén brief van Jefferson heeft ons de das om gedaan!»)

Macht of niet, op deze reactionairen-Rai overheerste de revolutionaire stemming van een tegenbeweging. Het grote verschil met die vorige grote tegenbeweging, uit de jaren zestig en zeventig, is de steun van het bedrijfsleven. De rechtse tegenbeweging beschikt over veel geld. En nieuw is de openlijke goedkeuring uit het Witte Huis. De fine fleur van de Republikeinse partij en regeringsvertegenwoordigers gaf acte de présence. Meesterstrateeg Karl Rove, senator Rick Santorum, Oliver North, Ann Coulter en zelfs vice-president Dick Cheney bevestigden op bulderende toon in korte, krachtige toespraken het eigen gelijk.

Tegelijkertijd gaven even verderop, op het Amerikaanse minis terie van Buitenlandse Zaken, de ministers Bot en Rice een persconferentie. Aan de vooravond van Bush’ trip naar Europa probeerden ze daar woorden van verzoening en samenhorigheid uit. Maar terwijl Rice en Bot het woord «multilateraal» in vijf minuten vier keer gebruikten, brulde nog geen uur later in het Ronald Reagan-gebouw een spreker onder luid applaus en gejoel: «We don’t take no orders from a crookish whimp like Kofi Annan!»

Direct na zijn speech kon men T-shirts en posters kopen met het logo van de VN in het vizier, waaronder de tekst: «Got Any Ammo?»

De vraag is: kan de regering-Bush opereren onafhankelijk van de eigen reactionaire achterban? Een antwoord hierop vereist geduld, voor alle partijen. En juist dat is niet de sterkste eigenschap van «the republican wing of the Republican party», de fanatieke fans die in een revolutionaire roes wapperen met de metershoge vlaggen van de restauratie.

PIETER VAN OS

Whippy-dippy-doo

Ben je graag op school? Zijn de lessen interessant en fun? Luisteren leraren naar je ideeën? Zijn ze deskundig? Behandelen ze je met respect? Op deze en een twintigtal soortgelijke vragen moeten Britse scholieren, van kleuter tot adolescent, deze week antwoord geven. Anoniem, naar goed orwelliaans gebruik. Aan de hand van de miljoenen ingevulde formulieren wil de Office for Standards in Education (Ofsted) – een van de grootste quango’s binnen het koninkrijk – te weten komen hoe het met de vijf belangrijkste onderwijsdoelen staat: gezondheid, veiligheid, met plezier resultaten bereiken, een positieve contributie doen aan en de basis leggen voor economisch welbehagen. Met deze landelijke meerkeuzetoets onderstreept de schoolinspectie de status van de «learner» (voorheen: «pupil») als onderwijsconsument. Boven alles moeten de scholen in het algemeen en leraren in het bijzonder klantvriendelijk zijn.

Waarschijnlijk hebben de docenten meer behoefte aan bodyguards dan aan school inspecteurs. Op tien procent van de middelbare scholen is sprake van een educatieve noodtoestand, een fenomeen dat op tragikomische wijze wordt beschreven in het boek I’m a Teacher, Get Me Out of Here! van Francis Gilbert. Dat New Labour toch kan pronken met puike schoolresultaten heeft vooral te maken met een vereenvoudiging van het curriculum. Wegens aanhoudend succes liggen er plannen om grammaticlessen helemaal te schrappen. Ook Shakespeare staat op de nominatie. Deze trend begint al op de basisscholen, waar taal- en rekenlessen plaats moeten maken voor «free play» waarin de little learners hun gevoelens aan de hand van klei, water en andere elementen moeten leren ontdekken.

Te midden van deze pedagogische hervormingen hoopt Jamie Oliver dat scholieren iets anders gaan ontwikkelen: smaak. Volgens de sociaal bewogen televisiekok krijgt 97 procent van de scholieren onacceptabel eten. Hoewel de gemeentebelasting gemiddeld rond de achttienhonderd euro ligt, hebben de gerechten een waarde van vijftig eurocent (gevangenismaaltijden koesteren een nominale waarde van negentig eurocent). Op een vitamine arme volksschool in Greenwich, Zuidoost-Londen, heeft de Naked Chef de patat, nuggets en hamburgers vervangen door tomaten met mozzarella, gebakken au bergines, gevulde paprika’s, verse vis, ravioli en chili con carne. Er brak een kleine opstand uit, dankbaar gefilmd door Channel 4. Leerlingen keken naar hun plastic borden alsof er arsenicum op lag, terwijl sommige ouders tussen de middag naar school kwamen om hun kinderen heimelijk te voorzien van een Big Mac. Dergelijke kritieken had de kok nog niet gehad in zijn carrière. Toch besloot hij zijn missie voort te zetten. Bij de lokale overheden zal Oliver erop aandringen het keukenbudget te verhogen. Ofsted heeft aangekondigd schoolmaaltijden voortaan te gaan betrekken in haar veldonderzoek naar de innerlijke belevingswereld van de onderwijsconsumenten.

Zullen de hokjesgeestelijken van de inspectie nu gaan luisteren naar de learners met hun hang naar zoet, vet en zout? Of naar Jamie met zijn «whippy-dippy-doo fancy»?

PATRICK VAN IJZENDOORn