Groen

Weemoed, nu al

Een jaar geleden stond op deze plek een verhaal over Bil, een tureluur van negentien jaar oud die elk jaar tussen Mauretanië en Wieringen pendelde. Nadat een week geleden iemand in Schagen me toevertrouwde dat hij de eerste grutto had gezien, kreeg ik in de dagen erna vanuit meerdere bronnen door dat Bil ook weer op zijn plek zat. Als eerste. Inmiddels twintig jaar oud.
Hier zou ik kunnen stoppen, van geluk.
Vorige week ging het hier over vergeten krokussen en het o ja, voorjaar!-gevoel dat mensen van dat bolgewas kregen. Weer iets eerder een stuk over licht, dat het toch vooral het licht was dat de lente maakte. Ik durf hier op te schrijven dat het nu, week 13 van het jaar 2009, werkelijk voorjaar is, hoewel ik een paar dagen geleden een jongen in de trein dit in zijn mobiele telefoon hoorde zeggen: ‘Mijn oma zei altijd, allemaal goed en aardig, maar half mei is het pas écht lente.’
In het rijtje bomen voor mijn raam, op de galerij, is de esdoorn wederom de winnaar: nog een dag of vier en de knoppen barsten open. Ik weet nu al dat het eikje – vorig jaar als weesboom binnengebracht – de laatste zal zijn. Omdat eiken altijd de laatste zijn. Misschien doordat die hun oude blad zo lang vasthouden, net als beuken?
De knoppen van mijn paardekastanje glanzen en kleven. Er zitten geen jonge koolmezen in de kale takken, dat duurt nog even. Evenmin hoorde ik schriele tubatonen, in een trein, zag geen lammeren in een wei met stilstaand gras. Er is nog geen jongen geweest, een beetje hondachtig, argeloos, die mij per ongeluk iets te lang aankijkt, waarna die tubatonen, de lammeren, potten vol met narcissen, tulpen en hyacinten op NS Station Hoorn, een omweg door stremmingen elders, urenlang, in steeds vollere treinen, achter die blik aan, koude, dampende sloten, vette hazelaarknoppen, geel uitslaande wilgen.
Ik heb dus gelogen, hierboven. Pas na die ene ijle dag in maart, waarin zo’n jongen figureert, is het werkelijk voorjaar, en is de zomer vervolgens altijd vol van weemoed.