Weerloze macho

In zijn nieuwe, grootse roman Zwarte schuur vertelt Oek de Jong over het leven en werk van een kunstenaar. Een onvervalste macho, maar een bij wie het besef van schuld steeds groter wordt.

Meisjes willen aan hem peuteren, vrouwen dringen zich op, drukken hun natte lippen op zijn mond, hun rimpelige décolleté in zijn gezicht. Zijn galeriehouder smeekt hem om meer werk. Als jong en veelbelovend schilder in de jaren tachtig is Maris Coppoolse de wereld al bijna moe. ‘Een meisje hield hem bezig, maar de effecten van de brede kwast van een Chinese schilder van eeuwen geleden boeiden hem minstens zo sterk.’ Voortijdig verlaat hij kunstfeestjes met de beste smoes die er is: ‘Ik moet waken bij een stervende vriend.’ Die stervende vriend is hij natuurlijk zelf.

De grootse nieuwe roman van Oek de Jong, Zwarte schuur, is het verhaal van de ondergang en wederopstanding van een scheppend mens. In een strakke constructie van vijf delen volgen we Maris Coppoolse in verschillende stadia van zijn leven. We treffen hem allereerst in het hier en nu, op zijn 59ste, aan de vooravond van een prestigieuze overzichtsexpositie van zijn werk in het Amsterdamse Stedelijk Museum. In de openingsscène van het boek snellen hij en zijn vrouw Fran zich per taxi naar de feestelijkheden waar directeur, vrienden, bekenden en journalisten op hem wachten.

Met heldere, zelfverzekerde pen zet De Jong het drama onmiddellijk op scherp. Maris en Fran vormen een paar in crisis. Na twintig jaar huwelijksleven, waarin de beide kinderen uit het eerdere huwelijk van Fran tot volwassenen zijn uitgegroeid en -gevlogen, is er sinds anderhalf jaar een verwijdering tussen de echtelieden. Pijnlijk invoelend vanuit Frans perspectief en tamelijk meedogenloos vanuit Maris’ gezichtspunt – ‘Ze was boos op hem omdat hij haar niet meer neukte. Een vrouw werd onverdraaglijk als je niet meer met haar vree’ – creëert De Jong een van de riskantste allianties die er bestaan: die van de man in his prime naast de ouder wordende, zich verwaarloosd voelende vrouw. Zo zullen ze te laat komen op de vernissage omdat Fran niet kon besluiten wat ze aan moest trekken, en of ze wel of niet een lint in haar haren moest doen. Nu zit ze ongelukkig te wezen in een gele jurk die te strak zit – ze is de laatste tijd wat molliger geworden – én voelt ze zich opgelaten vanwege dat lint. Een onzekerheid waarin ze even later bevestigd zal worden door haar zoon: ‘Je moet er niet jonger uit willen zien dan je bent, mam.’

Oek de Jong heeft een fijne sensibiliteit voor details, uiterlijkheden, geuren, de kleine dingen die een stemming of sfeer bepalen of sturen. Hij schrijft zeldzaam beeldend en toch kraakhelder, zonder gezochte vergelijkingen. Of het nu gaat om het krakende hout van een trap of de zilte geur van een kut, hij wekt mens en omgeving tot leven, laat de lezer vanaf de eerste bladzijden genieten, meevoelen, kijken. Wat alleen misschien bijna onvermijdelijk is in een roman over mannelijk kunstenaarschap, geschreven door een man, is dat de man degene is die kijkt, en de vrouw degene die wordt bekeken. Het maakt niet zoveel uit als het perspectief even bij Fran komt te liggen: zij kijkt naar zichzelf met de ogen van Maris. Alle vrouwen die een naam krijgen in deze roman zijn er om Maris contouren te geven, om Maris voort te stuwen, hem te doen schitteren.

Het is wat het is. Kun je een schrijver zoiets verwijten? In zijn vorige romans, met als hoogtepunt Hokwerda’s kind, blonk De Jong uit in het portretteren van vrouwen, kroop hij in hun hoofd en lichaam. Je kunt hem niet bepaald voor de voeten werpen dat hij niet goed naar vrouwen zou kijken, ze niet zou ‘kennen’, voor zover ze een soort vormen. Onbehaaglijk stemt het wel, de zorgen die Fran zich maakt om haar lichaam dat alleen nog maar een badpak met pijpjes verdient, de verlustiging van Maris aan het jonge glanzende gezicht van zijn assistente, hoe hij de jeugd opsnuift aan de haren van een vrouw, er altijd van verzekerd is her en der vrouwen tegen zich aan te kunnen trekken. Zoals Fran er op haar beurt zeker van is dat zij ingeruild kan worden. ‘Jong. Daar ging het om.’

Je kunt Oek de Jong niet bepaald voor de voeten werpen dat hij niet goed naar vrouwen zou kijken, ze niet zou ‘kennen’

Laat ik het dan zo zeggen: als het de bedoeling was in Zwarte schuur de kunstenaar als onvervalste macho neer te zetten, dan is de schrijver daarin heel goed geslaagd. Maris spiegelt zich vanzelfsprekend aan de groten der aarde, is een bonk viriliteit en vitaliteit, op het agressieve af. Zint hem iets niet, dan gaat de boel aan diggelen. Dringt een vrouw zich ongewild aan hem op, dan is het: ‘Ik heb geen trek in je.’ De demonen uit zijn verleden spelen weliswaar een grote rol, maar zijn er vooral om te kunnen verslaan. Van vrouwen weet hij inmiddels dat het het beste is om ze niets in de weg te leggen en alle ruimte te geven. ‘Meestal draaiden ze dan bij.’

De ironie van die mannelijkheid is dan overigens wel weer dat naarmate je dieper in het personage komt, het een nauw verweven overlevingsstrategie blijkt. De jonge Maris, opgroeiend in een Zeeuws dorpje, is een buitenstaander pur sang, geliefd bij de meisjes, gewantrouwd door de jongens. Daar komen we achter in het tweede deel van het boek, waarin wordt afgedaald naar zijn jeugd, die wordt gekenmerkt door een dominante moeder met losse handjes en een machteloze vader. Alles zindert bij de veertienjarige Maris met zijn lange haren en zijn jasje; zijn ontluikende seksuele nieuwsgierigheid en de bijkomende schaamte worden indringend beschreven. Hij heeft een opvallend portret van zijn eigen ouders geschilderd, is in de leer bij de lokale kunstschilder. Zonder het te kunnen benoemen voelt hij bij zijn leraar thuis de seksuele lading tussen hem en zijn vrouw, net als bij de winkelmeisjes die naar hem kijken, de tante die niet van hem af kan blijven. Nadat drie jongens hem uitdagen – ‘We willen hem zien!’ – en uiteindelijk in elkaar slaan, wordt alles anders. De polder, de gele stoppels op de akkers, ‘het leek of hij ze kende van vroeger, uit een andere tijd’. En dan is er nog Matty, het meisje dat een jongen zoekt om mee te schommelen. Hij wil niet met haar zijn, maar geeft toch aan haar toe, wordt kwaad als ze hem zegt: ‘Je bent geen echte jongen.’

De zwarte bladzijde uit zijn jeugd wordt geopenbaard in een groot profiel dat over hem wordt geschreven ter gelegenheid van de expositie in het Stedelijk. Was de dood van Matty een ongeluk of was het zijn schuld? Wat het onbekommerd vieren van succes had moeten inluiden, wordt een beschamende, angstige toestand, versterkt door de vervreemding van Fran. 45 jaar na dato wordt Maris opnieuw genoodzaakt zich te verantwoorden, nu tegenover degenen met wie hij op intieme voet is geraakt. Hij kan weinig anders verzinnen dan te vluchten met zijn verzameling kunstboeken, ‘zijn ware en enige familie’.

Via een terugblik op zijn jaren op de kunstacademie en zijn eerste successen in de jaren tachtig wordt duidelijk tot wat voor een man Maris zich allengs ontwikkelde. Een man in wie eeuwig de boerenzoon sluimert, die gevangen zit in zichzelf, en heel soms uit die gevangenis wordt bevrijd door een vrouw. De overspannenheid en de drift liggen permanent gevaarlijk dicht onder het oppervlak. Bij nader inzien lijkt de onvervalstheid van de macho een opgelegd pandoer. In zijn atelier heeft Maris een foto hangen waarop Willem de Kooning met ontbloot bovenlijf op een rots zit. Een macho, maar een weerloze macho. Eentje bij wie naarmate hij ouder wordt, een besef van schuld groter en scherper wordt; in de buurt van jonge meisjes breekt het zweet hem steevast uit.

Op twee niveaus jaagt de schrijver de handeling voort: het persoonlijk leven van Maris en zijn kunst. De confrontatie met het werk van Matthias Grünewald betekent een doorbraak in zijn eigen kunstenaarschap. Hoe is het mogelijk, denkt Maris, afgereisd naar Colmar en in de kapel oog in oog met Grünewalds schildering van de kruisiging. Met name de lange lijkwade waarin Christus’ lichaam was gehuld drijft hem tot een soort ontzetting. ‘Hoe had Grünewald dit in godsnaam kunnen visualiseren? Dit viel nergens in werkelijkheid te zien, niet te ensceneren en dus niet na te tekenen.’ En toch is het er. Net zoals Black Barn er is, het schilderij dat een sleutelrol speelt in werk en leven van Maris Coppoolse. Nergens in werkelijkheid te zien, geheel ontsproten aan de verbeelding van een schrijver, maar tot in detail beschreven en daarmee een realiteit in het afgesloten universum van deze roman. Via stiefdochter Stan, oorlogsfotograaf, sijpelt er iets van actuele werkelijkheid de roman binnen, maar uiteindelijk dienen haar foto’s uit Syrië vooral om Maris tot verzoenende gedachtes te brengen over zichzelf.

Zwarte schuur is een vreemde leeservaring, ouderwets verzengend en meeslepend, die ook de lezer weerloos stemt. Het deel dat zich afspeelt in de jaren tachtig is groezelig en vies, met junks in soldatenjassen en bloeddoorlopen ogen, de stad een woestenij. Het bijna-slotakkoord dat zich afspeelt op La Gomera is zonovergoten en ruikt naar de zee. Het verhaal van een huwelijk krijgt hier een wonderschone, onverwachte wending. ‘Je moet je haar weer laten groeien,’ zegt Fran tegen hem. Ze heeft een rood truitje aan, ‘een ding dat de hele vakantie nog niet uit haar koffer was geweest’. Maris’ zielepijn echoot die van de mismaakte vrouw op het eiland door wie hij geïntrigeerd raakt. ‘I was a normal child’, vertelt ze hem. ‘I had a lot of pain, but I was a nomal child.’ Met zijn verklarende psychologie en zijn dwingende vertelmodus richting loutering schreef Oek de Jong opnieuw een instant klassieke roman waarvan je bijna verbaasd bent dat die nog zo geschreven kan worden.