AKO Literatuurprijs voor Peter Terrins

Wéér een ontevreden schrijver

Peter Terrin, Post mortem. De Arbeiderspers, 288 blz, € 19,95

Peter Terrins vorige roman gold als een nieuw hoogtepunt in zijn oeuvre: een surrealistisch verhaal over twee bewakers die een ondergrondse parkeergarage van een luxueus appartementen­complex beveiligen, terwijl de bewoners langzaam hun biezen pakken omdat er in de wereld iets omineus aan de hand is.

Medium terrin

Iets waar de bewakers niet naar vragen, hun orders zijn heilig, ze komen de garage niet uit en gaan het complex niet in, en als Plato’s gevangenen in de grot kunnen ze niets meer dan naar het kleine stukje van de lucht kijken dat door de opening van de garage te zien is. ‘Ik tuur eerst met mijn linkeroog, dan met mijn rechteroog door de spleet aan de zijkant van de toegangspoort. Ik zie geen verschil. Rond de afgetekende, kale boomkruin is het stukje nachthemel steeds hetzelfde donker. Ik kan geen vage gloed onderscheiden, geen reflecties van brandhaarden in het wolkendek, geen kleurnuances.’

Bijna unaniem werd De bewaker geprezen om de kafkaëske setting en om zijn kwaliteit als parabel, de roman haalde de shortlist van de Libris Literatuurprijs en won de European Union Prize for Literature 2010 (zou die prijs de begrotingstekorten hebben overleefd?). Hoe goed de roman ook was, mijn bezwaar was dat de roman eigenlijk té goed in elkaar zat; Terrin had zijn verhaal zo gecontroleerd opgebouwd, zijn thema’s zo doordacht en zo helder verteld dat de roman zich daardoor te simpel en voorspelbaar aan de lezer openbaarde. Alsof Terrin het mysterie uit zijn eigen roman schreef.

Voorzover Terrin zich daar iets van aan zou trekken heeft hij nu een nieuwe roman geschreven, Post mortem, die overloopt van de idio­syncrasie die De bewaker miste. Post mortem is het verhaal van Emiel Steegman, een schrijver die ‘na tien jaar schrijven, na vijf boeken’ nog steeds niet in zicht is van de top van de literaire voedselketen; zijn drukbezochte boekpresentaties zijn altijd ‘het hoogtepunt in het korte leven van zijn romans’. Het boek begint als Steegman zich belemmerd voelt in zijn schrijven door nou ja, eigenlijk alles om hem heen, zijn vrouw, zijn dochtertje, het etentje dat hij heeft toegezegd met een delegatie schrijvers uit Estland, een handdoek die niet op zijn plek hangt als hij uit de douche komt – wat als zijn humeur door de handdoek zodanig werd verstoord ‘dat de woorden hem de rest van de dag in de steek lieten?’ In een ingeving besluit hij zich bij de organisatrice af te melden voor het etentje met de smoes dat hij niet kan komen ‘wegens nogal moeilijke tijden in de familie’.

Het is de oudste smoes uit het boek, maar hij is ermee in zijn nopjes: ‘Nogal moeilijk.’ De smoes zou bij de organisatrice een intimiteit suggereren, het klonk net vaag genoeg dat het zowel gezondheids- als relatieproblemen kon betekenen. En nog beter, de smoes brengt Steegman op het idee voor een nieuwe roman, over een successchrijver, T, die zich zorgen maakt over wat zijn toekomstige biograaf ooit over hem zal schrijven.

In zijn achtertuin hoort hij de groenlingen, de pimpelmezen, een roodborstje, hij ziet de oude, in het gras verzonken plavuizen die hem aan de zandkoekjes van zijn oma doen denken, en hij ziet zijn dochtertje Renée in haar favoriete kleding. Hij voelt zich totaal kalm en gelukkig. ‘Geen biograaf zou hier ooit lopen en voelen wat hij nu voelde, of het zich kunnen verbeelden. Het was onmogelijk.’ Verlekkerd citeert Emiel, of zijn alter ego T, een brief van Patricia Highsmith: ‘I do NOT mean to sound as important as Winston Churchill, but I am absolutely sure someone will wish to “write something” when I’m dead.’

De eerste helft van Post mortem is het gefantaseer van de schrijver, een verongelijkte navelstaarderij die niet de originaliteitsprijs verdient, want wanneer lees je eens over een fictionele schrijver die wél tevreden is? (Gelukkige schrijvers, ze bestaan wel degelijk.) Waar Terrin wel mee scoort is de ongedwongen, meanderende manier waarop hij je toelaat in het hoofd van Steegman. Je gaat door zijn herinneringen, zijn observaties en de fictionele gebeurtenissen in zijn hoofd, alles is met alles verweven. Totdat zich in de tweede helft inderdaad ‘nogal moeilijke’ familieomstandigheden presenteren: ineens wil Steegmans dochtertje Renée niet meer wakker worden. In een lange scène doet Terrin het besef naar voren sluipen dat er iets niet goed is.

In een heldere, directe stijl vertelt Terrin vervolgens verder over het ziekenhuisleven van Steegman en zijn vrouw Tereza (‘Tereza en ik worden een soort reisgidsen. We halen onze familieleden op bij de hoofdingang van kliniek 12 en begeleiden hen via liften, gangen, schuif- en klapdeuren naar Renée’), over hun angsten en hoop. In het derde deel van de roman probeert Terrin vervolgens het drama met Renée te koppelen aan de reusachtige carrièresprong van Steegman, door middel van een nieuwe verteller (een potentiële biograaf?), en dat heeft een merkwaardig effect: het eerste deel over Steegmans kleine besognes was amusant maar miste urgentie, het tweede deel was enorm urgent en met het derde deel, dat op een kalme, intrigerende manier geschreven is, misschien het beste schrijfwerk van het boek, maakt Terrin er plotsklaps een soort literair spel van. Wat resteert zijn drie perfect gecontroleerde puzzelstukken die nooit helemaal in elkaar passen.