Al weken is het in de gangen van de Tweede-Kamergebouwen slalommen om de groene verhuiscontainers en opgestapelde transporttrolleys waarna die containers, eenmaal gevuld, naar de verhuiswagens worden gerold. Eind deze week is het zo ver. Kamerleden, medewerkers, Kamerpersoneel, pers en Nieuwspoort verhuizen naar het voormalige ministerie van Buitenlandse Zaken. En hoewel dat ‘tijdelijk’ is, stemt het mij weemoedig. Zelf zal ik in mijn werkzame leven niet meer naar het Binnenhof terugkeren.

De eerste jaren dat ik als parlementair verslaggever in Den Haag werkte, vanaf midden jaren tachtig tot begin negentig, vergaderden de Kamerleden nog in de Oude Zaal. Zaten ze gedrieën opgepropt in de groene bankjes. Rookten en dronken ze achter de groene gordijnen in diezelfde zaal. Waren sommigen zelfs dronken. En vond menigeen ook dat laatste niet abnormaal.

Door die herinneringen is het voor mij een vreemd idee dat het ‘nieuwe’ gebouw, dat in 1992 in gebruik werd genomen, nu al aan renovatie toe is. Maar de brandveiligheid en bedrading maken het noodzakelijk. En dan is er ook nog de muizenplaag.

Terugkijkend op mijn beginjaren op het Binnenhof laat vooral de wijze van telefoneren zien dat er veel is veranderd in de manier waarop de pers zijn werk doet, een verandering die ook gevolgen heeft voor de inrichting van een gebouw. Zo was er in de jaren tachtig achter de perstribune in de Oude Zaal een kleine werkruimte voor journalisten. Daar hoorden toen ook een paar telefooncellen bij, met vaste telefoons. Zodat wij het laatste nieuws nog snel naar de redactie konden doorbellen.

Omdat het hiernavolgende voorval inmiddels is verjaard, kan ik het nu wel vertellen. Het is in de jaren dat pvda-leider Wim Kok vicepremier en minister van Financiën is in het derde kabinet-Lubbers. Tijdens de Financiële Beschouwingen wil ik even overleggen met mijn toenmalige chef en loop een van die telefooncellen binnen. Als ik de hoorn van de haak neem, hoor ik totaal onverwacht over de lijn twee mensen praten. Ik herken hun stemmen. Bang dat ze mij ook kunnen horen, houd ik de adem in, knoop in mijn oren wat ze zeggen en leg de hoorn pas weer op de haak als zij hun gesprek hebben beëindigd. Dan sluip ik het Kamergebouw uit en loop snel naar de redactie.

Omdat het volgende voorval inmiddels is verjaard, kan ik het nu wel vertellen

De volgende dag staat er op de voorpagina van de landelijk krant waar ik voor werk dat de ambtenaren van Financiën zo genoeg hebben van hun niet-communicatieve en eigenwijze minister dat ze willen gaan muiten. Woedend zijn ze op het ministerie, maar nu op ons. Mijn chef en ik worden op het matje geroepen. Op de kamer van de plaatsvervangend secretaris-generaal krijgen we de wind van voren. Mijn chef geeft echter geen krimp en laat de man uitrazen. Al die tijd heb ik moeite mijn gezicht in de plooi te houden. Want een van die twee ‘stemmen’ zit ook bij dit gesprek, niet wetend dat hij de bron is voor mijn verhaal en de woede van de hoge ambtenaar.

Dat er ook in 1992 bij de ingebruikname van het nieuwe gebouw nog geen sprake was van mobiele telefonie, blijkt wel uit de vaste telefoons die vanaf het allereerste uur op de ‘nieuwe’ wandelgangen hangen. Inmiddels maakt daar nog maar zelden iemand gebruik van. Hoogstens om bellend met de eigen mobiele telefoon enige privacy te hebben, en ook een plankje om eventueel wat op te kunnen schrijven.

In het ‘nieuwe’ gebouw kreeg de parlementaire pers een ‘eigen’ toren. Met een eigen restaurantje. Allemaal vlak bij de nieuwe vergaderzaal. Voordien hadden de landelijke kranten kleine werkkamertjes in het voormalige ministerie van Koloniën, een naam die verwijst naar een inmiddels beladen deel van de vaderlandse geschiedenis. Ik heb een foto waarop ik in zo’n perskamertje zit. Wat me nu opvalt is hoe jong ik ben en hoe verouderd de computer. We werkten nog met ms-dos. Toen een moderne zegen, geen papier en zware typemachine meer, maar tikken op een lichter toetsenbord en dan met een druk op de knop vlak voor de deadline een stuk versturen waarmee de krant de volgende dag kon openen, zoals in 1989 toen het tweede kabinet-Lubbers was gevallen.

De schrijvende pers deelde ‘Koloniën’ destijds met Kamerleden en hun medewerkers. Ook zij moesten als ze naar de vergaderzaal wilden eerst door de gangen van het eigen gebouw, stammend uit 1861, dan een brede trap op en door een iets hoger gelegen bijgebouw, uit 1915, en dan weer een – smalle – trap af naar de alleroudste gebouwen van het Binnenhof.

Beide trappen zijn er nog steeds. Vooral die smalle doet nu verbazen. Dat daar destijds dagelijks zo veel mensen over heen en weer moesten! Terwijl er echt maar ruimte was voor één persoon tegelijk. De wachtende moest zich tegen de muur drukken om de tegenligger door te laten. Maar goed dat er toen geen coronapandemie was.

De renovatie gaat vijfeneenhalf jaar duren. Of langer, want je weet maar nooit waar ze tegenaan lopen. Wat mij nu al intrigeert, is welke technische innovaties het werk van de pers wederom zullen doen veranderen en het vernieuwde gebouw alweer snel achterhaald zullen doen zijn. Maar wat blijft, is de lange geschiedenis van het Binnenhof. En de vele verhalen die daar liggen. Aan de kleine geschiedenis van mijn eigen jaren op het Binnenhof denk ik bij deze verhuizing met lichte weemoed terug.