De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Wees een mensch!

In het eerste deel van zijn Bellow-biografie laat Zachary Leader zien hoe Saul Bellows fantasie werkte, waar hij zijn drama vandaan haalde en hoe hij het literair maakte.

Zelden maakte een schrijver zo’n simpel en zo’n doeltreffend eerbetoon aan een andere schrijver als Ian McEwan, toen hij zijn roman Saturday (2005) begon met een lang motto van de zojuist overleden Saul Bellow. Het kwam uit diens grote roman Herzog en het was alsof McEwan zei: ‘Ik ga verder met wat jij begon.’

En wat een motto: ‘Bijvoorbeeld? Nou, bijvoorbeeld wat het betekent een man te zijn. In een stad. In een eeuw. In een overgangstijdperk. In een massa. Vervormd door wetenschap. Onder georganiseerd gezag. Onderworpen aan kolossale krachten. In een situatie die veroorzaakt werd door mechanisatie. In een maatschappij die geen gemeenschap was en de persoonlijkheid devalueerde. Dankzij een zich vermenigvuldigende macht van de massa die het eigen ik wegcijferde. Die verwildering en barbaarsheid toestond in zijn eigen grote steden en gelijktijdig de druk van menselijke miljoenen die hebben ontdekt wat eendrachtige krachten en gedachten kunnen uitrichten. Zoals megatonnen water organismen doen ontstaan op de bodem van de oceaan. Zoals eb en vloed stenen polijsten. Zoals winden rotsen uithollen. De mooie supermachinerie die een nieuw bestaan opent voor een ontelbaar mensdom.’

Als dit motto de inhoud van Bellows roman en zijn intenties om het te schrijven het best weergeeft, dan sluit het perfect aan bij de these van Mark Greif in zijn The Age of the Crisis of Man (Princeton University Press, 2015; later zal The Age of the Crisis of Man uitgebreider op deze pagina’s besproken worden). De stelling van de Amerikaanse letterkundige Greif, een van de oprichters van het hippe, intellectuele literaire tijdschrift n+1, is simpel samengevat dat in de jaren 1933-1973, na de vernietigende opkomst en ondergang van het fascisme, Amerikaanse intellectuelen en fictieschrijvers allemaal in meer of mindere mate gedreven werden door de vraag: ‘Wat is een mens?’ Vanuit een klassiek humanisme zochten ze naar de waarden van de Universele Mens. Of die nu in downtown Brooklyn leefde of in nazi-Duitsland: hoe vatbaar was hij voor religie en ideologie, hoe hield hij stand in tijden van onderdrukking, hoe zag zijn vrijheid eruit, wat was goed leven, wat was eerlijk?

Greif werkt verschillende thema’s uit aan de hand van verschillende schrijvers, waaronder Saul Bellow. Hij kijkt hoofdzakelijk naar diens eerste romans, zoals The Victim (1944) en Dangling Man (1947), redelijk conventionele, humanistische vertellingen over mannen die in een existentiële crisis belanden. Het typische Bellow-personage is de man die zich heeft volgepropt met de tijdloze klassieken, van Hobbes tot Machiavelli, in de veronderstelling dat ze hem zullen vertellen hoe te leven, om erachter te komen dat hij zelf geen Hobbes of Machiavelli is als de tijden zich tegen hem keren. Wat blijft er van De Mens over als je hem zijn geleerde kennis afneemt?

Het is een interessante vraag om in gedachten te houden als je de romans van Bellow leest. Al zijn er ook andere lezingen van zijn werk mogelijk, zoals Zachary Leader laat zien in het eerste deel van zijn biografie The Life of Saul Bellow: To Fame and Fortune, 1915-1964, dat in dit Bellow-jaar verschijnt – dit jaar is het honderd jaar geleden dat Saul Bellow werd geboren en tien jaar geleden dat hij overleed. Het is een voorbeeldige biografie. Leader graaft gretig in brieven en dagboeknotities en in interviews met nog levende vrienden en familie om een beeld te geven van de intieme Bellow achter de publieke Bellow. In zijn ontleding van waar Bellows romans zijn leven overlappen en waar niet laat hij invoelend zien hoe Bellows fantasie werkte, waar hij zijn drama vandaan haalde en hoe hij het literair maakte. En hij schuwt gelukkig de kleine anekdotes niet.

Zo beschrijft Leader hoe Bellow gaat eten met Arthur Miller en diens vrouw Marilyn Monroe, wat tot zoveel bekijks leidt dat het raam van het restaurant bijna knapt; of hoe Bellow in het Witte Huis wordt uitgenodigd als André Malraux het bezoekt, waar Mark Rothko hem toefluistert dat het allemaal onzin is en hij hier helemaal niet wil zijn, maar ja, ‘mijn zuster!’ Waar is ze dan? vraagt Bellow. Thuis met de kinderen, zegt Rothko. ‘Maar ze is buiten zinnen van plezier. Dit is een grote dag voor mijn zuster!’

Die anekdotes horen er ook bij. Bellow had een talent voor vriendschap, al hielden weinig van die vriendschappen decennialang stand. Hij was te onrustig, hij was altijd bezig zijn wat slonzige jeugd in Chicago achter zich te laten (hij werd geboren in Quebec, als zoon van joodse ouders die uit Sint-Petersburg waren geëmigreerd), hij was slecht met geld en nog slechter met vrouwen.

Medium gettyimages 50513142
Toen ze zwanger raakte, zei hij dat hij zich te oud vond om nog voor een kind te zorgen; dat moest haar klusje worden, ‘solo’

In Leaders biografie zit maar één moment waarop Bellows leven rustig leek: in 1955 vertrok hij naar Pyramid Lake, Nevada. Bellow was veertig, zijn vader was net overleden en zijn tweede huwelijk was zojuist hard op de klippen gelopen. De staat Nevada was het makkelijkst in het toekennen van echtscheidingen en dus moest Bellow zes weken in een gehucht in de woestijn verblijven om weer een vrij man te zijn. Hij bleef er uiteindelijk negen maanden. De rust beviel hem, hij kon er goed in werken. In zekere zin verkeerde zijn carrière op een kantelmoment: hij had zojuist The Adventures of Augie March gepubliceerd, een ratelend boek waarin hij de lezer vanaf de eerste, inmiddels beroemde zin (‘I am an American, Chicago born’) meeneemt in de vrolijke, vrijelijk associërende geest van de joodse jongen Augie, die alles op alles zet om zijn armoedige afkomst te ontstijgen. Bellow had er de National Book Award mee gewonnen, en zichzelf bij de literaire gemeente op de kaart gezet als serieuze schrijver. Maar het grote succes van de bestsellerlijsten ontging hem voorlopig nog.

De bedoeling was om van die vrijheid te genieten, maar al snel voegde Bellows jongere minnares zich bij hem, Sondra, die later Sasha werd genoemd. In de wintermaanden lagen ze met hun jassen aan in bed te lezen en te schrijven. Hij wilde niet trouwen, maar kon zich toch niet inhouden. Op hun huwelijksnacht las hij lang voor uit zijn aankomende roman, Henderson the Rain King, en ging bijtijds naar bed; zij bleef nog lang op om alle afwas te doen. Ze was dolgelukkig. Bellow schreef een vriend: ‘Ik heb (Sasha) nog nooit zo vrolijk gezien. Je zou haar niet herkennen. Ik kan mezelf niet vaak genoeg feliciteren.’ Een andere vriend schreef hij dat hij het gevoel had dat hij Sasha ‘maakte’. Toen ze zwanger raakte, zei hij dat hij zich te oud vond om nog voor een kind te zorgen; dat moest haar klusje worden, ‘solo’.

Leader blijft graag dicht bij het privé-leven van Bellow in plaats van dat hij hem in een groter intellectueel milieu plaatst, maar dat is niet zonder merites. Een van de grootste kritieken op het werk van Bellow is dat terwijl hij als geen ander grote, levendige mannen op papier kon zetten zijn vrouwen altijd vlak bleven. Vaak zeurderig, conservatief, belemmerend – en uiteindelijk wraakgodinnen. Als je leest hoe hij met zijn echtgenotes omging (uiteindelijk had hij er zes) begrijp je dat de fout van de schrijver de fout van het mens is. Hij nam ze voor gezien, verloor snel interesse. In dit geval leidde het tot een van de doorslaggevende momenten in zijn leven. Na relationele ups en downs kwam Bellow op een goede avond eind 1959 thuis en kreeg van Sasha te horen dat het afgelopen was. Per direct. Je verdient beter dan mij, zei ze nog, maar ze was onverbiddelijk. Bellow stond perplex.

Dit is wat er was gebeurd: Bellows beste vriend in die jaren was Jack Ludwig, een Canadese schrijver. Samen met zijn vrouw gingen ze op doubledates, Ludwig schreef voor het literaire tijdschrift dat Bellow oprichtte, Bellow zorgde dat Ludwig aanstellingen kreeg aan de universiteiten waar hij les gaf. Hun rolverdeling was wat scheef, Ludwig was meer een bewonderaar van Bellow dan omgekeerd, de brieven die Ludwig hem stuurde schreef hij in Augie March-achtige vrije stijl. Bellow was ascetisch, intellectueel; Ludwig was warm, uitbundig. Hun vriendschap was op elke manier oprecht, op een pregnant incident na. Ludwigs huwelijk klapte, net toen zijn vrouw zwanger was. Alsnog zaten Bellow en Sasha met hem in de wachtkamer toen ze beviel. Het duurde lang, het werd laat, Bellow ging naar huis. Sasha en Ludwig bleven achter in ‘een broederlijke omarming’, en langzaam aan begon hij haar te vertellen over hoe Bellow tegen hem over haar had geklaagd, teleurgesteld was over hun seksleven; en hij vertelde dat Bellow was vreemdgegaan, veelvuldig, en met wie allemaal. Een korte tijd later zocht hij haar op toen Bellow buiten de deur was. Ik keek in zijn ogen, zei Sasha later, echt diep in zijn ogen, en viel in ze weg. ‘Een coup de foudre.’

Eigenlijk is dit het moment waar Leader in zijn hele boek naartoe werkt. Het moment dat Bellow Bellow werd. Zoals Philip Roth nooit de schrijver had kunnen worden zonder door zijn eigen joodse gemeenschap voor antisemiet uitgemaakt te worden, zo opende het verraad van zijn vrouw en zijn beste vriend bij Bellow een creatieve ader. Hij ontdekte het overspel pas een klein jaar later (in de tussentijd pleegde Sasha een abortus; omdat ze niet zou weten wie de vader was), via een vrouwelijke commensaal van Sasha. Zijn eerste reactie was woede, hij wilde Ludwig te lijf gaan, een vriend moest hem letterlijk tegenhouden: ‘Wees een mensch, krijg gewoon een maagzweer.’ Op een ander moment bezwoer hij dat hij een pistool zou kopen. Zijn tweede reactie was schrijven, een roman die uiteindelijk Herzog (1964) zou worden, de roman die nog steeds in elk rijtje van de Grootste Tien Amerikaanse Romans van de Twintigste Eeuw zal staan.

Herzog is Moses Herzog, een verstrooide academicus wiens verstrooidheid epische proporties aanneemt wanneer zijn vrouw hem verlaat voor zijn beste vriend. Herzog is een clown, zijn vrouw een ijskoningin die met zijn geld smijt. Het is geenszins een faire verbeelding van zijn huwelijk, maar met Herzog ontdekte Bellow hoe hij die verbeelding kon inzetten, zijn leven opblazen tot literatuur. Eerste zin: ‘If I am out of my mind, it’s all right with me, thought Moses Herzog.’ Zijn brein kan niet meer ophouden met denken, analyseert elk deeltje dat zijn ego vormt. ‘Thoughts shooting all over the place.’ Zijn gekte manifesteert zich in het denkbeeldig schrijven van hysterische, irrelevante, overdreven intieme en hilarisch spottende brieven aan vrienden en bekenden, beroemdheden en presidenten, dood of levend. Binnen een jaar verkocht hij 125.000 exemplaren, de definitieve doorbraak.

In elke Amerikaanse boekhandel kun je Herzog vinden. De Bezige Bij gaf een paar jaar terug nog een heruitgave van de vertaling uit. Het boek heeft niets aan kracht ingeleverd. Als het toentertijd een portret was van wat ooit de boze brievenschrijver was, dan is het nu een portret van wat nu wellicht de boze reaguurder is. Het toont een man gestript van zijn cultuur, overgeleverd aan zijn angsten en driften. Leader weet beter dan Herzog louter als autobiografisch te presenteren (hij geeft zelf een mooie lezing van het boek), maar met alle privé-informatie kun je bijna niet anders. En toch zit die lezing die van Mark Greif niet in de weg: dat dan de echte kunst van Bellow is dat hij zijn eigen leven zo wist te verwerken dat het bijna niets meer met hem zelf te maken had, dat het universeel werd.


Zachary Leader, The Life of Saul Bellow, € 50,50


Beeld: (1) Saul Bellow, in 1948 (Frank Scherschel / The LIFE Picture Collection / Getty Images)