Advies aan de (in)formateur (8): Amade M’charek

‘Wees inclusief in je strijd’

Als niet-zwarte vrouw van kleur vertolkt wetenschaps-antropoloog Amade M’charek een milde stem in de antiracistische beweging. Ze verkiest de weg van de geleidelijkheid. Toon speelt daarbij voor haar een belangrijke rol.

Amade M’charek – ‘Langzaam maar zeker is Nederland iets comfortabeler over kleur gaan praten’ © Erik Smits / Lumen

Er is zijn ontwrichtende kracht, de geweldige pijn die het veroorzaakt. Of de toxische weerstand, het onbegrip die het losmaakt, de hoon waarmee het gepaard gaat. Maar als racisme over één hardnekkige eigenschap beschikt, dan is het wel zijn tragische vermogen om vergeten te worden.

De figuur met het protestbord ‘As long as systemic racism exists, someone will stand here’ is inmiddels niet meer weg te denken van de Dam in Amsterdam. Toch moest de formatietafel in mei nog herinnerd worden aan de problematiek rond institutioneel racisme. Toen riep een honderdtal belangenorganisaties formateur Mariëtte Hamer in een brief op om het onderwerp een centrale plaats te geven in de formatie.

Zo dwingend als de schreeuw om structurele verandering vorige zomer klonk, zo eenvoudig richt de maatschappij haar blik nu op iets nieuws. Amade M’charek (1967), hoogleraar antropologie van de wetenschap aan de Universiteit van Amsterdam, roert wat rusteloos in haar gemberthee. ‘Het is interessant om het inderdaad als vergeten thema te zien. Het strookt niet met de persistentie van het probleem dat we racisme als samenleving altijd opnieuw reproduceren.’

Als niet-zwarte vrouw van kleur vertolkt M’charek een veeleer milde stem in de antiracistische beweging. De toon waarin de antiracistische boodschap verpakt zit, is voor haar een doorslaggevend element in de weg naar verandering. Ja, ze beschouwt zichzelf als antiracistisch, radicaal zelfs. Maar daarin verkiest ze de weg van de geleidelijkheid. ‘Ik noem het pragmatisch.’ In het verleden sprak M’charek haar frustratie uit over hoe het Amerikaanse racismeprobleem blind werd geprojecteerd naar Nederland en geen constructieve bijdrage leverde aan het ‘debat’. En als het over diversiteit gaat, blijft ze waakzaam voor ‘cosmetische oplossingen’. M’charek is niet in een label te vangen. ‘Denken in polen maakt per definitie eendimensionaal. Zo eenvoudig is de realiteit niet.’

Met gevouwen handen zit Amade M’charek in een restaurant bij Park Frankendael in Amsterdam-Oost. Het is precies een jaar geleden dat in de VS de witte agent Derek Chauvin met een nekklem George Floyd vermoordde. Er waren verbijsterende beelden voor nodig: een zwarte vader van twee kinderen die zijn eigen moord – ‘I am dying, I can’t breathe’ – van commentaar voorzag. Maar het is de wereldwijde Black Lives Matter-beweging gelukt om ook een groot deel van Nederland te doordringen van het onderwerp. De gebeurtenis is een pijnlijke herinnering: het rauwe racisme is nog lang niet uit de samenleving verdwenen. Niet in de VS, niet in Nederland. Er is Mitch Henriquez, in ons land het bekendste voorbeeld van fataal politiegeweld. En dan zijn er nog de miljoenen Nederlanders aan de ontvangende kant van dagelijkse discriminatie – Philomena Essed muntte het begrip ‘alledaags racisme’ – als onderdeel van institutioneel racisme.

De Black Lives Matter-protesten hadden iets hoopvols. Dat heel wat jonge witte mensen als medestanders samen met mensen van kleur opstonden tegen institutioneel racisme was daar een niet te onderschatten element van. Voor even leek de stilzwijgende consensus dat Nederland niet racistisch is, doorbroken. Niettemin blijft ook in Nederland institutioneel racisme een ingewikkelde knoop om te ontwarren. Zowel op de woningmarkt als op de arbeidsmarkt hebben mensen met een migratieachtergrond minder kansen dan hun witte landgenoten. Er is het etnisch profileren en de racistische cultuur binnen de politie. Ook in het onderwijs worden kinderen met een migratieachtergrond al vroeg op achterstand zet.

Maar het taboe is grotendeels weg, zegt Amade M’charek. ‘We zijn de fase van de discussie óf het belangrijk is nu wel voorbij. Er is een dynamiek ontstaan waarbij antiracistische stemmen ruimte en belangstelling krijgen in het discours en de publieke opinie.’

‘Denken in polen maakt per definitie eendimen-sionaal. Zo eenvoudig is de realiteit niet’

U heeft vaker uw frustraties geuit over het gebruik van het concept ‘ras’. Maar kleur blijft in onze maatschappij helaas wel een relevant gegeven, onbewust torsen we die raciale identiteit.

‘Als identiteitsaanduiding is “ras” een gevaarlijke categorie, zeker bij ons in Europa, waar het onlosmakelijk verbonden is met biologie, genocide, raciale wetenschap, kolonialisme en slavernij. En natuurlijk doet uiterlijk ertoe. Maar het is minder vastomlijnd dan het begrip “ras” suggereert.

Ik weet niet hoe jouw ervaringen zijn, maar hier in Nederland ben ik vaak de Marokkaanse. In Turkije word ik als Israëliër gezien, op Cuba ben ik Mexicaans en in Spanje Portugees. In elk land lezen mensen je verschijning anders. Dat die uiterlijke hokjes veranderlijk zijn, is bijzonder fascinerend. Het is een heel fluïde constructie en dus geen stabiel referentiepunt. Maar het doet ertoe, en natuurlijk wordt het in de samenleving als cue aangegrepen om mensen te beoordelen. En helaas ook om mensen hun plaats te wijzen of zelfs uit te sluiten.’

Mensen die op machtsposities zitten, blijken in Nederland nog steeds voornamelijk wit en man. Hebben beleidsmakers de juiste tools om hierover aan zelfreflectie te doen?

‘Het blijven toch de gebaande paden die je steeds opnieuw betreedt. De cloning culture binnen organisaties, de neiging om structureel dezelfde mensen aan te stellen, biedt juist weinig ruimte om kritisch na te denken over de werkomgeving an sich, en de manier waarop die wordt vormgegeven.

Diversiteitspolitiek betekent de ingewikkelde weg bewandelen waarbij de plek zelf, de cultuur ter discussie moet worden gesteld. Dat is een psychologisch niveau waarbij je tot het besef komt dat je zelf weleens onderdeel bent van het probleem. Die constatering, dat je bij voorbaat bevooroordeeld bent, is een pijnlijk proces. Waar werken we, hoe werken we? Hoe komt het dat we zo werken, en vooral waarom we niet anders werken? Dat zijn andere type vragen dan louter: wie zit hier aan tafel? Want in theorie kun je dat probleem heel snel oplossen, zonder écht iets te veranderen.’

Kom je door verschillende mensen, stemmen en perspectieven aan tafel te krijgen niet juist dichter tot die antwoorden?

‘Hoelang probeert de politie al niet haar korps diverser te maken? Of de media?’

‘Nee, de geschiedenis heeft geleerd dat dat niet zomaar werkt. Diverser word je niet door precies hetzelfde te doen als we al jaren proberen. Hoelang probeert de politie al niet haar korps diverser te maken? Of de media? Er zijn veel mensen uitgenodigd om aan tafel te komen zitten. Maar structureel hebben zij het onderspit moeten delven. Diversiteit gaat over meer dan alleen de poppetjes. Bovendien gooi je met alleen poppetjes de kwalijke tradities niet plots om. Men wordt in de conformerende rol geduwd, als onderdeel van het systeem. De basis blijft zo buiten schot.’

Maar hoe kun je succesvol inclusief zijn als er geen stem is die de pijn van racisme uit de eerste hand vertolkt, en er slechts indirect kennis is over uitsluitingsprocessen en racisme?

‘Natuurlijk is het belangrijk om een frisse wind te laten waaien door de instituties. Dat nieuwe inzichten en perspectieven, nieuwe manieren van werken in huis moeten worden gehaald, lijkt me inmiddels vanzelfsprekend. Maar het is geen mirakel-oplossing.

Dat starre hokjesdenken, daar verzet ik me tegen. Het leidt tot zelfgenoegzaamheid, tot het valse gevoel dat je werk klaar is. Mensen aan de top horen ook zonder hulp zichzelf te kunnen bevragen. Mensen reduceren tot een bepaald aspect van hun identiteit is bovendien een dubieus fenomeen. Sorry, maar op de universiteit ben ik geen Tunesiër. Ik ben hoogleraar M’charek. Mijn antiracisme heb ik niet uit Tunesië. Ik heb het hier in Nederland ontwikkeld en in Amsterdam tijdens mijn studie vormgegeven, omdat ik zelf een plek innam in de maatschappelijke beweging. Elke keer benaderd worden als de Tunesische of Arabische vrouw, daar pas ik ook echt voor.’

Door haar achtergrond – vanuit haar geboorteplaats Zarzis in het armere zuiden van Tunesië kwam ze op haar elfde met haar ouders, beiden niet geletterd, naar Haarlem – kreeg M’charek als jong meisje ‘huishoudschool’ als schooladvies. Ze moest later toch voor haar man zorgen, klonk het. Het zijn die pijnlijke situaties waar ze haar twaalfjarige dochter vandaag voor wil behoeden. ‘Ja, ik maak me daar best zorgen om. Een kind maakt je hartstikke kwetsbaar, dat is een emotie die ik onderschat heb.’

Wanneer ze met haar dochter in Amsterdam-Oost in de Javastraat langs de moskee loopt, vertelt M’charek – wel een islamitische achtergrond, niet gelovig – haar dat oma daar ook kwam bidden. Zo nu en dan draagt ze enkele soera’s voor, zodat de prille tiener de wereld ziet, waar al die verschillen bij elkaar zijn. ‘Ze is zelf hartstikke antiracistisch en feministisch. Maar ze heeft het niet alleen van mij. En daar ben ik heel blij om.’

Laatst kwam haar dochter thuis met een discussie over armoede. In de klas werd haar een dilemma voorgeschoteld: is armoede iets waar je zelf verantwoordelijk voor bent? De hoofdschuddende beweging van M’charek verraadt ergernis. ‘Dát is het niveau. Alsof armoede een eigen keuze zou zijn. Alsof onze samenleving een meritocratie is! Dan vertel ik haar over onze eigen positie, dat die helemaal niet vanzelfsprekend is. Dat ik een baan heb op de universiteit, dat we goed wonen in Amsterdam. Het had ook heel anders kunnen lopen. Door vervolgens uit te zoomen naar grotere vraagstukken in de wereld kom je onherroepelijk bij het probleem rond Afrika. Het potentieel rijkste continent van de wereld waar mensen moeten vluchten voor armoede, oorlog en ontbering. Hoe denk je dat dat komt, zeg ik dan? Omdat mensen die rijkdom wegzuigen. En dát is onrecht. Zo geef ik haar wat ingrediënten waarmee ze vervolgens haar eigen mening en ideeën kan vormen.’

‘Je kunt geen mensen uitsluiten omdat ze toevallig niet in dat zwarte lichaam leven’

Er is de krampachtige manier waarop in 2016 het boek Witte onschuld van Gloria Wekker werd ontvangen. De toonaangevende wetenschapper kreeg toen vinnige kritiek te verduren. Maar langzaam maar zeker lijkt het engelengeduld van activisten resultaat op te leveren. Ook door de Black Lives Matter-beweging is Nederland iets comfortabeler over kleur gaan praten. Neem historicus Rutger Bregman, die tien jaar geleden anti-Zwarte Piet-activisten wegzette als ‘zenuwlijders’ – ‘nimmer zag ik de vrolijke slaaf van de Sint als n*ger’ – en mensen als Jerry Afriyie vandaag prijst als verzetshelden. ‘Dát zijn de mensen die de wereld veranderen.’ Persoonlijkheden die vitaal zijn in de strijd tegen racisme, zoals Sylvana Simons en Jerry Afriyie, voorheen weggehoond, worden nu steeds meer omarmd en vooral gehoord.

De discussie heeft zich verder ontwikkeld, zegt M’charek. ‘Afriyie en consorten hebben Nederland anders leren denken over racisme. Voorheen werd het nooit een maatschappelijk probleem, een probleem van óns allemaal. Het gesprek kreeg onvoldoende ruimte. Er is nog veel onwetendheid, maar de Black Lives Matter-beweging heeft mensen doen inzien dat het probleem niet louter om persoonlijke voorkeuren en op zichzelf staande incidenten gaat, maar om een structureel patroon van racisme. Dat idee, het gevoel dat het niet alleen aan individuen ligt, creëert lucht in het debat.’

U staat erom bekend dat u de zogeheten identiteitspolitiek liever afwijst.

‘Ik sta er dubbel in. Ik ben helemaal voor strategic essentialism. Als in: alle verscheidenheid doet er even niet toe. Afhankelijk van de strijd die we voeren zijn we nu met z’n allen even moslims, of christelijk, joods of whatever. Maar ik vind het problematisch als antiracisme uitsluitend wordt gedefinieerd als eigendom van mensen met bepaalde lichamen. Omdat het de complexiteit van racisme tenietdoet. Het is onjuist dat racisme zich altijd slechts op een bepaald lichaam richt. Racisme kent verschillende doelwitten. Het kan een geur zijn die je niet aanstaat, een accent, een loopje, een hoodie die je draagt. We hebben het állemaal meegemaakt.’

Van oorsprong is elke identiteitsstrijd toch een gevecht tegen onderdrukking? De homo- en de vrouwenbeweging waren toch ook een vorm van identiteitspolitiek?

‘De vrouwenbeweging was een brede beweging die over veel soorten onrecht ging. Black Lives Matter in de VS gaat ook verder dan antizwart-racisme. Maar door de problematiek te reduceren tot bepaalde lichamen die wel of niet mogen spreken, en het policen wie wel aan tafel mag zitten en vooral wie niet, creëer je polarisatie. Bovendien maak je daarmee slachtoffers en daders. De sleutelvraag luidt: hoe kunnen we ook kinderen zonder migratieachtergrond meekrijgen in een gesprek over racisme? Wees constructief: je kunt geen mensen uitsluiten omdat ze toevallig niet in dat zwarte lichaam leven. Ik ben niet geïnteresseerd in een politiek die vijanden creëert, wel in eentje die vrienden produceert. Wees inclusief in je strijd, denk ik dan.’

Maar plaats je dan niet ten onrechte de gevoelens van witte mensen centraal

‘Wrijving en ongemak zijn nodig. Maar het zoeken naar begrip moet centraal staan in de strijd’

‘Bij verandering horen grote conflicten. Die kunnen productief zijn. Maar altijd met de gedachte: we zitten in dezelfde boot. We kunnen ruzie maken, en beslissen om die boot opnieuw te bouwen, maar we zijn wel samen aan boord. De huidige generatie heeft helemaal niets te maken met slavernij en koloniale geschiedenis. We willen ze verantwoordelijk houden niet als daders, maar als burgers van deze huidige samenleving, waarin de geschiedenis nazindert. Het mag pijn doen, het mag schuren. Het is zaak om uit te zoeken hoe we die noodzakelijke botsingen hebben, zonder het gevoel te hebben dat we elkaars vijanden zijn. Zonder het gevoel dat we kapseizen.’

Vindt u het narratief dat antiracistische retoriek polarisatie en verdeeldheid veroorzaakt fair tegenover mensen die radicale verandering willen?

‘Nee, ik pleit niet voor dat typisch Hollandse consensusdenken, dat polderen: het gesprek moet niet altijd comfortabel zijn. Die wrijving, dat ongemak, dat is nodig. Maar soms werken andere recepten en methoden beter. Het zoeken naar begrip moet centraal staan in de strijd. Zeker met de felle tegenstem in het achterhoofd, de mensen die zich niet gezien voelen. Dan vraag ik me af: hoe komt dat? Misschien moeten we het gesprek op een andere manier voeren. Want net zo goed als dat ik geen pijn wil voelen omwille van mijn afkomst, wil ik ook witte mensen niet beledigen of pijn doen. Laat staan afschilderen als per definitie racistisch.’

Advies aan de (in)formateur

Deze weken laat De Groene onafhankelijke deskundigen aan het woord. Welke stappen moeten op hun terrein in de komende vier jaar worden gezet? Wat moet er in het regeerakkoord komen?

Hoe vaak Kauthar Bouchallikht (27) het wel niet had gehoord. Keer op keer: jij hoort hier niet. Eind mei gaf het nieuwe GroenLinks-Kamerlid in een indrukwekkende openingsrede een stem aan de gevoelens van uitsluiting en achterstelling waar veel jonge Nederlanders met een migratieachtergrond mee worstelen. ‘Hoewel dit parlement het hele Nederlandse volk vertegenwoordigt, is het niet vanzelfsprekend dat ook ik hier sta vandaag. (…). Dat overkomt niet alleen mij. Structureel en institutioneel is “de Ander” het probleem.’

Bouchallikhts speech ontroerde M’charek diep. ‘Mooi ook hoe ze in haar speech persoonlijke ervaringen verbond aan grote maatschappelijke vragen. Vanuit een soort verbazing enerzijds, maar tegelijk ook dwingend: dit kan zo niet zijn. Zo hoort het niet. Een dame met power.’

De politiek worstelt al jaren met een representatieprobleem. Zo zetelde tijdens de vorige kabinetsperiode niemand van Surinaamse of Antilliaanse afkomst in de Kamer. M’charek hoopt dat mensen als Kauthar Bouchallikht en Sylvana Simons, die sinds haar intrede in de Kamer met haar interrupties en scherpe kritiek indruk maakt, een nieuwe cultuur op het Binnenhof inluiden. Met name rond het gesprek over racisme. ‘We hoeven het niet allemaal met Kauthar en Sylvana eens te zijn. Maar laten er vooral andere stemmen zijn, met inhoud. Ik hoop dat hun persoonlijkheid andere Kamerleden verleidt tot een ander discours.’

Demissionair premier Mark Rutte maakte naar eigen zeggen ‘grote veranderingen’ door in zijn standpunt over Zwarte Piet. En de term ‘institutioneel racisme’ wijst hij dan wel af, dat Rutte spreekt van ‘systemisch’ racisme mag als significant worden beschouwd. Lange tijd kwam Rutte immers niet verder dan onbevredigende platitudes – ‘burgers moeten het zelf oplossen, collectief, door elkaar aan te spreken’. Waar is het moreel leiderschap? vroegen critici zich af. In 2016 sprak Rutte bovendien in Zomergasten op aanstootgevende toon over ‘asociale’ Turkse Nederlanders: ‘Mijn primaire gevoel is: lazer zelf op. Ga zelf terug naar Turkije. Pleur op.’ En later was er de episode rond buitenlandminister en partijgenoot Stef Blok, die mocht aanblijven ondanks schokkende uitspraken over het falen van de multiculturele samenleving. En ook rond de Zwarte Piet-kwestie – ‘die discussie kun je voeren in praatprogramma’s’ – is te lang getalmd. Een beduidend reflectiemoment bleef lange tijd uit.

Dat besef, de ernst van de discussie over Zwarte Piet had eerder moeten zijn neergedaald, zegt M’charek. ‘En natuurlijk zijn die recente uitspraken belangrijk, in Rutte’s rol als premier, als politiek leider, als instituut. Hij is exponent van een grotere groep die is verschoven. Maar politiek Den Haag neemt haar rol als instituut te weinig serieus. Ik vind het prima als iemand uit het hart spreekt, maar altijd met de gedachte: wat is mijn rol als politicus? En niet zomaar door het trivialiseren of zelfs helpen polariseren van dit soort onderwerpen.’

Het heeft wel iets ironisch: dat dit probleem rond institutioneel racisme besproken moet worden aan een witte onderhandelingstafel.

‘Klopt, maar eigenlijk hoort zoiets van onderop in de maatschappij vorm te krijgen. We moeten realistisch zijn over wat je op politiek niveau kunt doen. Ze kunt wél mogelijkheden structureel faciliteren. Onderzoek, educatie, voorlichting, het vrijmaken van middelen zijn typische voorbeelden waar de overheid het voortouw kan nemen. Veel vragen die jij me stelt, zwengelen mijn nieuwsgierigheid aan. Als wetenschapper wil ik dit soort kwesties zelf onderzoeken. Maar daarvoor is geld nodig. En de poppetjes in Den Haag? Tja, dat duurt nog wel een tijdje. Zodra thema’s die raken aan institutioneel racisme bespreekbaar worden gemaakt, kan het in een stroomversnelling komen. Want uiteindelijk is de politieke arena de plaats waar we de samenleving vormgeven.’