Armer en rijker in New York

‘Wees blij dat je niet zwart bent – of een man’

Als je geld hebt, en blank bent, en heteroseksueel… ja, dan is New York de stad om te wonen. Maar de meeste mensen zijn dat niet. En dan kan de Big Apple één grote tragedie zijn. Met kakkerlakken en schimmel in de hoofdrollen. Sad in the city.

Medium sadcity monique

In het Museum of Modern Art in New York is één ruimte volstrekt afwijkend van alle andere. Hier geen schilderijen, stalen installaties, lampjes en drukke projecties, maar een groot lab met data en ideeën. In deze expositieruimte wordt door wetenschappers, kunstenaars, stedenbouwkundigen, sociologen en architecten nagedacht over de grote uitdagingen van mega cities. In 2030 telt onze aarde acht miljard mensen. Twee derde van onze wereldbevolking zal tegen die tijd in een stad wonen. In New York, Istanbul. Lagos. Rio de Janeiro. Hongkong. Tokio. Bombay – metropolen waaraan geen einde lijkt te komen. De ongelijkheid zal groter worden, niet kleiner. De bewegingsruimte beperkter. En de huren? Onbetaalbaar, zo blijkt uit de filmpjes, kaarten en data die gepresenteerd worden.

De cijfers over New York tonen het snel groeiende aantal woningen dat wordt doorverhuurd of onderverhuurd. Doorsneden van tweekamerappartementen laten zien hoe daar tien mensen in worden geperst. Twee in een stapelbed. Twee op de grond. Twee op de bank. Twee in een eenpersoonsbed. Twee slapen er overdag als hun nachtdienst erop zit. Deze onderhuurders zijn illegaal, onbekend en onbeschermd. Net als wij.

Met mijn Surinaamse vriendin heb ik mijn intrek genomen op de zolder van een huis vol Creoolse Surinamers in Border Brooklyn. Een onbekend aantal illegalen bivakkeert in de kelder, legale Surinamers wonen in de tussenlaag, de twee eigenaren (een Surinaams echtpaar) in de bovenlaag en wij op zolder. De huiseigenaren en medebewoners zijn vrijwel voortdurend aan het werk.

Hoofdeigenaar Roberto (50) is automonteur en heeft sinds kort een bedrijf in tweedehands auto’s. Hij werkt zes, zo niet zeven dagen in de week en komt zelden voor half tien ’s avonds thuis. Wanneer hij eenmaal op de bank ploft gaat de grote breedbeeld-tv direct aan en wordt er de rest van de avond en vroege nacht naar American football of baseball gekeken. Hij heeft twee kinderen uit een vorig huwelijk, maar waar zij wonen is onduidelijk. De krappe woonkamer hangt vol met souvenirs en aandenkens uit Suriname. Geheel naar Amerikaans voorbeeld prijken er twee diploma’s aan de muur: een van de mulo en een van de lto uit Paramaribo. Tussen de oorkondes hangt een foto van zijn auto. Dat hij trots is op zijn eigen voertuig steekt Roberto niet onder stoelen of banken. ‘In deze stad heeft bijna niemand een auto. Onbetaalbaar.’

Hij woont al sinds z’n twintigste in New York, maar de enige vrienden die af en toe over de vloer komen zijn Surinamers – eerste generatie migranten met wie hij sranan tongo spreekt (door hem nigeri genoemd, naar de oud-Nederlandse aanduiding ‘neger-Engels’). Iedere zaterdagavond trommelen ze in de kelder en spelen ze tot diep in de nacht traditionele feestmuziek. Op een nacht kregen ze echter slaande ruzie en sindsdien zit Roberto ook zaterdagavond op de bank.

‘Ik ben met die man van me getrouwd zodat ik naar Amerika kon komen’, vertelt zijn vrouw Maureen (35) meteen al de eerste avond dat we er zijn. ‘Die man van me’ blijkt de enige aanduiding die ze voor haar echtgenoot heeft. Ook zij heeft een kind uit een vorige relatie. Een inmiddels volwassen man die een eigen huis in Suriname heeft gekocht. Ze is voortdurend aan het werk. Als schoonmaakster en thuishulp reist ze met de metro naar de verste uithoeken van Brooklyn en Queens. Thuis kijkt ze naar black soaps of luistert ze naar Surinaamse muziek op haar laptop. Ze belt ook voortdurend met het thuisfront, ieder vrij moment van de dag. Het echtpaar gaat niet naar de kerk. Op de vraag wat de leukste plekken in Manhattan zijn, hebben ze geen antwoord. Maureen is er zelfs nooit geweest. Hun leven draait om werken, tv kijken en spaarzame ontmoetingen met de Surinaamse gemeenschap van New York. ‘Waarom keer je niet terug?’ vraag ik op een keer. ‘Hoezo? Ik woon in Amerika!’ reageert ze verbaasd. ‘Ik woon in New York! In Suriname is niets te doen. Hier is het leven.’

Het kleine rijtjeshuis is grotendeels opgetrokken uit goedkoop duplex hout. Geen brandtrappen. Hekken voor de ramen. Roberto doet steeds vijandiger. Hij dreigt, sluit ons van de verwarming af door een glazen box om de enige thermostaat te monteren en probeert ons allerlei rekeningen in de maag te splitsen. ’s Nachts worden we regelmatig gewekt door geschreeuw op straat. ‘F*cking whore. You bitch! I’ll f*ck your ass out! Pussy! F*ck you f*cking n*gger!’ Gegil. Doffe klappen van straatgevechten. Schoten ook, één keer. Wanneer de politie haar sporadische patrouille rijdt, maken jongens zich, onzichtbaar onder de capuchons van hun hoodies, uit de voeten. Wie gekleurd is doet er verstandig aan niet al te snel te rennen.

Het huis ligt op de grens van Brooklyn en Queens, een aantal metrohaltes voorbij Bushwhick – een van de beruchtste getto’s van deze stad. Voor witte reizigers is Nostrand de laatste halte op het traject naar Jamaica Center. Hier stappen vooral Europese Airbnb-toeristen uit. De reizigers zijn dan all-black en hispanic – op mij na dan.

In Bushwhick leren we het lesbische koppel Allisha (27) en Paige (25) kennen. Ze zijn joods, hoewel niet helemaal volgens het boekje. Paige komt oorspronkelijk uit Californië en groeide op in een blank hippiegezin. Haar vader, bekeerd tot het jodendom, stuurt haar evengoed plakjes medische wiet via de post. Samen blowen met Thanksgiving is voor haar de normaalste zaak van de wereld. Zo niet voor Allisha. Zij is van Afro-Amerikaans-Italiaanse afkomst en werd op vroege leeftijd geadopteerd door een conservatief joods gezin in Boston. De familie hield zich strikt aan de joodse wetten. Ze kent grote delen van de thora uit haar hoofd en spreekt Hebreeuws. Ze definieert zichzelf als joods en kookt kosjere pasta. Toch glundert ze als je haar een black beauty noemt.

De woongeschiedenis van het koppel is er een van tragedies. Ondergelopen kelders. Rattenplagen. Geen verwarming. Geen elektriciteit. Schimmel. Het koppel is trots op hun nieuwe woning, een langgerekt smal appartement zonder daglicht, recht tegenover een vleesverwerkingsfabriek in het industriële deel van Bushwhick. ’s Nachts is er geen teken van leven tussen de hoge muren, dichtgespijkerde ramen en grote loodsen. Overdag rijden vrachtwagens af en aan en hangen de vleeswalmen zwaar in de lucht. Maar Allisha en Paige zijn blij met hun huis met verwarming, stroom en internetaansluiting, en een zeldzaamheid in New York: een echte keukentafel. Als onontdekte kunstenaars worstelen ze met een gebrek aan connecties en met praktische problemen.

Allisha is een actrice met een loepzuivere stem, naarstig op zoek naar een rol. Ondertussen werkt ze zes dagen in de week als maître in een restaurant. Al maanden heeft ze kaakpijn, maar ze stelt de wortelkanaalbehandeling almaar uit. ‘Ik ben verplicht verzekerd bij Obamacare. Maar die verzekering dekt geen mondzorg en je mag alleen naar bepaalde klinieken waar de wachtrijen altijd lang zijn. Ik probeer nu te achterhalen hoeveel die behandeling kost. De tandarts had het over zesduizend dollar…’ Of ze geen pijn heeft? ‘Ik ga dood van de pijn, wat denk je? Maar ik moet vier maanden werken voor dat geld. Dus ik gooi er maar wat whisky tegenaan en codeïnetabletten.’

’s Nachts worden we regelmatig gewekt door geschreeuw op straat, gevechten, een schot

Paige probeert haar korte verhalen gepubliceerd te krijgen. Ze werkt in een boekhandel die iedere dag van de week tot elf uur ’s avonds open is. Ook op kerstavond en met oud en nieuw. Ze heeft vijf vakantiedagen per jaar. ‘We kunnen nooit weg’, zegt Allisha sip. ‘Beton, nog meer beton, en hard werken, dat is het leven hier. En de liefde natuurlijk! Sex. Booze and late night shifts. Cheers to that!’ en ze slaat een Brooklyn lager achterover. Gefeest wordt er zeker. Thuis. B.O.B. – bring your own booze. Want uitgaan is erg duur in deze stad.

In Bushwhick rukken de white trash, homoseksuelen en jonge kunstenaars op. In ons deel van Border Brooklyn wonen vooral migranten, de meeste uit Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. Afro-Amerikanen zijn er ook. De hispanics runnen de spaarzame ondernemingen: kleine buurtsupers (deli’s) met voorverpakt eten en blikvoer. Laundromats zijn er ook, lange rijen monotone wasmachines vreten kwartjes. Niemand die hier de ruimte of het geld heeft voor een wasmachine. Er heest een onderhuidse spanning. ‘You g*ddamn f*cking Mexicans take over everything!’ schreeuwt een Afro-Amerikaan terwijl hij door een oudere hispanic uit zijn winkel wordt gewerkt. ‘Wacht maar, wij zullen terugslaan! The black race will prevail!’ De wijk heeft geen bomen en amper speelplaatsen of open veldjes. De publieke scholen hebben geen schoolplein, laat staan een sportveld.

De supermarkt is bijna nog duurder dan het eten op straat. Veel buurtbewoners halen hun eten af bij Kennedy Fried Chicken (niet te verwarren met de franchise Kentucky Fried Chicken), direct naast de verroeste stalen trappen van het metrostation. Het is de enige sociale hangplek in de buurt. Kogelwerend glas, stalen toonbanken, hoge barstoelen, verder vooral veel take-away. De flikkerende neonborden maken reclame voor pizza, hamburgers, veel soorten gefrituurde kip en broodjes met onbestemde ingrediënten. De Amerikaanse auteur Dorothy Allison beschrijft in haar bundel Trash hoe na decennia van ongezond armenvoer haar lichaam letterlijk in een staat van ontbinding is beland.

In de ondergrondse, die hier bulderend over het stalen spoor boven de straten loopt, regeert de Afro-Amerikaan. Op weg naar werk, terug van nachtdienst. Wallen nog donkerder dan de huid. Vlekken op gezicht en handen door gebrek aan zonlicht en goede voeding. Dit zijn de bedienden van de blanke hipster, de succesvolle zakenman, de Europese toerist.

Natuurlijk zijn er uitzonderingen. Succesvolle Afrikanen vaak, eerste of tweede generatie migranten, die met een prestigieuze studiebeurs in deze stad zijn beland. Onder hen de gekleurde sterauteurs van deze tijd: Teju Cole. Taiye Selasi. Chimamanda Ngozi Adichie. Zo nu en dan ook Afro-Amerikanen, een gekleurde enkeling omringd door blanke vrienden. Deze succesvolle creatievelingen zijn te chique en te hip om nog bij hun gekleurde landgenoten aansluiting te vinden. Bounty. Coconut.

Op het metrotraject naar Jamaica Center of omhoog richting Queens Flushing wordt nauwelijks gelachen of gepraat. De jonge metrodansers die als paaldansers langs de stalen staven glijden vormen een welkome afleiding. ‘We zullen u niet beroven, niet bijten, niet schoppen, niet treiteren, we are here only to enjoy a good time, please enjoy it with us!’ scanderen ze in koor. Boks. High five. Dan gaat de muziek aan en volgen flikflaks, salto’s, geklauter via de hoogste staven, op de kop glijden over de grond. Ze dansen vrijwel alleen ’s avonds, op de meest afgelegen delen van het metrotraject, waar de politie nagenoeg afwezig is. In een poging de New Yorkse metro ‘op te schonen’ is dansen in de metro tegenwoordig verboden. De dansers zijn namelijk jong, mannelijk en zwart. Bij het minste vermoeden van de komst van bewakers of politie sprinten ze de coupé uit. Zonder zelfs maar op een mogelijke tip te wachten vluchten ze met hun donkere slangenlijven de nacht in.

Bedelaars doen voortdurend hun verhaal in de metro. Zij zijn vaak ook man en zwart, alleen een stuk ouder. Een ziek kind. Werkloos. Huis uitgezet. Geen verzekering. ‘Ik wil u absoluut niet lastigvallen. Maar als u iets kunt missen? Een cent. Een stukje kauwgom misschien?’ ‘God bless you and God bless the United States of America.’ ’s Avonds verschansen ze zich op de ongemakkelijke kuipstoelen en slapen tot de laatste halte, waarna ze hardhandig uit de trein worden gezet.

Mijn vriendin en ik worden vaak aangekeken alsof we ontsnapte dieren uit een kooi zijn. De verkeerde mix op de verkeerde plek. Ik word enthousiast in het Spaans begroet, mijn vriendin wordt weggekeken. Of zij wordt sistah genoemd, ik doodgezwegen. In de lesbische kroeg de Cubby Hole in the Village gaat het al niet veel beter. Hier zijn weliswaar alle kleuren aanwezig, maar iedereen staat in zijn eigen groepje. De Asians bij de Asians. De latina’s bij de latina’s. De Afro’s bij de Afro’s. En de blanken – de grootste groep – angstvallig dicht bij elkaar. Een ondeugende krullenbol met charmante kuiltjes in de wangen komt uiteindelijk naar ons toe. ‘Gosh, you look so cute together.’ Dit is het startsignaal voor een regen van complimentjes. ‘You are so cute.’ Bij de wc: ‘You and your girlfriend are damn cute.’ Terug bij de bar. ‘You two are cute, cuties!’ De vrouwen refereren niet zozeer aan onze looks, besef ik, maar spreken vooral hun politieke steun uit aan onze interraciale relatie, die hier nauwelijks voorkomt.

Op de hoek van een van de grote zijstraten die op Times Square uitmonden staat een woedende menigte. Een groep van negen Afro-Amerikanen brult om het hardst. De mannen dragen zwarte doeken om hun hoofd en zwarte jurken, banden om de armen, davidsterren overal. Af en toe houden ze een bord op met lichtelijk pornografische afbeeldingen van naakte mannen die elkaar zoenen en vrouwen die op vrouwen liggen. De leider schreeuwt de omstanders toe en hij krijgt luid applaus van volgers (zonder rare kleding of davidsterren) die strategisch tussen het publiek staan opgesteld. Zijn leerlingen staan in een lange rij achter hun leider, bijbels als geweren in hun hand. Ze beperken zich tot het Oude Testament, met Jezus hebben ze niets te maken. Deze groep definieert zich als Hoeders van de Thora en heeft een duidelijke boodschap: blank en zwart mogen niet worden gemixt, het zwarte ras is in verval, homoseksualiteit is een zonde en wie homoseksueel is moet worden gedood. Mechanisch brullen de volgers hun leider na. ‘Homosexuals… SHOULD BE STONED TO DEATH! Homosexuals… SHOULD BE STONED TO DEATH!’

Er wordt geschreeuwd, gefloten, geklapt en gevloekt. Als de leider mij in het oog krijgt begint hij aan een lange scheldkanonnade. ‘Zie je die halfbloed bitch? Dat is wat ik bedoel! Zie je die kleur! Rassendegeneratie, dat is wat het is.’ Ik word door zijn volgers ingeklemd. De omstanders worden onrustiger. Een volgeling grijpt me vast, begint me te duwen. Ik probeer me los te maken. Een mes blinkt. Razendsnel trekt mijn vriendin me opzij. We rennen weg, maar niet voor we elkaar publiekelijk hebben gezoend. Het geschreeuw en geklap moet op honderden meters afstand zijn te horen. De politie is in geen velden of wegen te bekennen.

‘Tsss, staat jouw eigen ras niet eens voor jou op?’ vraagt een oude Afro-Amerikaanse man. Ik kijk naar de trekken van de twee passagiers op de bank voor mij. De een oogt hispanic, de ander Aziatisch. Ik aarzel. ‘Ze zijn niet mijn ras, sir. Ik ben Arabisch.’

‘Homosexuals… SHOULD BE STONED TO DEATH! Homosexuals… SHOULD BE STONED TO DEATH!’

‘Nog steeds beter dan zwart. Jullie arresteren ze, ons schieten ze neer’, reageert een jongere Afro-Amerikaan, onverwacht fel. Nu is het oorverdovend stil in de coupé.

‘Dat is niet overal in de wereld zo.’

‘O je bedoelt Europa? Jullie moslims zijn onze niggers. Thank God dat je niet zwart bent.’

‘En mijn vriendin dan?’

‘Dat telt niet, zij is een vrouw. Ik meen het. Wees blij dat je niet zwart bent – of een man. Vooral geen man. Je hebt geen f*cking idee hoe het is om zwart te zijn.’

De laatste blanken stappen uit de metro, moeizaam, bang de zwerver te passeren, die vloekend tiert: ‘What the f*ck is your white ass problem? Als ik dertig jaar jonger was geweest, had ik jullie van kant gemaakt!’ De medepassagiers lachen. Dan verandert hij van toon. ‘Wat gaan we doen aan Michael Brown? Doodgeschoten om wat? Zijn kleur?’ Geroutineerd vinkt hij een lijst van incidenten af. Namen. Plaatsen. Een jongen op weg voor een zakje Skittles. Een andere, al even dood, vanwege een voor een geweer aangezien brood.

Obama is volgens deze boze man niets meer dan een schotwond van de blanken. ‘Hij heeft zich bij hen ingelikt. En natuurlijk steunen de blanken hem graag! Wie kan nog spreken van raciale ongelijkheid nu we een zwarte president hebben? Maar ondertussen, ondertussen!’

De passagiers doen alsof ze naar de muziek in hun oordopjes luisteren, maar hun gezichten betrekken en hun hoofden knikken traag.

‘Weet je wat ons probleem is? We zijn niet verbonden. We vechten niet. Zij zijn verenigd!’ En hij wijst naar mij. ‘Ja jij, white-y. Hoe rechtvaardig jij de situatie in dit land?’

Dergelijke discussies in de metro blijven een zeldzaamheid. De meeste passagiers keren snel hun hoofd af of maken zich uit de voeten. Bovengronds is er echter geen ontkomen aan. Medio oktober zijn de protesten over de dood van Michael Brown, eerder dat jaar, op 9 augustus, nog steeds in volle gang. ‘We want justice. Clean the police corps!’ Op hun paasbest geklede Afro-Amerikaanse kerkgangers marcheren verontwaardigd door de straten. Iedere demonstrant is vergezeld van een tot de tanden toe bewapende motoragent. De demonstraties zwellen aan als duidelijk wordt dat de betrokken agenten niet worden vervolgd. Dan lekken de beelden uit van de dood van Eric Garner, die door een agent van de nypd in een wurggreep is genomen.

Als een jury op 3 december vervolging van de agent afwijst en de beelden van een bewakingscamera door Daily News online worden gezet, zwellen de protesten aan tot enorme omvang. Lange protestmarsen lopen door de belangrijke winkelstraten van de stad. ‘No justice, no peace’, is een breed gedragen slogan. ‘End white supremacy’, komt er bij de blanke deelnemers veel moeilijker uit. De reacties nemen soms restrictieve vormen aan. In de _creative writing-_cursus die ik volg komt er een totaal verbod op het schrijven over politieachtervolging en huidskleur.

‘We moeten de agenten beter bewapenen! Tanks inzetten! Meer wapens, ja, dat is de oplossing’

Terwijl de spanningen in de stad toenemen, wordt onze wijk gekweld door andere zorgen. Het regent meer dan gebruikelijk. Het water klettert op de metalen daken. Bij de wasserette stroomt de regen met bakken tegelijk door het plafond. Op de straten loopt de regen nauwelijks weg. Gejaagd rennen mensen met vuilniszakken over het hoofd door enkelhoog water.

Na water volgt vuur. Midden in de nacht worden we gewekt door tientallen sirenes. Blus- en traumahelikopters vliegen rakelings over het dak. Twintig woningen, net zo intensief bewoond als de onze, branden af. Een inwoner overlijdt en zestien anderen raken gewond – waarvan zes kritiek. 24 uur later blust de brandweer nog. De metro raakt zwaar beschadigd. Het platform was al verzwakt en met houten platen verstevigd, maar nu is de JZ-lijn helemaal buiten dienst.

De straten vullen zich met voetgangers. Op afgetrapte schoenen en verkleurde sneakers lopen ze naar het grote station Broadway Junction voor de A- en C-lijn. Volgepakte pendelbussen komen amper vooruit. Na een uur te hebben stilgestaan besluiten we uit de bus te stappen en begeven we ons in de lange rij wandelaars. Voor inwoners van Queens zijn beide opties – wandelen of de bus – een urenlange martelgang. De JZ-lijn zal nog weken buiten dienst zijn. Op Broadway Junction is het een chaos. Donkere vrouwen huilen. Zwarte mannen vechten. Gekleurde kinderen staan in hun goedkope uniformpjes bedremmeld aan de kant. De kapotte metrolijn is een ramp voor de hard werkende armen. Wie te vaak te laat komt wordt hier op staande voet ontslagen, kan zijn huur vervolgens niet meer betalen en wordt zonder pardon op straat gezet. Het maakt het leven hard en onzeker.

Ook onze vriendin Paige ligt naar eigen zeggen nachtenlang wakker. Ze kan niet tegen de onzekerheid van de grote stad. Een dag na ons vertrek kreeg ze een baan aangeboden in Californië, ze stapte op het vliegtuig en zegde Allisha definitief gedag. ‘Ze verkoos de zekerheid van het werk boven het geluk van onze liefde’, voice-appt Allisha later. ‘Ik ben woedend, verbaasd, maar begrijp het wel. Er is hier geen toekomst voor haar.’

Wij verhuizen naar Bedford Avenue in Williamsburg, een van de populairste buurten in Brooklyn. De Chinese taxichauffeur die ons helpt verhuizen is onder de indruk. ‘You move? Good, very good. Big step. Parents very proud yes? Very good to go outta here. Here bad. Bad bad borough.’

Onze nieuwe buurt is niet zwart maar blank en maakt ons onmiddellijk onderdeel van de hip en very happening van deze stad. We voeren lange discussies met de blanke inwoners van de wijk. Ze zijn links, milieubewust en overmatig bezig met hun gezondheid. Toch eindigt ieder gesprek met dezelfde conclusie. Niet het economische systeem, de structurele sociale ongelijkheid, het gebrek aan een daadkrachtige overheid en de segregatie naar ras, kleur, inkomen en zelfs politieke voorkeur zijn volgens hen de oorzaken van de grote problemen in deze stad, maar de armen die niet willen werken.

Op 21 december neemt een Afro-Amerikaan van buiten de stad het heft in eigen hand en schiet in Flatbush twee agenten in hun patrouilleauto dood. ‘En weet je wat de algemene reactie is?’ vraagt Julian, mijn huisbaas, een jonge twintiger met rijke ouders die tienduizenden dollars per maand verdient door vijftien kamers via Airbnb te verhuren. ‘Dit was nooit gebeurd als die agenten over grotere wapens hadden beschikt. We moeten ze beter bewapenen! Tanks inzetten! Niet te geloven toch? Niemand wil inzien wat de echte onderliggende factoren zijn! Meer wapens, ja, dat is de oplossing. De nra zal er blij mee zijn.’

In het MoMA lopen de bezoekers zorgeloos door de expositie over de mega-stad. Zij zijn niet bang voor de toekomst al zouden ze dat wellicht wel moeten zijn; rijkdom koopt immers geen beter milieu, geen gezondere lucht en geen schonere aarde. Een Afro-Amerikaanse suppoost bestudeert de toekomstige bevolkingscijfers van zijn stad. Hij lacht niet. De harde data gaan over hem en zijn kinderen. Degenen die hier arm geboren worden, blijven dat ook.

Ik vlucht de expositieruimte uit, de wc in. Op een bank ligt een Afro-Amerikaanse suppoost met haar benen omhoog. Haar afgetrapte schoenen liggen op de grond. ‘Ik doe dit werk al vijftien jaar. Het is de belangrijkste inkomstenbron voor mijn gezin. Maar vanochtend werd ik wakker met enorm opgezwollen voeten. Ik weet niet wat ik moet doen. Dat lange stilstaan breekt me op. Ik ben bang. Wat moet ik nu?’ De tranen staan haar in de ogen.

Ik weet niet wat ik zeggen moet. Suggereer steunkousen, orthopedische zooltjes. Ze knikt gelaten, maar staat niet op. Ze is de zoveelste die vanaf haar geboorte al aan het kortste eind trekt. Het lukt haar niet meer om op haar eigen benen te staan.


De rotte appel

Een kwart van de New Yorkers woont in een onderhuur-tussenhuur-situatie. 44 procent van de stadsbewoners betaalt een huurtarief dat ver boven hun budget ligt. De helft van de stadsbewoners besteedt meer dan dertig procent van hun inkomen aan huur. Een derde meer dan vijftig procent.

Kinderen in de Bronx hebben vier keer zo veel kans om in hun eerste levensjaren te overlijden dan kinderen op Manhattan. Eén op de zeven Amerikanen is afhankelijk van voedselbonnen; de helft van de ontvangers zijn ouderen en kinderen. Kinderen en tieners vormen 42 procent van de logees in opvanghuizen in New York. De lasten voor hoger onderwijs zijn sinds de jaren tachtig met vierhonderd procent gestegen. Hierdoor is de uitweg uit de armoede voor veel jongeren uit de onderlaag van de samenleving definitief afgesneden. De helft van de jongeren uit de laagste twintig procent van de bevolking zal nooit meer verdienen dan zijn of haar vader.


Beeld: Broadway Avenue in Williamsburg, Brooklyn (Michael Christopher Brown / Magnum / HH).