Terug uit Uruzgan

‘Weer thuis heb je maar dertig minuten spreektijd’

Het is fijn om na terugkeer van een oorlogsmissie
weer de vertrouwde Peperbus van Zwolle te zien.
Maar wennen is het thuisland wel. Joeri
Boom bezocht drie oude bekenden uit Uruzgan
in hun veilige nieuwbouwwijk.

THUISKOMEN UIT EEN OORLOG in het veilige, geordende Nederland is moeilijker dan het lijkt. Zelfs als ik tijdens mijn reizen naar een conflictgebied weinig gevaarlijks heb meegemaakt, duurt het dagen totdat mijn adrenalinepeil in overeenstemming is met de zompigheid van onze moerasdelta. En soms volgen maanden later nog naweeën in de vorm van irritatie, desinteresse en een bijna onbedwingbare drang om opnieuw mijn tas te pakken.
Als de verslaggever, wiens reizen doorgaans slechts enkele weken in beslag nemen, zijn home coming al aan strikte rituelen moet binden om niet te ontsporen, hoe vergaat het dan Nederlandse gevechtstroepen? Zij verblijven vierenhalf, vijf en soms wel zeven maanden in oorlogsgebied.
Ik vroeg het aan Alex, Justin en Harold, drie militairen die ik tijdens de inmiddels afgesloten missie in de Zuid-Afghaanse provincie Uruzgan leerde kennen. Ik zocht ze thuis op en sprak met hen over diner. Hoe kwamen zij terug? Lukt het ze hun onalledaagse ervaringen in de mal van het Nederlandse welvaartsbestaan te persen?

ER LIJKT GEEN VUILTJE aan de lucht. Alle drie wonen ze in een keurige nieuwbouwwijk, in respectievelijk Zwolle, Den Bosch en Enschede. Maar het huis van Alex in Zwolle is wel erg leeg. ‘Het gaat binnenkort in de verkoop’, vertelt hij. ‘We hadden het net gekocht toen we uit elkaar gingen. En ons vorige huis staat ook nog te koop.’ Het komt goed, zegt hij. Hij heeft voor hetere vuren gestaan.
Ik leerde Alex kennen op de kleine voorpost Volendam in het district Deh Rawod, zes kilometer ten noorden van Camp Hadrian, waar driehonderd Nederlanders waren gelegerd. Volendam werd bemand door een peloton van tussen de dertig en veertig man. In september 2007, toen het district onder de voet werd gelopen door de Taliban, verdedigde het antitankpeloton van Alex, luitenant en derhalve pelotonscommandant, de voorpost. Ik kon er naartoe met een klein konvooi, toen de Taliban hun aanvallen op de politieposten in het district al hadden ingezet. Ook Volendam was aangevallen. Een mortiergranaat was net buiten de omheining geëxplodeerd en een raketgranaat had op een haar na een van de pantserwagens geraakt. Alex toonde het me, schouderophalend bijna. ‘Was ik zo afgestompt? Dat heb ik niet beseft’, zegt hij. Hij had echter alle reden om zijn gevoelens in een harnas te hijsen. Later die maand probeerden de Taliban de kleine basis te omsingelen, wat ze op een haar na lukte.
Volendam was een tijdelijk thuis voor Alex en zijn mannen. Ze zaten er meer dan de helft van hun uitzending. Er was geen comfort. Douchen deed je met een fles water, schijten deed je in een zak. Zijn ware thuis droeg Alex met zich mee in de vorm van een replica van de Peperbus: de Onze-Lieve-Vrouwekerk in het centrum van Zwolle. ‘Mijn échte thuis is waar mijn familie is. En dat is in Zwolle. Als ik op de snelweg rij en ik zie de Peperbus, dan kom ik thuis. Ik ben nog geen honderd meter van de toren geboren. Toen ik nog bij mijn moeder in de buik zat, hoorde ik elke dag de klokken.’
Alex vertelde me destijds iets wat ik nog geen luitenant had horen zeggen. Als het zwaar was geweest zorgde hij ervoor dat zijn mannen bij elkaar kwamen om stoom af te blazen. Alles mocht gezegd worden, er mocht gehuild worden en gescholden. ‘Maar daarna is het ook over’, zei hij. ‘Dan zijn we kwijt wat we kwijt moesten en zijn we weer scherp.’
We zitten aan Alex’ eettafel. Ik heb Alex, Justin en Harold gevraagd of ik ze mocht spreken samen met een van hun naasten, iemand die hun in de ogen keek toen ze vertrokken en opnieuw toen ze weer thuiskwamen. Voor Alex (33) is dat Freddie, zijn vijf jaar jongere broer. We eten Bretonse vis, uit een diepvriespakje, en aardappeltjes uit de oven. De groenten zijn erbij ingeschoten. Alex diept een grote glazen pot boontjes op uit een lade. ‘Ik kan ze wel even opwarmen als je wilt?’
Dat hij zijn mannen gelegenheid gaf stoom af te blazen, houdt verband met zijn eerste uitzending, naar Kaboel in 2006. Toen leerde hij veel over thuiskomen. Hij maakte er spannende dingen mee, al was het niets vergeleken bij Uruzgan. Er waren beschietingen, er was een cultuurshock, en de horror van een onbegrijpelijk conflict. ‘Moet je je voorstellen. Een meisjesschool gevestigd in tenten, waar een bom van 150 kilo wordt gevonden. Stel je voor dat het ding was afgegaan tussen die meisjes van acht, negen jaar. Dat begon door mijn hoofd te spoken.’
Freddie: ‘Je vertelde nooit wat. En ik wist toen nog niet hoe ik de juiste vragen moest stellen. Ik was 22.’
Alex: ‘Ik dacht dat niemand het zou begrijpen, dus hield ik mijn mond. Maar het kwam er toch wel uit. Op een avond zat ik tv te kijken. Ik wist niet dat mijn vriendin meidenavond had. Ik ging even de kamer uit. Toen ik terugkwam, zaten er opeens allemaal vrouwen op mijn bank vrouwen-tv te kijken. Ik pakte de afstandbediening en begon te zappen. Daar zeiden ze wat van. “Jullie moeten godverdomme allemaal je bek houden”, riep ik. “Ik betaal hier, ik ben hier de baas, donder allemaal op als het jullie niet bevalt.” Oeps, dacht ik, dit is niet best. Ze gingen weg, en daarna stortte ik helemaal in. Toen ben ik hulp gaan zoeken.’
Maar voor zijn toenmalige relatie was het te laat. Toen hij naar Uruzgan ging, had hij weer een vriendin. ‘Ik besloot: wat mij toen is gebeurd, dat gaat mijn kerels niet gebeuren. Ik wil het niet hebben. En ik wil zelf ook niet meer zo thuiskomen.’ In het opwerkingstraject voor de uitzending bouwde hij extra uren geestelijke verzorging in voor zijn peloton.
We spreken lang over de momenten in Deh Rawod die indruk op hem maakten. Eén daarvan heeft te maken met de daad waarvoor hij werd onderscheiden met het Bronzen Kruis, een hoge dapperheidsonderscheiding. Alex had geprobeerd onder zwaar vijandelijk vuur een getroffen soldaat uit een ander peloton, Tim Hoogland, te redden. ‘Ik wist dat we regelrecht een killzone in reden waar meer dan honderd man Taliban zaten. Ik wist dat we moesten vechten tot op tien, vijftien meter. Maar ik had zo'n vertrouwen in mijn peloton dat ik niet bang was.’ Hij kroop naar de getroffen Hoogland en zag meteen dat hij dood was. Hij sleepte hem met zich mee terwijl hij vuurde met één hand. Toen moest het lichaam de pantserwagen in. ‘Ik ging staan, met mijn rug naar de vijand. De kogels sloegen in op nog geen dertig centimeter. Ik dacht: straks voel ik een harde klap en dan ben ik dood. Dat ik dat moment overleefd heb, heeft grote indruk gemaakt.’
We drinken cola, maar als zijn thuiskomst aan de orde komt, trekt Alex liever een biertje open. De blijdschap om weer in de schaduw van de Pepermolen terug te zijn, bij zijn familie en vrienden, was niet genoeg tegengif voor zijn oorlogservaringen. Soms voelt hij zich zelfs schuldig dat niet hij, maar Tim Hoogland sneuvelde. Het kost meer tijd en aandacht om zulke gevoelens aan te pakken dan je omgeving voor je heeft, weet hij inmiddels: ‘Als je terugkomt van een missie, heb je maar dertig minuten spreektijd, en daarna gaan we weer over tot de orde van de dag.’
Hij zocht contact met een van de geestelijk verzorgers die tijdens de uitzending op Camp Hadrian zat en de situatie daar aan den lijve had ondervonden. Een jaar lang voerde hij geregeld gesprekken. ‘Om de zaken in de juiste volgorde te zetten en ze vervolgens een plek te geven.’ Het hielp hem.
Inmiddels is hij weer écht thuis. ‘Hij geniet veel meer van het leven’, zegt Freddie. Inderdaad, beaamt Alex, hij windt zich niet zo snel meer op. Ook niet nu opnieuw een liefdesrelatie op de klippen is gelopen, wat wel eens te maken zou kunnen hebben met de nieuwe levenslust die hij uiteindelijk vond. ‘We konden elkaar niet geven wat we verdienden. Het is beter zo.’
Freddie brengt me met de auto naar het station. ‘Pas nu, drie jaar na dato, begin ik te beseffen hoe heftig het daar was. De meeste Nederlanders weten dat niet. Dat vind ik verschrikkelijk. Maar ik ben trots. Niet alleen op mijn broer, maar op zijn hele peloton.’

OP WEG NAAR HET HUIS van Justin (28) en zijn vrouw Silvia (27) in Den Bosch loop ik langs keurige tuintjes. Ik weet dat ik mijn bestemming heb bereikt als ik door een zijraam Justin zie roeren in een pan. ‘Hij kookt negen van de tien keer’, zegt Silvia. ‘Negentien van de twintig’, corrigeert Justin. Hij lacht en schenkt zijn vrouw en zichzelf rode wijn in. Ik drink bier van buiten. IJskoud. We eten truffelpasta bolognese.
Ik leerde Justin kennen tijdens operatie Spin Ghar in november 2007, in de beruchte Baluchi-vallei, een Taliban-stronghold. Ik was ingedeeld bij een peloton op de heuvels rond de vallei. Toen ik Justins mannen gekleed in donkergroene camouflage de green zone in zag duiken - het dichtbegroeide deel van de vallei, waar de Taliban hun stellingen hadden - klampte ik hem aan. Ik werd met open armen ontvangen.
‘Iedereen betaalt een prijs voor de missie, werd ons verteld’, zegt Justin. ‘Misschien geldt dat ook wel voor het thuisfront. Ik heb veel respect voor wat de mensen om mij heen hebben doorgemaakt. Ik kon het gevaar inschatten. Zij hoorden over de gevechten en vroegen zich af: is het Justin?’
Zijn mannen waren tirailleurs, soldaten die ver voor de troepen uit vechten. Hij was 25 toen hij als pelotonscommandant naar Uruzgan ging. ‘Ik heb niet echt last gehad. Maar ik ben wel harder geworden, en onverschilliger.’ Silvia knikt. ‘De eerste weken dat je terug was had je een kort lontje. Je kon weinig hebben. Maar nu laat je je niet zo snel meer gek maken. Als ik met iets aankom van mijn werk zeg jij: laat het toch.’
Justin is de zoon van een overste der mariniers en een creatieve Ierse moeder die er plezier in schept geregeld de aankleding van het ouderlijk huis grondig te wijzigen. Thuis zijn is voor hem een gevoel dat teweeg wordt gebracht door mensen. Zijn vrouw, ouders, broertje en zusje, en zijn beste vrienden. Hij merkte hoe belangrijk een stabiele thuissituatie is voor de scherpte van zijn mannen. Een van hen had tijdens de voorbereiding problemen thuis en begon fouten te maken. ‘Dan vergat hij weer zijn wapen en reden we er met een pantserwagen overheen.’
Zijn peloton kwam herhaaldelijk terecht in zware gevechten. Tijdens een daarvan, dat bijna dertien uur duurde, gleed een pantservoertuig van een helling, waarbij een van de rupsbanden van de wielen liep. ‘Ik was over de zeik natuurlijk. Totdat ik zag waar ze terecht waren gekomen. Ze werden van alle kanten onder vuur genomen. Die jongens zijn een paar keer de wagen uit geweest om te proberen die track er weer om te krijgen. Het duurde anderhalf uur voordat we ze daar weg hadden.’
Tijdens de voorbereiding van Spin Gahr kreeg hij te horen dat het de taak van zijn peloton zou zijn om de ‘inbraak’ te doen, de eerste aanval. ‘Ik liep twee dagen rond met een waas in mijn hoofd.’ Toen ze de vallei in stormden, stond er opeens een man voor hun neus met een grijns op zijn gezicht. ‘"Hello", zei hij, “good afternoon.” Achter hem zag ik een vrouw met kinderen. De mindset van de mannen was: iedereen die we tegenkomen is een vijand. Gelukkig ging het goed.’ Niet veel later moest hij zijn mannen uitleggen dat ze een dodelijk gewonde Taliban-strijder géén genadeschot mochten geven. ‘Het was echt een andere wereld die met thuis helemaal niets te maken had.’ De helft van zijn peloton had problemen na hun terugkeer. Bij de meesten werden die verholpen met professionele hulp. ‘Maar er zijn er een paar die nog steeds last hebben van herbelevingen. Steeds dezelfde droom.’
Justins peloton keerde terug vlak voor Kerst. ‘Heel bijzonder. Zoveel mensen op de vliegbasis, en niemand was geïrriteerd door de drukte. Alleen maar blije gezichten.’ Silvia had zich, klein als ze is, helemaal naar voren weten te wurmen en was als eerste bij hem. Iedereen die zijn thuis vertegenwoordigde was er, zelfs de oma van zijn vrouw. Het was geweldig, zegt hij, maar de kerstdagen die volgden waren te veel van het goede. ‘Het lukte me niet mee te gaan in de flow. Maar ja, je kunt moeilijk met Kerst zeggen dat je een paar dagen op jezelf wilt zijn.’ Hij was tijdens de missie tien kilo afgevallen en sportte na zijn thuiskomst zo hard dat hij er nog eens drie kwijt raakte. ‘Je was heel onrustig’, zegt Silvia.
Hij merkte dat hij behoefte had om zijn mannen weer te zien. De key figures van het peloton nodigde hij uit op zijn bruiloft. Silvia: ‘Ze stonden heel trots voor de kerk. Dat was mooi.’ Later besloot hij een reünie op touw te zetten waarbij ook hulpverleners aanwezig waren. Hij had zijn mannen verboden elkaar uit te maken voor mietje als ze het over hun problemen hadden. ‘Ik vond dat juist ontzettend dapper.’
Hij leerde dat thuiskomen geen eenmalig feestje was, maar een lang en voor sommigen pijnlijk proces. Voordat hij als kapitein naar een andere eenheid vertrok, schreef hij voor alle manschappen die in een benarde situatie hadden gezeten een proces-verbaal-van-ongeluk, inclusief getuigenverklaringen. ‘Zodat ze kunnen bewijzen dat het werkelijk gebeurd is, mochten ze later echt problemen krijgen.’

TELKENS ALS HAROLD zijn huis verlaat, ziet hij zichzelf. Naast de woonkamerdeur die toegang geeft tot de hal hangt een grote foto waarop hij lacht en blaakt van levenslust. Zijn gevechtskleding is doorweekt van het zweet. In zijn ene hand heeft hij zijn helm, in de andere zijn automatische geweer, de loop naar beneden. Hij heeft net de zwaarste hinderlaag uit zijn carrière overleefd.
Harold (36) maakte als wachtmeester deel uit van het OMLT, een klein team van Nederlandse militairen dat het Afghaanse leger trainde. Train as you fight was het devies: train alsof je vecht. ‘Dat werd dus trainen terwijl we vochten’, zegt Harold smalend.
Maanden had ik lopen zeuren om met het OMLT mee te mogen. Dat lukte half juni 2007, een paar dagen na de slag om Chora, de zwaarste gevechtsactie van dat jaar in heel Afghanistan. Nederlandse troepen sloegen een grote Taliban-aanval af. Daarbij vielen honderden doden aan de kant van de Taliban en tientallen onder de burgerbevolking. Eén Nederlander sneuvelde. Het was verreweg de gevaarlijkste periode uit mijn verslaglegging van de missie. Negen dagen liep ik in de snikhete, dichtbegroeide Choravallei mee met patrouilles van drie Nederlandse en dertig tot veertig Afghaanse militairen. Twee keer liepen we bijna in hinderlagen van Hekmat, een beruchte Taliban-commandant.
Tijdens ons gesprek in de woning van Harold en Lobke in Enschede snort geregeld de elektrische thuistap. Iets later dan gepland wegens de gladheid arriveert de Chinees met een exquise rijsttafel - nog prima op temperatuur. Op de kleine OMLT-basis in Chora creëerde Harold zijn eigen thuis. Hij bivakkeerde op een stretcher net buiten de grote tent waar de rest van de eenheid sliep. Op zijn stretcher deed hij alles. Slapen, roken, koffiedrinken, zijn wapen schoonmaken. Lobke (32), Harolds vriendin, moet lachen. ‘Typisch Harold. Je hoefde nog net niet aan te bellen, zeker?’
Uruzgan was Harolds vierde missie. Drie keer werd hij uitgezonden naar Bosnië. De eerste keer, in 1994, tijdens Unprofor, leverde hem aardig wat problemen op. Het waren de machteloosheid van het mandaat en een beschieting door een sniper, waarbij hij de kogels hoorde suizen, die hem nekten. Hij werd rusteloos en brak zijn half voltooide onderofficiersopleiding af. Hij ging werken in de horeca, dronk te veel en raakte gokverslaafd. ‘Dat gokken was een coping-mechanisme, weet ik nu. Het heeft me drie jaar van mijn leven gekost, maar ik ben er niet slechter uitgekomen. Beter zelfs. Daardoor kon ik tijdig aan de bel trekken toen het na Uruzgan de verkeerde kant op ging.’
Zeven keer kwam hij zwaar onder vuur te liggen. Kleine vuurcontacten telde hij niet mee. Hij voelde de luchtverplaatsing van een kogel die rakelings langs zijn wang suisde en kreeg een riedel vlak langs zijn benen. ‘Elke patrouille deed je op het toppunt van je spanningsboog. Het kon na elke hoek gebeuren.’ Hij wijst naar de foto aan de muur. ‘Die tic (troops in contact - jb) was de druppel. Daarna merkte ik dat ik in staat was dingen te doen die ethisch niet correct waren. Ik was daar zo mee bezig dat ik mijn scherpte verloor, waardoor mijn teamgenoten gevaar liepen. Ik heb aangegeven dat het niet verstandig was me nog mee te nemen.’ Ook al was het op het einde van zijn uitzending, het was een moeilijke beslissing. Het voelde alsof hij zijn kameraden in de steek liet.
Rond die tijd verschenen gevechtsbeelden op het NOS Journaal, gefilmd door Defensie-fotograaf Gerben van Es. Harold was prominent in beeld. ‘Toen ik dat zag, vond ik het mooi geweest’, zegt Lobke. ‘Op onze eerste date had hij meteen gezegd dat hij militair was. Hij had ook met me overlegd over zijn uitzending. Ik wilde hem niets in de weg leggen. Maar we kenden elkaar net en waren van plan om een toekomst op te bouwen. Wat hij daar moest doen was te heftig. Ik heb zelf met Defensie gebeld.’
Harold kwam eerder naar huis. Hij ging met Lobke en haar zoontje op vakantie. Drie weken lang werd er niet over Afghanistan gesproken. Vervolgens begon de zoektocht naar een koopwoning, gevolgd door een verbouwing. Eind april was die gereed. Begin mei kwam de klap. ‘Ik kwam tot rust’, vertelt Harold, ‘en ineens kwam alles eruit.’ Hij werd al een tijdje badend in het zweet wakker door de nachtmerries, en hij begon steeds wilder om zich heen te slaan in zijn slaap. ‘Je kon niet meer fatsoenlijk naast hem liggen’, zegt Lobke. ‘Hij zat echt midden in de gevechten.’ Nadat hij emotioneel was gecrasht tijdens een feestje besloot hij hulp te zoeken. Na een half jaar had hij zichzelf weer op de rails. ‘Ik denk nog bijna dagelijks aan mijn uitzending. Da’s niet erg, hoor. Ik zie het als een prestatie waar ik trots op mag zijn. Maar het steekt me dat ik al een jaar wacht op mijn gevechtsinsigne, dat ik nog zelf heb moeten aanvragen ook. Wij hebben daar meer risico gelopen dan menigeen. Ik had meer waardering verwacht van Defensie.’

HET HEEFT EVEN GEDUURD, maar Alex, Justin en Harold voelen zich inmiddels weer echt thuis in het veilige Nederland. Alle drie werken ze nog bij Defensie. Zouden ze terug willen? Alex twijfelt. Justin gaat liever naar een andere plek dan Uruzgan. Harold wil gráág, al hoeft het niet meteen volgende week.
‘Ik heb daar nog aardig wat rekeningen open staan’, zegt hij.
Lobke: ‘Het is heel gevaarlijk om zo te denken, Harold.’
Harold (onverstoorbaar): ‘Met ene meneer Hekmat, bijvoorbeeld. Die ken jij ook nog wel, Joeri. En er zijn nog wel meer van die types daar, die ik…’
Lobke: ‘Harold! Je zou je gezicht eens moeten zien. Jij kunt niet terug!’
Harold: ‘Maar ík ben niet begonnen. Ik wil er best weer heen.’ Hij wijst weer op de foto aan de muur. ‘Dan zullen we nog wel eens zien wie het gore lef heeft om opnieuw op me te schieten.’