Sport

Weer

Het zou moeten gaan over het wereldkampioenschap darten, en nog een wereldkampioenschap darten, allebei gedomineerd door stamgasten van Britse pubs met buiken, tatoeages en Wolter Kroes-overhemden. (Waar halen ze die ongelooflijk lelijke dingen toch vandaan, die shirts met palmbomen erop en een handgeborduurde naam: ‘The Power’ of ‘Barney’ of ‘Dumb Ass’?)
Het zou moeten gaan over het nieuwste grote probleem in het profvoetbal: overgewicht. Veel voetballers zijn te dik. Ze hebben buikjes en slap vel en zwembanden. Een dikke kont en een vette kop. Het zijn net normale mensen en snacken ook wel eens wat. Eigenlijk mag dat niet, behalve bij FC Utrecht. Daar mocht van coach Wim van Hanegem de selectie één keer per week een kroket, of een kipcorn of een viandel of een mexicano of een berehap of een penspijl of een uienplak of een broodje knabbelspek of een kaassoufflé of een slachtknak of een hersenworst eten. Toen werden de spelers te dik en werd Van Hanegem ontslagen.
Je bent wat je eet, en als je voetballer bent eet je veel dingen die de vorm van een voetbal hebben. Dat zijn meestal snacks. Het mooiste gewicht zit tussen de oren.
Het zou moeten gaan over Arjen Robben. ‘Robben reanimeert Real vanaf de rechterkant’ zegt de krant over de opgeleefde vleugelspits.
Of over Van der Vaart. ‘Van der Vaart vuurt voorhoede aan’.
Over Huntelaar. ‘Huntelaar hekelt hufterige hooligans hevig’.
Vele voetballers verkiezen vet voedsel. Vreselijk verkeerd voor vuurkracht.
Het zou moeten gaan over een van de lelijkste verschijnselen in de sport: de overwinningsschreeuw. Zoals die wordt geschreeuwd door de dikke darter die een set wint. Door de voetballer die scoort. Door de zwemmer die als eerste aantikt. Het is niet juichen, het is een dierlijke schreeuw, een brul, een uitroep van zelfovertuiging. Whroaahrr. Je kunt de huig van de atleet zien als hij zich breed maakt, de spierballen toont en brult. Hij loopt rood aan, maar de andere mannetjesdieren zijn onder de indruk van zoveel machtsvertoon. Wrrhwooaaoahhr. Ik ben het. Ik ben de beste.
Of het zou moeten gaan over de Rabo-wielerploeg die zegt: ‘We moeten zichtbaarder worden’, wat inderdaad een aanbeveling kan zijn en een hoop scheelt in een sport die op televisie wordt uitgezonden. Een wielrenner die niet zichtbaar is, daar zien de mensen niks in.
Maar daar gaat het niet over. Want Het Gevoel is er weer. Het Gevoel dat komt in de winter, dat bescheiden en klein begint bij de eerste voorzichtige nachtvorst en vervolgens gaat meegroeien met het ijs: een centimetertje erbij, en nog een, en dan oeps, weer twee er vanaf omdat het even dooit. Maar dan groeit het streng verder. Het Gevoel is zo sterk dat het een heel land in zijn greep houdt. ‘s Avonds zijn de telefoonlijnen overbelast: ‘Mam, heb jij op zolder nog mijn Vikings liggen? (…) Kun je misschien nog een keer kijken?’
Schaatsen zijn overal uitverkocht, slijpers maken overuren, tochten worden georganiseerd – de koorts woedt voort.
Op herinneringen kun je niet leven, maar het is wel fijn om er een paar goede van te bezitten. Het Gevoel is gekoppeld aan herinneringen: zonsondergang in de polder, met zwart knoerpend ijs voor je neus en onder je voeten en een walkman op je oren. In de maat van je mooiste muziek schaats je door de polder, tussen rietkragen, bomen, weilanden, kou, kou, kou. En blauwe lucht en zon.
Herinneringen: plassen. Loosdrechtse en Ankeveense en Vinkeveense.
Uitkijken naar iets. Verkneukelen. Verheugen. Je verheugt je op iets van vroeger, en het is er opeens ook nu.
(Klopt het of lijkt het maar zo dat je vroeger veel makkelijker kon uitkijken naar iets dat pas overmorgen zou plaatsvinden? Dus niet vandaag, nu, meteen? Had je meer geduld of ging alles trager?)
‘Mam, kun je misschien ook nog een keer in de garage kijken? Alsjeblieft?’
Het alom gedeelde Gevoel heeft inmiddels in elk geval geleid tot een prachtig woord op de voorpagina’s der kranten: ‘schaatsongelukken’. Dat krijg je dus als je even vergeet dat Het Gevoel van toen misschien wel hetzelfde is als het Gevoel van nu, maar dat het lichaam ondertussen wel wat ouder is geworden.
Het is twaalf – of meer – jaar later dan de herinnering. De botten zijn twaalf jaar strammer, de spieren zijn twaalf jaar stugger geworden – maar door Het Gevoel van nu zijn we nog net zo oud als toen, bij die zonsondergang in de polder. Knoerpend ijs. Walkman op de kop. Zzjoeff… zzjoeff.