Briefwisseling: Tim Fransen versus Jaap Tielbeke

Wéér die eenzame ijsbeer

Filosoof en cabaretier Tim Fransen en Groene-redacteur Jaap Tielbeke debatteren per brief over het klimaatbeleid. Kan de democratie een catastrofe afwenden? Of is een autoritair land als China daar beter toe in staat? Een burgerpanel wellicht?

Beste Jaap,

Ik schrijf je over een gedachte die, sinds een jaar of zo, af en toe door mijn hoofd spookt. Het is een gevaarlijke gedachte, maar tegen jou durf ik haar wel uit te spreken. En als er iemand is die de gedachte uit m’n hoofd kan praten, dan ben jij het.

Laat ik vooropstellen dat ik het in grote lijnen eens ben met de stelling van je mooie boek Een beter milieu begint niet bij jezelf. Ook ik geloof dat we het afwenden van ecologische rampspoed niet bereiken door groene consumenten te worden, maar door een ingrijpende systeemverandering. Mijn punt gaat over langs welke weg die moet plaatsvinden, en het komt hierop neer: meer en meer vrees ik de mogelijkheid dat een adequate aanpak van het klimaatprobleem op gespannen voet komt te staan met onze parlementaire democratie.

Sta me een korte omweg toe.

Tijdens mijn studies filosofie en psychologie was ik een fanatieke idealist, en je zou ook gerust kunnen zeggen: een fanatieke moralist. Met name in de filosofie zocht ik naar een rotsvast fundament om mijn morele oordelen te onderbouwen opdat ik mensen met nog meer stelligheid terecht kon wijzen. Dat bleek moeilijker dan gedacht. Schoorvoetend kwam ik uiteindelijk tot de conclusie dat er in de moraliteit, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de wiskunde, geen objectief geldige antwoorden bestaan.

De filosoof Isaiah Berlin had hierbij een doorslaggevende invloed op me. Volgens hem bestaat het morele landschap uit verschillende waarden zoals: vrijheid, autonomie, gelijkwaardigheid, welvaart, genot, privacy, veiligheid, orde, gezondheid, loyaliteit, universalisme et cetera. Omdat deze waarden met elkaar kunnen botsen moeten we (soms pijnlijke) afwegingen maken, iets wat de huidige coronasituatie treffend illustreert. De ellende is dat er geen objectieve manier bestaat om waarden tegen elkaar af te wegen. Waarden zijn incommensurabel, oftewel onderling onvergelijkbaar. Het is absurd om te zeggen: gezondheid weegt twee keer zo zwaar als vrijheid, of: zes eenheden privacy staan gelijk aan tien eenheden veiligheid.

Dit biedt ons een principieel argument voor de democratische rechtsstaat, zo meent Berlin. Dat is immers het model dat het beste aansluit op dit zogeheten waardenpluralisme. De democratie biedt een forum waar mensen hun stem kunnen laten gelden over de beste afweging tussen waarden. Had er een objectief moreel ijkpunt bestaan, dan hadden we aan één enkele leider genoeg gehad – een verlicht despoot, een wiskundige, een filosoof, of wellicht Jort Kelder. Maar de afwezigheid van zo’n absoluut ijkpunt biedt een principieel argument voor het democratische model.

Dit wil andersom echter niet zeggen dat wat het volk ook moge besluiten per definitie de juiste of verstandigste beslissing is. Mensen zijn niet volmaakt rationeel (om de stijlfiguur van het understatement maar eens uit de kast te halen). Burgers kunnen slecht geïnformeerd zijn, misleid en gemanipuleerd worden, ontkennen wat ze niet aanstaat, ze kunnen hun kortzichtige eigenbelang laten prevaleren boven de lange termijn.

En zo kom ik bij de klimaatcrisis. Wat als een bevolking bepaalde waarden, zoals biodiversiteit en een leefbaar klimaat, niet het juiste gewicht geeft en daarmee een catastrofe over zich afroept? Kortom: wat als de waarde van de democratie zelf botst met andere waarden? We kunnen een principiële reden hebben voor de democratie, maar wat als daartegenover een pragmatische overweging staat met de grootst mogelijke consequenties, namelijk het voorkomen van onze ecologische ondergang?

In je boek ga je hier kort op in. ‘Ik geloof dat het wel degelijk mogelijk is om een ecologische samenleving op democratische wijze vorm te geven. Natuurlijk zullen er moeilijke keuzes gemaakt moeten worden waarvoor politici misschien niet direct de handen op elkaar krijgen. Het is geen prettige boodschap dat we niet massaal voor een schijntje naar de zon kunnen blijven vliegen en dat vlees eten weer een luxe moet worden. Maar de verbouwing tot een duurzame maatschappij biedt ook kansen.’

Jij ‘gelooft’ dat het mogelijk is. Maar impliciet laat je ruimte open voor de mogelijkheid dat het niet zo is, dat democratie en de broodnodige klimaatmaatregelen elkaar in de weg zitten. In je boek noem je China en het overheidsbesluit om de vleesconsumptie in 2030 gehalveerd te hebben. Je noemt het weliswaar in reactie op Jonathan Safran Foers boek Het klimaat zijn wij, maar je ziet het als bevestiging van jouw stelling dat verandering niet moet komen door consumentengedrag maar van bovenaf moet worden afgedwongen. ‘Dat de vleesconsumptie in China aan banden wordt gelegd is een politiek besluit, opgelegd van bovenaf. Als het aan de Chinese middenklasse had gelegen hadden ze waarschijnlijk vaker een biefstukje gegeten, maar daar probeert de staat een stokje voor te steken.’ (Die uitdrukking heb je mooi gekozen, want zie met één enkel stokje überhaupt maar eens biefstuk te eten.)

Een van je weinige voorbeelden van geslaagde politiek betreft dus een ondemocratisch land. Wanneer je ingaat op de democratische landen ben je fel: ‘Politici hebben het laten afweten.’ Je ergernis over de ‘lakse beleidsmakers’ steek je niet onder stoelen of banken. Maar ten eerste kiezen wij die beleidsmakers zelf. En ten tweede zijn die beleidsmakers afhankelijk van democratisch draagvlak.

Het debat rond het klimaatakkoord van 2019 biedt een interessante illustratie van dit tweede punt. In feite vond er een klassiek cognitieve-dissonantie-experiment plaats. Uit een peiling van I&O Research begin 2019 bleek dat 78 procent van de Nederlanders zich zorgen maakte over klimaatverandering. Nog geen twee maanden later was dat volgens hetzelfde onderzoeksbureau gedaald tot 65 procent. Wat was er in de tussentijd gebeurd? De discussie over het klimaat en het klimaatakkoord was losgebarsten. Zo was onder andere de angst ontstaan dat mensen verplicht werden tot de aanschaf van een warmtepomp. De Telegraaf deed een duit in het zakje met koppen als: ‘Vlees moet op rantsoen: Klimaatakkoord bemoeit zich met Hollandse eetgewoonte’.

Het ontkennen van het probleem is makkelijker dan het aanpassen van je gedrag, schrijf je in je boek. En dat is precies wat we hier zagen. Zodra de overheid eindelijk dreigde doortastende maatregelen te nemen, slonk niet alleen het draagvlak, men was zelfs ineens een stuk minder overtuigd van het probleem. Dit toonde zich ook tijdens de Provinciale-Statenverkiezingen een maand later: Forum voor Democratie werd de grootste partij. De consensus was dat dit voor een groot deel te wijten was aan hun uitgesproken klimaatsceptische boodschap.

Dit is het verschil tussen China en onze democratie. China kan maatregelen opleggen die het publiek heeft te aanvaarden. Als onze overheid ook maar enigszins in de buurt komt van zulke maatregelen, rijst er verzet en rennen mensen massaal in de armen van een klimaatontkenner als Baudet.

Zelf zou ik onder geen enkel ander regime willen leven dan een democratie. Maar jouw geloof dat democratie samengaat met het tijdig en adequaat optreden tegen een klimaatcatastrofe, dat geloof is bij mij aan het wankelen. Waar haal jij dat vertrouwen vandaan? Wie weet dat ik me daar ook aan kan vasthouden.

Jij ‘gelooft’ dat het mogelijk is om een ecologische ­samenleving democratisch vorm te geven. Maar je laat ruimte open
—————

Beste Tim,

Ik weet dat je jezelf beschouwt als een montere pessimist. Ik heb met plezier geluisterd naar je podcast Beschaving: De nabeschouwing en gelachen om je grappen over de destructieve kortzichtigheid van de moderne mens. Het is knap dat je nooit cynisch wordt. Je bent geen misantroop, eerder een teleurgestelde humanist – zo iemand die vol overgave meezingt met ‘We Are the World’ en wil geloven wat hij zingt, ook al is het tegen beter weten in. En nu is het aan mij om jouw geloof in de democratie levend te houden. Dat is nogal wat.

Goed, sta mij dan ook een filosofische omweg toe. Want je overpeinzingen doen me meer denken aan Plato dan aan Isaiah Berlin. Democratie zou uitlopen op chaos, vreesde Plato, omdat de gewone burger niet in staat is om te bepalen wat goed is voor de polis. De ideale staat kon maar beter worden geleid door de Filosoof-Koning, een soort almachtige denker des vaderlands (gezien jouw cv zou jij een geschiktere kandidaat zijn dan Jort Kelder).

De westerse geschiedenis liep anders: filosofen raakten enthousiaster over de democratie, koningen werden, al dan niet letterlijk, onthoofd en het volk begon zichzelf te besturen. Een teken van vooruitgang, zou je denken, maar de laatste tijd hoor ik de echo van Plato’s pleidooi weer aanzwellen. Zelfs een collega die nota bene een kritisch boek heeft geschreven over de ‘autoritaire verleiding’ bekende dat het idee van een eco-dictatuur hem steeds aanlokkelijker toescheen. Of in ieder geval aanlokkelijker dan het alternatief: een almaar verder aftakelende planeet.

Het is verleidelijk om naar China te wijzen, als een land dat het weliswaar niet zo nauw neemt met mensenrechten, maar dat wél kan doorpakken, omdat de machthebbers niet gehinderd worden door electorale besognes. Terwijl onze bestuurders polderen in een verwoede poging voldoende draagvlak te creëren, verschijnen er in China non-stop nieuwe windparken. Terwijl Europese lidstaten steggelen over de breedte van het spoor, zoeven Chinese hogesnelheidstreinen van metropool naar metropool.

Jouw overwegingen zijn ‘pragmatisch’, schrijf je. Zelf zou je ‘onder geen enkel ander regime willen leven dan een democratie’, maar als een autoritair model onze enige optie is om het tij nog te keren, dan is het helaas niet anders. En eerlijk: als je mij zou dwingen tot een keuze tussen de liberale democratie of een leefbare planeet, kies ik ook voor dat laatste. Maar volgens mij schets je een valse tegenstelling.

Ja, ik ‘geloof’ dat we op een democratische manier kunnen verduurzamen. Inderdaad laat ik daarmee ‘impliciet’ de mogelijkheid open dat het ons niet lukt. Ik wil het best expliciet maken: die kans acht ik groter dan dat we de klimaatdoelen van Parijs wél halen. Ik denk alleen dat de redding door een milieubewuste Filosoof-Koning nog minder waarschijnlijk is.

Niet geheel toevallig las ik onlangs een boek waarin ik harde cijfers vond om die stelling te staven: The Good Ancestor van filosoof en schrijver Roman Krznaric. Er bestaat zoiets als een Intergenerational Solidarity Index, een ranglijst waarbij landen worden beoordeeld op hun zorgzaamheid voor toekomstige generaties. Wat blijkt? Autoritaire regimes scoren slechter dan liberale democratieën. En historisch bewijs voor het bestaan van verlichte despoten is nagenoeg onvindbaar.

Krznaric rekent af met de fatalistische gedachte dat mensen nu eenmaal gevangenzitten in kortetermijndenken en dat we daarom gedoemd zijn. Als dat zo zou zijn hadden we nooit kathedralen of Deltawerken gebouwd. Psychologisch is de mens prima in staat om vooruit te plannen, alleen helpt de manier waarop we onze instituties hebben ingericht niet altijd mee. Regeringsleiders hebben geen enkele moeite met het stellen van ambitieuze klimaatdoelen voor 2030 of 2050, maar wel met het maken van concrete plannen om die doelen te realiseren. Moeilijke keuzes schuiven ze liever door.

‘Tot nu toe heeft de representatieve democratie de rechten van toekomstige generaties stelselmatig genegeerd’, aldus Krznaric. Op het moment dat ik dit schrijf blokkeren de actievoerders van Extinction Rebellion de toegang tot de Zuidas, misschien wel Neerlands epicentrum van het kortetermijndenken. De horizon van de meeste beleggers reikt niet verder dan de volgende aandeelhoudersvergadering. Ze zullen niet ontkennen dat het verbranden van olie en kolen bijdraagt aan de oplopende temperaturen, maar zolang er geld te verdienen valt met investeringen in de fossiele industrie, peinzen zij er niet over hun aandelen te verkopen. Vandaar de leuze op de spandoeken van de actievoerders: Dit financiële hart klopt niet meer.

De klimaatrebellen hebben een nieuwe eis: ze willen een burgerberaad. Net als jij hebben ze de hoop opgegeven dat de parlementaire democratie een oplossing kan bieden voor de klimaatcrisis. Volksvertegenwoordigers durven niet te doen wat nodig is, omdat je met een voorstel voor duurdere vliegtickets of een forse vleestaks nu eenmaal weinig stemmen wint. Om die patstelling te doorbreken zouden we het klimaatbeleid beter kunnen overlaten aan een ‘Derde Kamer’; een raad van gewone burgers die worden aangewezen door loting, zich laten informeren door experts en na ampel beraad tot verstandige oplossingen komen.

Eerlijk gezegd weet ik niet goed wat ik van dit voorstel moet denken. Ik deel de frustratie met het getreuzel van politici en het gelobby van vervuilers, maar of een burgerberaad het medicijn is voor die democratische kwalen betwijfel ik. Voorstanders hopen dat zo’n vorm van directe democratie de polarisatie kan tegengaan. Wat ze nastreven is het habermasiaanse ideaal van een ‘machtsvrije dialoog’, waarin rationele argumenten uiteindelijk zegevieren. Maar de ongemakkelijke waarheid is dat deze transitie onvermijdelijk gepaard gaat met strijd. Er zijn onverenigbare belangen, machtige spelers die veel te verliezen hebben, botsende visies op het goede leven.

Als ik mijn bedenkingen deel met Extinction Rebellion-activisten beginnen ze steevast over Frankrijk, waar honderdvijftig via loting geselecteerde burgers negen maanden lang vergaderden over rechtvaardige klimaatoplossingen. President Macron beloofde veel van hun aanbevelingen, zoals het terugbrengen van de maximumsnelheid van 130 naar 110 kilometer per uur en een verbod op terrasverwarmers, ‘zonder filter’ over te nemen. Meer ingrijpende voorstellen, zoals het strafbaar stellen van ‘ecocide’ en het verankeren van de klimaatcrisis in de grondwet, worden eerst per referendum aan de hele bevolking voorgelegd. Ik moet toegeven: dat klinkt veelbelovend.

Ik ben benieuwd hoe jij hierover denkt, Tim. Geloof jij dat gelote burgers, anders dan gekozen volksvertegenwoordigers, wel in staat zijn om ons voor de ondergang te behoeden? Is zo’n burgerberaad misschien een geschikter ‘forum waar mensen hun stem kunnen laten gelden over de beste afweging tussen waarden’? Hebben we, in plaats van minder, juist behoefte aan méér democratie?

—————

Beste Jaap,

Allereerst: ik was een van die actievoerders die de toegang tot de Zuidas blokkeerden. Typisch weer. Jij zit comfortabel achter je toetsenbord een brief te typen terwijl deze jongen het vuile werk opknapt. (Ik zeg er eerlijk bij dat ik lafjes aan de zijlijn stond. Ik moest ’s avonds optreden dus ik kon me geen arrestatie permitteren. Eigenlijk was ik er vooral om een paar selfies te maken, zodat ik later kan aantonen dat ik aan de goede kant van de geschiedenis heb gestaan. Of in elk geval: aan de zijlijn van de goede kant.)

Geloof jij dat gelote burgers, anders dan gekozen volksvertegenwoordigers, wel in staat zijn ons voor de ondergang te behoeden?

In alle ernst: dankjewel voor je mooie brief. We zijn het met elkaar eens: een eco-dictatuur, of welke vorm van totalitarisme dan ook, is geen oplossing. Tegelijkertijd lijkt de klimaatcrisis een crisis in onze parlementaire democratie bloot te leggen. Wat te doen? Je vraagt je af of zoiets als een burgerraad misschien heil zou kunnen bieden. Meer democratie in plaats van minder.

Zelf ben je sceptisch over de deliberatieve democratie, en tot voor kort deelde ik die scepsis. Toch ben ik de afgelopen tijd steeds enthousiaster geraakt over het idee van een burgerraad. Volgens mij kan een burgerraad vier problemen omzeilen waar ons huidige systeem mee kampt. Het eerste probleem is door ons beiden benoemd: regeringsleiders schuiven moeilijke keuzes liever door. De Vlaamse minister van Leefmilieu Bruno Tobback verwoordde het treffend: ‘Bijna elke politicus weet wat hij moet doen om het klimaatprobleem aan te pakken. Er is alleen geen enkele politicus die weet hoe hij daarna nog moet verkozen raken.’ De deelnemers van een burgerraad hebben geen perverse prikkel om zich te richten op de korte termijn. Zij hoeven immers niet herkozen te worden.

Ten tweede lijkt een burgerraad me een effectieve manier om de bedrijfslobby zo veel mogelijk buitenspel te zetten. Een democratie hoort haar burgers te vertegenwoordigen, en niet het grootkapitaal. Natuurlijk moeten de belangen van het bedrijfsleven worden meegewogen, maar liever niet langs de schimmige wegen waarop dat nu gebeurt.

Dan punt drie: een voorwaarde voor een gezonde democratie is dat burgers goed geïnformeerd zijn. Onlangs las ik het boek Against Democracy. Daarin noemt politicoloog Jason Brennan een reeks pijnlijke voorbeelden van hoe onwetend het electoraat vaak is. Ook ik heb bij verschillende referenda het gevoel gehad dat ik een oordeel moest vellen over zaken die mijn pet te boven gingen, zoals bij het Oekraïne-referendum. (In zulke gevallen is de vvd altijd mijn ideologische houvast: ik kijk naar wat hun standpunt is, en vervolgens stem ik het tegenovergestelde.) Het voordeel van een burgerpanel is dat mensen alleen de kennis rond een specifiek thema tot zich hoeven te nemen. Het Franse burgerpanel over rechtvaardig klimaatbeleid kwam in totaal 21 dagen samen om zich te laten informeren door experts. Dat lijkt me een aanzienlijk grotere kennisinvestering dan de gemiddelde burger doet rond één specifiek thema.

Tot slot deel ik jouw zorg dat deze klimaatcrisis nu eenmaal gaat over botsende belangen: van energiebedrijven, van boeren, de lucht- en scheepvaart, automobilisten, huiseigenaren die geen trek hebben in windmolens die hun uitzicht bederven, en natuurlijk van de consument, verknocht als hij is aan zijn vliegreisjes en zijn stukje vlees. Een burgerpanel verandert niks aan de aard van het probleem: de beslissingen zullen pijnlijk zijn. Toch denk ik – en dit is het vierde punt – dat het psychologisch een verschil maakt als die beslissingen komen vanuit de burgers zelf. Zo voorkom je de indruk dat de overheid de burger van alles door de strot duwt.

Het idee van een burgerraad lijkt de wind in de zeilen te hebben. Onlangs bracht de oeso een jubelend rapport uit, met de veelzeggende ondertitel: Catching the Deliberative Wave. Steeds meer landen maken gebruik van deze vorm van burgerparticipatie, met positieve resultaten. Toevallig hebben cda, ChristenUnie, sgp, GroenLinks, d66, pvda en pvdd vorige week een motie ingediend om de mogelijkheden van burgerberaden te onderzoeken.

Dus eigenlijk ben jij de enige die nog sceptisch is, Jaap.

Ik heb trouwens nog niet helemaal door welke aikido-techniek jij hebt gebruikt, waardoor het kan dat ik als pessimist jou een brief stuur met een schreeuw om politieke hoop, en dat ik nu zelf die hoop zit te verwoorden. Dat heb je heel slim gedaan. Toch vraag ik me nog steeds af: als je zelf sceptisch bent over een burgerraad, hoe houd jij je optimisme over de democratie dan wel overeind in het licht van het klimaatvraagstuk?

—————

Beste Tim,

Mijn favoriete aflevering uit jouw podcastreeks is die over optimisme versus pessimisme. Tegen het einde laat je een geluidsfragment horen van een Black Lives Matter-protest in de Verenigde Staten. Ik had het bijbehorende filmpje al voorbij zien komen op sociale media. Een groep betogers zit knielend tegenover de ordetroepen. De agenten hebben plastic kappen voor hun gezicht geschoven en de wapenstokken in de aanslag. Een van de demonstranten, een zwarte man, spreekt hen geëmotioneerd toe. We staan aan dezelfde kant, zegt hij, we zijn geen vijanden, we moeten stoppen om in angst te leven. Met die zalvende boodschap eindig je de aflevering, alvorens je een Whitney Houston-lied inzet: ‘There can be miracles/ When you believe/ Though hope is frail/ It’s hard to kill.’

Ik zal toegeven: de tranen prikten in mijn ogen. Maar ik voelde me ook belazerd, want je laat niet horen hoe het filmpje afloopt. De roerende speech van de demonstrant had niet de gewenste uitwerking: in plaats van compassie te tonen sloegen de agenten de man hardhandig in de boeien. Dit is geen toonbeeld van ‘morele hoop’, zoals jij de luisteraar voorhield, maar van schrijnend onrecht. Toen ik je daarover een berichtje stuurde antwoordde je quasi-gekscherend: ‘Dat zegt alles over de wereld: dat een happy ending alleen mogelijk is met leugens.’

Ik las je vorige brief met zoveel plezier dat ik bijna vergat dat de wereld naar de knoppen dreigt te gaan. Ik weet niet hoe het is gebeurd, maar de rollen lijken inderdaad omgedraaid. Fijn om te merken dat het gelukt is je geloof in de democratie levend te houden, alleen heb ik nu opeens de ondankbare taak om je optimisme te temperen. Of nee, wacht, ik moet eerst een misverstand wegnemen, want je vroeg hoe een scepticus als ik nog optimistisch blijft. Welnu, Tim, sorry dat ik je teleur moet stellen, maar ik ben helemaal geen optimist. Ik wil niet liegen, ook niet tegen mezelf, om nog te geloven in een goede afloop.

Want laten we eerlijk zijn: veel aanwijzingen zijn daar niet voor. Afgelopen week keek ik de nieuwste documentaire van David Attenborough en ik betrapte mezelf erop dat ik afgestompt raak door alle doembeelden. Wéér die eenzame ijsbeer, wéér die brandende bossen, wéér die grafiek met de oplopende CO2-concentratie. Misschien helpt zo’n populaire film om het grote publiek wakker te schudden, maar ik vrees voor de ‘armoede in Afrika’-reflex: we luisteren met afgrijzen naar de horrorverhalen en gaan vervolgens over tot de orde van de dag. Het is zowel een absurde cognitieve dissonantie als een noodzakelijk coping-mechanisme, want wie constant het tragische lot van de levende planeet met zich mee torst zinkt al gauw weg in een klimaatdepressie.

In de podcastaflevering bel je kort met Theo Maassen. Van hem is de welbekende uitspraak dat optimisten slecht geïnformeerde pessimisten zijn, maar hij wilde even laten weten dat hij daar inmiddels anders over denkt. Pessimisme vindt hij namelijk een ‘laffe strategie’: de pessimist kan achterover leunen en als alles naar de ratsmodee gaat zegt hij zelfgenoegzaam ‘zie je wel, ik zei het toch’. Precies daarom weiger ik me over te geven aan de moedeloosheid die me zo nu en dan overvalt. Ik geloof niet, zoals een optimist, dat alles uiteindelijk wel op z’n pootjes terechtkomt, maar ik geloof evenmin dat ons lot al bezegeld is. Of zoals David Attenborough het verwoordde: ‘We have to believe it’s possible.’

We hoeven ook niet te liegen om nog hoop te houden. Onlangs zag ik een andere klimaatdocumentaire, die binnenkort in de bioscopen draait: I Am Greta. Dat haar voornaam volstaat zegt genoeg over de opmerkelijke opmars van de Zweedse scholiere die tegen wil en dank uitgroeide tot het boegbeeld van de mondiale klimaatbeweging. Waar Attenborough op indrukwekkende wijze toont hoe de levende wereld ten onder gaat, laat Thunberg op even indrukwekkende wijze zien wat we daartegen kunnen doen. Anders dan veel mensen kan Thunberg niet leven met de cognitieve dissonantie, ze kan niet overgaan tot de orde van de dag zolang politici de ecologische noodtoestand niet onder ogen zien. Dus besluit ze actie te voeren – dat behoedt haar voor een klimaatdepressie.

Het stemt me hoopvol dat Thunberg zoveel mensen over de hele wereld heeft weten te inspireren. Het stemt me hoopvol dat jij bereid bent de barricaden op te gaan, zelfs al is het vooral om goede sier te maken op Instagram. En het stemt me hoopvol dat er mensen zijn die nadenken over een andere inrichting van onze democratie, zodat we beter in staat zijn om antwoorden te formuleren op de grote langetermijnuitdagingen.

Want dat ik bedenkingen heb bij burgerraden betekent niet dat ik een tegenstander ben. Laten we de mogelijkheid van meer directe democratie vooral verkennen. Ik hoop van harte dat mijn scepsis onterecht blijkt. En ook als de polarisatie niet wegebt na de deliberatieve golf, kan meer inspraak wellicht helpen om de autoritaire verleiding te weerstaan. Een democratie biedt namelijk niet alleen betere overlevingskansen voor toekomstige generaties, het vormt ook een veerkrachtig bestuursmodel voor de onrustige tijden die wij onvermijdelijk tegemoet gaan.

En als het mij weer eens zwaar te moede wordt luister ik gewoon naar de wijze woorden van Whitney: ‘Though hope is frail/ It’s hard to kill.’